Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2002:AE3528

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
04-06-2002
Zaaknummer
19/047048-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK VAN HET ARRONDISSEMENT ASSEN

STRAFVONNIS van de economische politierechter in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

Staatsbosbeheer,

Princenhof Park 1,

3972 BG Driebergen-Rijsenburg.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op dinsdag, 21 mei 2002.

De verdachte is verschenen in de persoon van de heer [naam vertegenwoordiger], die verdachte krachtens bijzondere schriftelijke volmacht ter terechtzitting vertegenwoordigt.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Assen.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F. Greive.

De vordering houdt in: € 10.000,-- waarvan € 5.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. verdachte op verschillende tijdstippen, in elk geval op enig tijdstip, gelegen

in of omstreeks de perode van 1 maart 2001 tot en met 31 mei 2001, in elk

geval op of omstreeks 7 mei 2001, te Spier, in elk geval in de gemeente

Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in/op het bosperceel Terhorsterzand, opzettelijk vinken en/of merels en/of

roodborsten en/of winterkoningen en/of zanglijsters en/of koolmezen, in elk

geval een (groot) aantal beschermde vogels heeft verontrust [te weten: door

het (doen) gebruiken van een zogenaamde "Harvester" bosbouwmachine en/of door

het (doen) kappen van bomen waarin genoemde vogel(s) zich bevonden];

2. verdachte op verschillende tijdstippen, in elk geval op enig tijdstip, gelegen

in of omstreeks de perode van 1 maart 2001 tot en met 31 mei 2001, in elk

geval op of omstreeks 7 mei 2001, te Spier, in elk geval in de gemeente

Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

in/op het bosperceel Terhorsterzand, een of meer nesten van vinken en/of

merels en/of roodborsten en/of winterkoningen en/of zanglijsters en/of

koolmezen, in elk geval van een aantal beschermde vogels heeft verstoord,

opzettelijk vernield en/of beschadigd [te weten: door het (doen) omkappen

van de bomen waarin deze nesten zich bevonden];

Indien de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten bevat, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet geschaad in de verdediging.

VRIJSPRAAK

Staatsbosbeheer wordt verweten dat zij de artikelen 5 en 8, eerste lid van de Vogelwet 1936, verder te noemen: de Vogelwet, heeft overtreden. Dit zou zijn gebeurd in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 mei 2001 in het Terhorsterzand, een bosgebied te Spier, gemeente Midden-Drenthe.

Artikel 5 van de Vogelwet verbiedt het doden, pogen te doden, vangen, pogen te vagen of opzettelijk verontrusten van beschermde vogels. Artikel 8, eerste lid, verbiedt (ondermeer) het verstoren van, het opzettelijk vernielen dan wel beschadigen of wegnemen van hun nesten.

Volgens het eerste feit van de tenlastelegging zou een (groot) aantal beschermde vogels zijn verontrust door het (doen) gebruiken van een zogenaamde "Harvester" bosbouwmachine en/of door het (doen) kappen van bomen waarin deze vogels zich bevonden. En volgens het tweede feit zouden er nesten van beschermde vogels zijn verstoord, opzettelijk vernield en/of beschadigd door het doen omkappen van bomen waarin deze nesten zich bevonden.

De bepalingen van de Vogelwet die Staatsbosbeheer zou hebben overtreden, zien op opzettelijke handelingen. Daaronder vallen primair die handelingen die het oogmerk hebben op verontrusten en verstoren. Maar de Vogelwet is geen wet tegen vogelmishandeling, doch een wet voor vogelbescherming, gericht op de bescherming van soorten en van specimen. De geschiedenis van de wet en de Europese richtlijnen die daaraan mede ten grondslag liggen, laten daar naar het oordeel van de Politierechter geen onduidelijkheid over bestaan.

Anders dan van de zijde van Staatsbosbeheer is betoogd, kunnen daarom ook handelingen die met een ander oogmerk worden verricht, bijvoorbeeld de houtoogst, onder omstandigheden wel degelijk overtreding opleveren van de bedoelde verbodsbepalingen van de Vogelwet. Het opzet moet met andere woorden ruimer worden opgevat dan het hebben van het oogmerk.

De Officier van Justitie acht voorwaardelijke opzet aanwezig en voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De Politierechter overweegt het volgende.

