Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2002:AE3911

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
19/830192-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zijn echtgenote door verwurging van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij haar opzettelijk zwaar heeft mishandeld tengevolge waarvan zij is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT ASSEN

STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende [woonadres verdachte].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2001, 23 januari 2002, 13 februari 2002, 8 mei 2002 en 29 mei 2002.

De verdachte is ter terechtzitting van 23 februari 2002 en 29 mei 2002 verschenen en werd telkens bijgestaan door mr. R. Bosma, advocaat te Assen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.H.G. du Fossé. De vordering houdt in ten aanzien van het subsidiair tenlastgelegde: ontslag van alle rechtsvervolging, alsmede dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld met daaraan verbonden de volgende voorwaarden:

- een opname in de F.P.K.;

- het volgen van de aanwijzingen van de reclassering, hetgeen een begeleiding van het A.F.P. kan inhouden.

TENLASTELEGGING

1.

hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2001 tot en met 8 augustus 2001 te Nietap, gemeente Noordenveld, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [naam slachtoffer] gewurgd, althans de hals/keel van die [naam slachtoffer] dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2001 tot en met 8 augustus 2001 te Nietap, gemeente Noordenveld, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [naam slachtoffer] gewurgd, althans de hals/keel van die [naam slachtoffer] dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2001 tot en met 8 augustus 2001 te Nietap, gemeente Noordenveld, aan zijn echtgenote [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk de hals/keel van die [naam slachtoffer] dicht te drukken/knijpen en/of enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen te houden, terwijl het feit de dood van die [naam slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

VRIJSPRAAK

De verdachte dient van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zijn echtgenote door verwurging van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij haar opzettelijk zwaar heeft mishandeld tengevolge waarvan zij is overleden.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn echtgenote heeft gewurgd. De rechtbank acht echter niet bewezen dat hij opzettelijk heeft gehandeld. Daarom wordt hij vrijgesproken.

Anders dan de Officier van Justitie is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte niet kan worden afgeleid uit de doelgerichtheid van zijn handelen. Doelgericht handelen is zonder enige twijfel een wezenlijke indicatie voor opzettelijk handelen. Indien een verdachte zicht niets herinnert van zijn handelen, zal het opzet in de regel kunnen en mogen worden afgeleid uit de doelgerichtheid van zijn feitelijke handelingen. Maar opzet ziet op willens en wetens handelen. Dat betekent dat in ieder geval enige mate van cognitieve controle aanwezig moet zijn om opzet aan te kunnen nemen. Ontbreekt de cognitieve controle volledig, dan kan van opzettelijk handelen geen sprake zijn. Dat in de regel bij het ontbreken van herinnering de opzet kan worden afgeleid, is gebaseerd op de fictie dat er sprake is geweest van in ieder geval enige mate van cognitieve controle. Een fictie die noodzakelijk is om te voorkomen dat verdachten die zich niets kunnen herinneren, of die dat zeggen, vrijuit zouden gaan. Maar als de fictie aantoonbaar onjuist is, dan lijdt deze regel uitzondering.

De rechtbank heeft zich uitvoerig laten voorlichten over de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder hij tot zijn daad is gekomen. In eerste instantie hebben de psychiater Takkenkamp en de psycholoog De Jong gerapporteerd. Hun rapporten maakten onderdeel uit van een tripelrapportage, die werd gecompleteerd door een uitgebreid milieuonderzoek door de reclassering. De deskundigen zijn op de zitting van 13 februari 2002 gehoord. Ondanks hun eensluidende bevindingen, heeft de rechtbank met de Officier van Justitie geoordeeld dat het gelet op de ernst van het feit onontbeerlijk was om een second opinion te vragen. Dit heeft geleid tot een rapport van de psychiater Vredeveld. Alledrie de deskundigen zijn op de zitting van 29 mei 2002 gehoord.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich van de verwurging niets kan herinneren. Hij had een woordenwisseling met zijn vrouw over echtscheidingskwesties. Hij voelde zich gekrenkt door haar opmerkingen en aantijgingen. Toen zij dreigde hem te zullen beschuldigen van incest, begonnen zijn oren te suizen en werd het hem zwart voor de ogen. Toen hij weer bij zijn positieven kwam lag zijn vrouw dood op de grond en zat hij naast haar, met zijn handen losjes om haar keel.

De deskundigen zijn stellig en eensluidend in hun oordeel, dat verdachte heeft gehandeld in een geestestoestand die kan worden aangeduid als een acute dissociatieve stoornis. Die toestand is ingetreden kort voordat het feit werd gepleegd en heeft geduurd tot kort daarna. Kenmerkend voor een dergelijke stoornis (of reactie) is dat een verstoring plaatsvindt van de gewoonlijk geïntegreerde functies van bewustzijn, geheugen, identiteit en waarneming van de omgeving. Bij verdachte was volgens de deskundigen die verstoring nagenoeg volledig. In die toestand was hij niet in staat zijn wil te bepalen of zijn handelingen te sturen. Zijn handelingen waren volledig onttrokken aan de cognitieve controle.

De deskundigen zijn eveneens eensluidend in hun oordeel dat verdachte ook niet kan worden verweten dat hij in die toestand is geraakt. Die toestand heeft zich plotseling meester van hem gemaakt. Hij kende deze toestand niet uit eerdere ervaringen en kon die dan ook niet met bewuste intentie vermijden ten tijde van het begin of verloop van de woordenwisseling met zijn echtgenote.

De rechtbank heeft na uitvoerige bevraging van de deskundigen en na bestudering van hun rapportages, geen aanleiding gevonden aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen.

Takkenkamp en De Jong benoemen de opgetreden stoornis als een ziekelijke stoornis, van zeer beperkte duur. Vredeveld beschouwt de stoornis niet als een geestesziekte, maar geeft wel aan dat de stoornis een diepgaande storing van de psychische functies met zich mee heeft gebracht. De deskundigen zijn het er wel over eens dat bij verdachte (overigens) geen sprake is van een ziekelijke storing of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

De vraag of de acute dissociatieve stoornis die bij verdachte speelde ten tijde van het plegen van het feit al dan niet als een geestesziekte in de zin der wet moet worden beschouwd, kan onbeantwoord blijven. Van doorslaggevend belang is namelijk dat moet worden aangenomen dat verdachte op dat moment als gevolg van die stoornis geen enkele cognitieve controle had, dus zijn wil om te handelen niet kon bepalen, terwijl hem evenmin kan worden verweten dat hij in die toestand is geraakt. Dit betekent dat het opzet op de omschreven handelingen niet bewezen kan worden.

DE BESLISSING VAN DE RECHTBANK LUIDT:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en spreekt verdachte mitsdien daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter, en mr. H. de Wit en mr. J.D. den Hartog, rechters, in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 12 juni 2002.-