Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2002:AE6158

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-07-2002
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
104209 VV EXPL 02-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2002, 240
JAR 2002/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Assen

sector kanton, locatie Assen

Rolnr.: 104209 VV EXPL 02-18

vonnis d.d.: 1 juli 2002

blad 1

typ:sf

VONNIS van de voorzieningenrechter te Assen

Inzake een vordering tot het treffen van een voorziening ingesteld door:

1. [eiseres], wonende te [woonplaats], [adres],

2. [eiseres], wonende te [woonplaats],

[adres],

eiseressen, gemachtigde mr. M. Vetkamp, advocaat en procureur te Soest,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING DE THUISZORG ICARE, thans gevestigd te Assen, Balkendwarsweg 3,

gedaagde, gemachtigde mr. Joh.C. Westmaas, advocaat en procureur te Dronten.

Gezien de processtukken waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

OVERWEEGT TEN AANZIEN VAN HET RECHT ALS VOLGT:

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende weersproken het volgende vast.

[eiseres] is per 1 september 1978 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij een rechtsvoorgangster van gedaagde als wijkziekenverzorgende. In haar arbeidsovereenkomst van december 1990 is ten aanzien van de arbeidsduur en werktijden bepaald dat zij gedurende 138,4 uur per maand werkt en dat deze uren worden verdeeld over 5 werkdagen per week.

[eiseres] is per 1 november 1988 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij een rechtsvoorgangster van gedaagde als wijkziekenverzorgende. In haar arbeidsovereenkomst van december 1990 is ten aanzien van de arbeidsduur en werktijden bepaald dat zij gedurende 127,16 uur per maand werkt en dat deze uren worden verdeeld over 4 werkdagen per week. Eiseressen hebben bij brief van 6 juni 2001 aan de commissie van geschillen ex artikel 82 van de CAO Thuiszorg verzocht uit te spreken dat gedaagde in strijd handelt met het recht en dat het haar niet is toegestaan om eiseressen te verplichten hun werkzaamheden (ook) in weekenden te verrichten. Deze commissie heeft op 5 november 2001 uitspraak gedaan. Daarbij is onder meer uitgesproken dat uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst voortvloeit dat eiseressen uitsluitend op doordeweekse dagen te werk kunnen worden gesteld. Verder heeft deze commissie partijen opgedragen in overleg te treden over: de zwaarwegendheid van het belang van gedaagde welk zou nopen tot wijziging van de werktijden van eiseressen, over alternatieven die er toe leiden dat eiseressen niet danwel zo min mogelijk in het weekend behoeven te werken en het treffen van een overgangsregeling, indien en voor zover komt vast te staan dat werken in het weekend door eiseressen onvermijdelijk is. Partijen hebben na deze uitspraak een aantal malen overleg met elkaar gehad. Daarbij zijn zij niet tot elkaar gekomen.

Voordat het geschil aan de commissie werd voorgelegd, was het reeds duidelijk dat partijen de uitspraak van de commissie niet als bindend zouden aanvaarden.

Op de arbeidsovereenkomsten tussen partijen is vanaf 1 januari 1995 de CAO Thuiszorg van toepassing.

2. Eiseressen hebben thans bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd gedaagde te verbieden om 10 dagen na de betekening van het vonnis in kort geding eiseressen te verplichten in weekenden (op zaterdag en zondag) te werken, behoudens in onderling overleg in geval van uitzonderlijke situaties. Zij hebben hiertoe hoofdzakelijk het volgende aangevoerd.

Eiseressen maken deel uit van het zorgteam Haren/Zuidlaren, dat uit 6 personen bestaat. In november 2000 heeft de medewerker die uitsluitend avond-, nacht- en/of weekenddiensten verrichtte aangegeven het team per 1 januari 2001 te verlaten. Gedaagde heeft daarop beslist dat de vacature niet zou worden opgevuld, en dat alle medewerkers voortaan ook in het weekend zullen moeten gaan werken. Bij het aangaan van hun arbeidsovereenkomsten hebben eiseressen uitdrukkelijk beoogd slechts op weekdagen hun werkzaamheden te verrichten en dit is in de praktijk