Gebleken is dat zomervellingen een onderwerp is dat Staatsbosbeheer en de Vogelbescherming al jarenlang verdeeld houdt. In zijn requisitoir heeft de Officier van Justitie aangegeven dat het strafproces niet het juiste kader vormt om dit conflict te beslechten. De kwestie hoort in eerste instantie thuis in bestuurlijke kaders. De Politierechter deelt dit standpunt.

Illustratief in dit verband is dat de verbalisant in kwestie tijdens zijn opsporingsonderzoek eerst navraag doet bij de Vogelbescherming of deze het vellen dat plaatsvindt al dan niet gedoogt en pas na een negatief antwoord op die vraag overgaat tot het opmaken van een proces verbaal. Dit is tevens illustratief voor het feit dat in de praktijk niet steeds wanneer een vogel wordt verontrust of een nest wordt gestoord koers wordt gezet naar het strafrechtelijke circuit. Opportuniteit speelt met andere woorden in het vervolgingsbeleid een belangrijke rol. En dat is gelet op de strekking en de geschiedenis van de Vogelwet ook terecht.

Eenmaal op het strafrechtelijke circuit beland, vormt de tenlastelegging de grondslag waarop, en daarmee het kader waarbinnen, de Politierechter kan en moet oordelen.

Dan is een cruciale vraag of er wettig en overtuigend bewijs is dat de in de tenlastelegging genoemde verontrusting en verstoring daadwerkelijk is opgetreden en zo ja, of dat het gevolg is van de handelingen die door Staatsbosbeheer zijn verricht.

Vast is komen te staan dat in de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 mei 2001 in het Terhorsterzand onder verantwoordelijkheid van Staatsbosheer bomen zijn gekapt en met een Harvester zijn geoogst. Deze periode valt binnen het broedseizoen van veel vogels. Het Terhorsterzand is weliswaar ornithologisch niet van specifieke betekenis, maar uit inventarisatiegegevens van Staatsbosbeheer zelf blijkt wel dat in het bos jaarlijks vele beschermde vogels van verschillende soorten aanwezig zijn en nestelen.

Het opgemaakte proces verbaal geeft geen inzicht in de omvang van de werkzaamheden. Die is ook anderszins niet vast komen te staan.

Wettig bewijs dat er verontrusting van beschermde vogels heeft plaatsgevonden door het gebruik van de Harvester of door het kappen van bomen waarin zich beschermde vogels bevonden, is niet voorhanden. Verontrusting is een niet nader gedefinieerd begrip. Mede gelet op de overige handelingen waarop artikel 5 van de Vogelwet betrekking heeft, past een ruime uitleg van het begrip uitsluitend voor handelingen met het oogmerk om te verontrusten. In andere gevallen is een minder ruime invulling op zijn plaats. De wetgever heeft immers niet beoogd bossen (en tuinen) ontoegankelijk te maken voor mensen. Dat er vogels schrikken en opvliegen levert dan ook nog geen strafrechtelijk relevante verontrusting op. Dat zou anders kunnen zijn als de vogels niet meer terugkeren in het gebied. De tellingen van aanwezige territoria, gehouden op 2 april, 20 april, 3 mei en 14 mei 2001, geven daarvoor geen enkele indicatie.

Vanwege het ontbreken van wettig bewijs wordt Staatsbosbeheer vrijgesproken van het eerste feit dat is tenlastegelegd.

In het tweede feit is opgenomen dat er bomen zijn gekapt waarin zich nesten van beschermde vogels bevonden.

Gelet op de inventarisatiegegevens lijkt de kans dat dit is gebeurd zeker niet uitgesloten. Maar daarmee is het wettig bewijs nog niet geleverd. De verbalisant heeft geen verstoorde nesten waargenomen, hij heeft daar geen onderzoek naar verricht. Wel ligt er de verklaring van de aangever, dat hij op enig moment twee hele eieren, enkele kapotte eierschalen, twee dode jonge merels en een dode jonge duif op de grond in het bos heeft aangetroffen. Volgens de verbalisant ging het om eieren en eierschalen van duiven, die volgens de Vogelwet niet onder de beschermde vogels vallen. De enige mogelijk relevante vondst is derhalve die van de twee dode jonge merels. En daarvan staat niet vast dat ze afkomstig zijn uit een nest in een boom die is gekapt.

Vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs, wordt Staatsbosbeheer ook vrijgesproken van het tweede feit van de tenlastelegging.

DE BESLISSING VAN DE POLITIERECHTER LUIDT DERHALVE:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. en 2. is tenlastegelegd en spreekt verdachte mitsdien daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, economische politierechter, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de economische politierechter op dinsdag, 4 juni 2002.-