- behoudens in noodgevallen - ook altijd zo gegaan. Gedaagde heeft daarop aangegeven dat het beleid van de organisatie zou worden om volgens rooster te werken gedurende 7 dagen per week en dat het aantrekken van medewerkers voor alleen weekenddiensten niet binnen dat beleid past, inefficiënt is en de doorgroei van medewerkers stagneert. Eiseressen hebben hiertegen direct geprotesteerd onder verwijzing naar hun arbeidsovereenkomst en hun privé-omstandigheden en onder verwijzing daarnaar gesteld dat in het kader van een redelijke belangenafweging op grond van beginselen van redelijkheid en billijkheid niet tot acceptatie van een zodanige eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst kan worden besloten. Desondanks heeft gedaagde eiseressen met ingang van week 5 van 2001 ingepland voor werkzaamheden in het weekend, voorshands op 1 weekend per 4 weken. Eiseressen hebben deze diensten sindsdien onder uitdrukkelijk protest verricht. Naast het feit dat gedaagde ten onrechte eenzijdig wijziging aanbrengt in de bestaande arbeidsovereenkomst, is de handelwijze voorts in strijd met goed werkgeverschap en met de beginselen van redelijkheid en billijkheid, in het bijzonder gelet op het meten met 2 maten door gedaagde. Elders in het werkgebied van gedaagde worden namelijk werknemers als eiseressen niet verplicht in het weekend te werken en worden nog werknemers aangenomen die alleen in het weekend werken. Na de uitspraak van de geschillencommissie wordt door gedaagde eenzijdig vastgesteld dat er een zwaarwegend belang is in verband met de noodzakelijke productiviteit om de werktijden van eiseressen te wijzigen en dat er geen alternatieven aan de orde kunnen komen. In het bijzonder wordt daarbij op precedentwerking gewezen. Gedaagde is echter op geen enkele wijze inhoudelijk ingegaan op de wensen van eiseressen en van het hele team Haren om weekendkrachten aan te trekken. Daardoor zouden namelijk naar de opvatting van het hele team problemen ten aanzien van de roosters kunnen worden voorkomen. Deze problemen doen zich thans wel voor. Door het gedwongen inzetten van eiseressen in weekenden en het niet opvullen van specifieke weekendkrachten vallen namelijk gaten in de taakwerkzaamheden door de week waardoor de continuïteit van de zorg juist gevaar loopt. Zoals overal in de zorg kan dit beter worden nagestreefd door een zo groot mogelijke flexibiliteit en verscheidenheid aan inzetbare krachten.

Daarnaast valt ook in objectieve zin niet goed in te zien waarom gedaagde het genoemde nieuwe beleid niet geleidelijker zou kunnen invoeren en slechts voor nieuw personeel zou gelden dat zij op 7 dagen per week inzetbaar zijn. Concluderend stellen eiseressen dat gedaagde niet een zodanig zwaarwegend belang heeft dat dit zou mogen leiden tot wijziging van hun werktijden.

3. Gedaagde heeft hiertegenover hoofdzakelijk het volgende aangevoerd.

Ten tijde van de indiensttreding van eiseressen was er in de thuiszorg nog vrij weinig sprake van avond-, nacht- en weekendzorg. Alle wijkziekenverzorgenden werkten destijds dan ook in dagdiensten. Onder invloed van de maatschappelijke ontwikkeling is vanaf ongeveer 1990 de zorgvraag op avonden en weekenden in de thuiszorg steeds meer toegenomen. Dit heeft geleid tot het vormen van zogenaamde geïntegreerde zorgdienst, waarin de verzorging, de wijkziekenverzorging en de verpleging samen kwamen. Dat zorgteam was tevens verantwoordelijk voor de avond-, nacht- en weekendzorg. Met het toenemen van de zorgvraag moesten steeds meer medewerkers ingezet worden in het avond-, nacht- en weekendzorgtraject. Met name in het team Haren/Zuidlaren was het al geruime tijd zeer moeilijk om alle zorg in de weekenden rond te krijgen. Dit niet vanwege het feit dat er onvoldoende formatie zou zijn, maar als gevolg van de opstelling van eiseressen die niet bereid bleken in de weekenden te werken. Eiseressen hebben zich gewend tot de geschillencommissie CAOP. Deze heeft uitsluitend beoordeeld of sprake was van directe doorwerking van thans vigerende CAO-bepalingen in het individuele contract en geoordeeld dat dit niet het geval was. Daarom moet nu beoordeeld worden in hoeverre gedaagde in redelijkheid van eiseressen kan verlangen dat zij zich richten naar het belang van de organisatie om de zorg op die momenten te bieden waarop deze door klanten wordt gevraagd. Eiseressen maken deel uit van het zorgteam. Dit is een zogenaamd zelfsturend team hetgeen inhoudt dat de teamleden met elkaar de zorg binnen een bepaald gebied dienen te garanderen voor wat betreft continuïteit, productiviteit, planning. Daarbij heeft het team rekening te houden met Arbo-wetgeving en met de rust en arbeidstijden alsmede met CAO-bepalingen. Binnen die ruimte mag volgens gedaagde verantwoordelijkheid worden verwacht van een ieder die binnen het team functioneert. Dat betekent dat gewijzigde omstandigheden ook flexibel opgepakt en ingevuld moeten worden door het team. Wijziging van omstandigheden heeft onder meer betrekking op het feit dat in het verleden de wijkziekenverzorgenden op dagdelen van vier uur of dagen van acht uur werkten en zij 's middags huisbezoeken aflegden ten behoeve van begeleiding van chronisch zieken en revalidatie van patiënten. Dit laatste is wezenlijk veranderd mede onder invloed van het ontstaan van aparte indicatie-organen sinds 1999. Deze zijn de opdrachtgevers voor de teams. Hierdoor wordt er op de middagen in zeer beperkte mate klantenzorg verricht. De piek in de zorgverlening ligt met name in de vroege ochtend en wel zeven dagen per week. Sinds een aantal jaren is het de tendens dat steeds meer medewerkers zowel de dagdienst als de avond- en weekendiensten moeten bezetten om de zorgvraag te kunnen beantwoorden. Het aantrekken van medewerkers voor alleen weekenddiensten past niet binnen het beleid van de organisatie, is inefficiënt en stagneert doorgroei van medewerkers. De opstelling van eiseressen maakt het mogelijk dat anderen binnen het team het slachtoffer zullen worden. Algemeen uitgangspunt van gedaagde is dat er door alle medewerkers flexibel gewerkt wordt, in alle diensten en volgens het rooster.

De vordering van eiseressen zou het voor gedaagde onmogelijk maken het werkgeversbelang, inhoudende een nu en in de toekomst goed functionerend team en het op langere termijn invullen van roosters, te stellen boven het werknemersbelang. Gedaagde concludeert dan ook tot afwijzing van de vordering.

4. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is overwogen als volgt.

Na uitspraak door de geschillencommissie op 5 november 2001 heeft gedaagde het standpunt ingenomen dat na een overgangsregeling van drie maanden ook voor eiseressen het rooster zal gelden waarbij zij flexibel in alle diensten kunnen worden ingezet. In verband hiermee bestaat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

Voor wat betreft het oordeel over de vraag of eiseressen zich terecht op het standpunt stellen dat zij volgens hun arbeidsovereenkomst hun te werken uren slechts op doordeweekse dagen hoeven in te vullen, wordt verwezen naar het oordeel van voornoemde commissie. De kantonrechter maakt dit oordeel tot het hare en eveneens de onderbouwing daarvan. Dit betekent dat het niet slechts gaat om wensen van eiseressen, maar primair om een verplichting voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomsten waaraan slechts kan worden getornd bij een zwaarwegend belang van gedaagde. Gedaagde heeft als uitgangspunt voor het flexibeler kunnen inzetten van de medewerkers genoemd dat de zorgvraag ook in de avond en weekenduren moet worden afgedekt. Juist deze zorgvraag is de afgelopen jaren toegenomen, terwijl voorts piekuren tijdens de ochtenden in het algemeen liggen. Het is onduidelijk of met een toename van de zorgvraag gedurende avond en weekenden sprake is van een uitbreiding van de zorgvraag dan wel slechts van verschuiving. Met name indien dit laatste het geval is zou van werknemers in beginsel mogen worden verwacht bij dezelfde urenomvang meer spreiding over dagen te accepteren. Door gedaagde is echter onvoldoende invulling gegeven aan haar stellingen met betrekking tot verhoging van de productiviteit en verlaging van de zogenaamde gaw (geen of ander werk) uren. Gedaagde zal moeten aantonen dat sprake is van deze verschuiving en voorts waarom niet op andere wijze - waarin wel de arbeidsovereenkomsten van eiseressen worden gerespecteerd - aan die uitgangspunten is te voldoen. Dit geldt temeer nu er volgens eiseressen een tekort aan menskracht is gezien de omvang van de zorgvraag over zeven dagen ten opzichte van de omvang van de diverse aanstellingen per week; zij hebben immers aangevoerd dat overuren moeten worden gedraaid. Daarbij komt dat het flexibeler inspelen op de zorgvraag in zoverre betrekkelijk is dat volgens de CAO de roosters reeds één maand voordat zij ingaan aan de medewerkers moeten worden verstrekt.

Gelet op vorenstaande overwegingen moet worden geoordeeld dat door gedaagde voorshands onvoldoende is aangetoond dat zij een zwaarwegend belang heeft bij een flexibele inzet van alle medewerkers van het zorgteam van eiseressen gedurende in beginsel zeven dagen per week. De vorderingen van eiseressen dienen dan ook bij wijze van voorlopige voorziening te worden toegewezen.

Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

EN NEEMT BIJ WEGE VAN VOORZIENING DE VOLGENDE BESLISSINGEN:

De kantonrechter rechtdoende als voorzieningenrechter:

Verbiedt gedaagde om tien dagen na de betekening van dit vonnis eiseressen te verplichten in weekenden (op zaterdag en zondag) te werken, behoudens in onderling overleg in geval van uitzonderlijke situaties.

Veroordeelt gedaagde in de kosten, tot op heden aan de zijde van eiseressen begroot op € 339,56, bestaande uit:

€ 82,00 aan griffierecht;

€ 77,56 aan exploitkosten;

€ 180,00 aan salaris gemachtigde;

Verklaart bovenstaande beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. C.P. van Gastel, kantonrechter te Assen, en uitgesproken door mr. J.M.H. Pauw, kantonrechter te Assen, ter openbare terechtzitting van

1 juli 2002, bijgestaan door van mr. H.J. de Groot als griffier en door beide laatstgenoemden getekend.

coll: