Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2002:AD9521

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
19-02-2002
Datum publicatie
25-02-2002
Zaaknummer
01/401
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de openluchtrecreatie 1
Wet op de openluchtrecreatie 8
Woningwet 1962 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Assen

Enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 01/401 GEMWT

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2001 (verzonden 14 maart 2001) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 13 oktober 2000 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de aanschrijving de (recreatie)woning op Landgoed 't Wildryck, kavel 271, voor 1 januari 2001 af te breken op straffe van een dwangsom van

f 500,-- per dag.

Namens eiser is bij brief van 20 april 2001 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft op 11 mei 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweer-schrift ingezonden. De gemachtigde van verweerder heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is, gevoegd met het geding 01/874 GEMWT, behandeld ter zitting van de rechtbank op 24 januari 2002, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.G.A. Luinstra, advocaat te Groningen.

Voor verweerder is verschenen A.J. Boers, medewerker van de gemeente Westerveld.

II. Motivering

Feiten

In maart 2000 heeft een inspecteur van de Afdeling Bouwen en Milieu van de gemeente Westerveld geconstateerd dat op kavel 271, welke kavel in eigendom toebehoort aan eiser, van het recreatieterrein Landgoed 't Wildryck bouwactiviteiten worden gepleegd, zonder dat daarvoor een bouwvergunning is verleend.

Bij brief van 19 april 2000 heeft verweerder de eiser verzocht de de recreatiewoning op kavel 271 van voornoemd landgoed af te breken, omdat het strijdig is met het bestemmingsplan en de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) en niet kan worden gelegaliseerd.

Bij brieven van 16 mei 2000 en 26 juni 2000 is hierop namens eiser gereageerd.

Bij brief van 27 juli 2000 heeft verweerder de gemachtigde van eiser in kennis gesteld van zijn voornemen bestuursdwang toe te passen ten aanzien van de in geding zijnde recreatiewoning. Hierop is bij brief van 4 augustus 2000 namens eiser is gereageerd, waarbij is aangegeven dat indien de brief van 27 juli 2000 is aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit schrijven als een bezwaarschrift hiertegen moet worden aangemerkt.

Na enige correspondentie tussen verweerder en de gemachtigde van verweerder heeft laatstgenoemde bij brief van 19 september 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter zitting van 18 oktober 2000 (inlichtingencomparitie) is van de zijde van verweerder aangegeven dat de dwangsom niet eerder wordt verbeurd dan nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep tegen het nog te nemen besluit op bezwaar. Vervolgens heeft de gemachtigde het beroep van 19 september 2000 ingetrokken.

Bij het (primaire) besluit van 13 oktober 2000 (verzonden bij brief van 16 oktober 2000) heeft verweerder eiser aangeschreven de recreatiewoning op kavel 271 op het Landgoed 't Wildryck voor 1 januari 2001 te verwijderen op straffe van een dwangsom van f 500,-- per dag met een maximum van f 25.000,--.

Namens eiser is tegen dit besluit bij brief van 26 oktober 2000 bij verweerder bezwaar gemaakt, aangevuld bij schrijven van 23 november 2000.

Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren op 23 januari 2001 ten overstaan van de commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Westerveld toe te lichten, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt. In haar advies van 27 februari 2001 heeft de commissie verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren en het besluit van 13 oktober 2000 te handhaven. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig dit advies besloten.

Standpunten partijen

Eiser is van mening dat onderhavig bouwwerk is aan te merken als een kampeermiddel en als gevolg van de toepassing van de Wor niet vergunningplichtig is. Eiser stelt dat het niet gaat om een recreatiewoning, gelet op de daarvoor gegeven definitie in het bestemmingsplan en bovendien dat het niet gaat om een permanent aanwezig gebouw, maar dat het een bouwsel op wielen is.

Volgens eiser gaat verweerders redenering, dat het gaat om en bouwwerk met een bewoonbare bovenverdieping die mede door vorm en uitstraling is aan te merken als een volwaardige, complete woning, niet op, omdat de Wor noch het bestemmingsplan voor het begrip kampeermiddel objectieve criteria geven, zoals grootte, materialen, hoogte, constructie e.d.

Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Hij is van mening dat zijn bouwwerk qua uiterlijk, materiaal, constructie en maatvoering dezelfde kenmerken vertoont als de bouwwerken in zijn omgeving en hij overlegt ter onderbouwing daarvan foto's. Doordat aan hem een dwangsombeschikking is opgelegd en niet aan andere medebewoners is er volgens eiser tevens sprake van willekeur.

Gezien de koopakte stelt eiser dat hij er voorts op mocht vertrouwen dat hij op zijn perceel een mobiele woning mocht plaatsen.

Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd komt met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Niet wordt aangegeven, aldus eiser, waarom het bouwwerk niet door middel van een procedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan worden gelegaliseerd.

Verweerder stelt dat in de primaire aanschrijving duidelijk de juridische situatie (strijd met de Woningwet, het bestemmingsplan en de Wor) is aangegeven. Verweerder stelt dat hij bij illegale bouw handelt volgens het in 1999 vastgestelde Stappenplan Handhaving Bouwrecht en dat dit ook nu is gebeurd.

Verweerder stelt dat aan het Landgoed 't Wildryck te Diever op 11 december 1997 een kampeerexploitatievergunning als bedoeld in de Wor is verleend. Het plaatsen van kampeermiddelen wordt op het kampeergedeelte toegestaan. Verweerder verwijst hierbij naar de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die uitgaat van een caravan op een jaarstandplaats van maximaal 35 m² vloeroppervlakte en een maximaal toegestane hoogte van 3.30 m, waarmee voorkomen wordt dat caravans verdiepingen kunnen hebben.

Verweerder stelt dat tussen de toenmalige gemeente Diever en de exploitant van het kampeerterrein is overeengekomen dat de stacaravans/mobiele chalets een maximale oppervlakte van 70 m² mogen hebben. De chalets/stacaravans waar eiser aan refereert, zijn volgens verweerder allen geplaatst onder de vigeur van de in 1997 verleende kampeerexploitatievergunning.

De woning van eiser heeft een oppervlakte van 75,5 m² en voldoet daarmee al niet aan de overeengekomen maximale oppervlakte. Daarnaast wijkt de chalet van eiser, aldus verweerder, qua bouwhoogte af van de bestaande stacaravans/mobiele chalets en heeft bovendien een tweede bouwlaag. Gelet op deze afwijking is er volgens verweerder geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel of van willekeur. Volgens verweerder is legalisatie van onderhavig bouwwerk op het terrein van het landgoed niet mogelijk.

Verweerder is van mening dat eiser in dit verband geen vertrouwen kan ontlenen aan de koopakte, waarbij verweerder geen partij is geweest.

Relevante regelgeving

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wor is bepaald dat onder kampeerterrein wordt verstaan een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens de inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

Blijkens het bepaalde onder c van het eerste lid, van artikel 1 van deze wet wordt onder kampeermiddel in gevolge de Wor verstaan een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Ter plaatse van onderhavig onderkomen waarvoor de dwangsomaanschrijving is uitgegaan, geldt het bestemmingsplan "Wijzigingsplan Landgoed 't Wildryck". Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften zijn de als recreatieterrein aangewezen gronden bestemd voor de doeleinden: staanplaatsen voor kampeermiddelen, recreatiewoningen, trekkershutten, beheersvoorzieningen ten behoeve van het eigen terrein, verkeers- en verblijfsdoeleinden, beplantingen. Voorts is bepaald dat recreatiewoningen uitsluitend zijn toegestaan op de gronden aangegeven met "recreatiewoningen" en staanplaatsen voor kampeermiddelen en trekkershutten uitsluitend zijn toegestaan op de gronden aangegeven met "kampeerplaatsen".

Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Beoordeling

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden gebruikt heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen in de vorm van het opleggen van een dwangsombeschikking. In verband hiermee overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet heeft verweerder de bevoegdheid handhavend op te treden bij overtreding van wettelijke voorschriften waarvan het gemeentebestuur met de uitvoering is belast. In dit geval stelt verweerder dat sprake is van overtreding van de Wor, het bestemmingsplan en de Woningwet. Geoordeeld moet worden dat verweerder ter zake van deze regels het uitvoerende orgaan is en daardoor in beginsel bevoegd is om bij overtreding hiervan handhavend op te treden.

Het chalet van eiser ligt op het terrein van het Landgoed 't Wildryck te Diever. Voor dit terrein heeft de rechtsvoorganger van verweerder op 11 december 1997 een kampeervergunning verleend. Dit terrein is derhalve een kampeerterrein als bedoeld in de Wor. Ingevolge deze vergunning mogen op het terrein maximaal 235 kampeermiddelen worden toegelaten, waaronder 158 tenten, tentwagens, kampeerauto's en caravans op jaarstandplaatsen.

In verband met de door verweerder gestelde overtreding van de Wor is van belang of het chalet als een kampeermiddel in de zin van deze wet kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Hiertoe heeft zij het volgende overwogen.

Uit de jurisprudentie komt naar voren dat bij de vraag of sprake is van een stacaravan of een mobiele chalet gekeken moet worden naar de omvang en het plaatsgebonden karakter.

In casu gaat het om een chalet met een oppervlakte van meer dan 70 m² en twee bouwlagen. Uit de gedingstukken is naar voren gekomen dat voor het verplaatsen van dit chalet buitengewoon materieel nodig is. Het vindt voorts direct of indirect steun in de grond en is bedoeld om ter plaatse te functioneren. Gelet op deze aspecten tezamen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een mobiel chalet of een kampeermiddel. In zoverre is er derhalve sprake van strijd met de ingevolge de Wor verleende kampeervergunning.

Het vorenstaande brengt tevens met zich dat het chalet van eiser aan te merken is als een bouwwerk, waarvan voor het oprichten ingevolge de Woningwet een bouwvergunning is vereist.

Nu de grond ingevolge het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het chalet van eiser is aangewezen als een staanplaats voor een kampeermiddel is het chalet tevens in strijd met het bestemmingsplan geplaatst. Gelet op deze strijdigheid kan het chalet niet worden gelegaliseerd door het verlenen van een bouwvergunning. Nu voorts geen wijziging van het bestemmingsplan in voorbereiding is, is een eventuele legalisatie met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) niet aan de orde. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat verweerder niet de verplichting heeft in dit verband expliciet aan de gemeenteraad voor te stellen een bestemmingsplanwijziging in gang te zetten.

Geconcludeerd moet worden dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het door eiser geplaatste chalet in strijd is met de Wor, het bestemmingsplan en de Woningwet, waardoor verweerder in beginsel bevoegd is handhavend op te treden. Blijkens de jurisprudentie is een bestuursorgaan, vanwege het zwaarwegende belang van handhaving van wettelijke voorschriften, zelfs gehouden van deze bevoegdheid gebruik te maken, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn waardoor hiervan zou kunnen worden afgezien.

Eiser heeft zich ter zake van de aan hem gerichte dwangsomaanschrijving beroepen op het gelijkheidsbeginsel en gesteld dat de andere op het terrein aanwezige chalets of caravans vergelijkbaar zijn met zijn chalet.

Mede aan de hand van de in dit geding overgelegde foto's is de rechtbank van oordeel dat de andere op het terrein aanwezige chalets of stacaravans, met een omvang van maximaal 70 m² en een hoogte van maximaal 3,30 m, evenmin als kampeermiddelen zijn aan te merken en derhalve eveneens bouwwerken zijn waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit wordt niet door verweerder ontkend. Verweerder stelt echter dat het chalet van eiser afwijkt van de andere bouwwerken gelet op de oppervlakte, hoogte en - niet van het minste belang - de aanwezigheid van een volwaardige tweede bouwlaag, waardoor het effectieve gebruik van het chalet voor (al dan niet tijdelijke) woondoeleinden wezenlijk is vergroot.

De rechtbank is van oordeel dat de bouwwerken op een relevant punt gelijkwaardig zijn en dat er in zoverre van gelijke situaties kan worden gesproken. De bouwwerken zijn namelijk alle illegaal, want ze zijn vergunningplichtig ingevolge de Woningwet. In het geding 01/874 GEMWT heeft de rechtbank geoordeeld dat de in feite aanwezige categorale gedoogsituatie in rechte geen stand kan houden. In verband hiermee kan eiser zich niet met succes beroepen op deze gedoogsituatie, als zou die ook op hem van toepassing zijn. Voorts wordt verwogen dat het verschil tussen eisers chalet en de overige bouwwerken zit in de aanwezigheid van een verdieping. Ten aanzien van de andere illegale bouwwerken heeft verweerder zich steeds op het standpunt gesteld dat verdiepingen niet kunnen en dat de bouwwerken moeten voldoen aan een bepaalde maximale hoogte. Eisers chalet heeft een bruikbare dan wel bewoonbare verdieping, waardoor zijn chalet als enige buiten dit door verweerder gestelde gedoogcriterium valt. Strijd met het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet aan de orde, nu sprake is van een duidelijke objectieve afwijking ten opzichte van de andere bouwwerken. Eiser heeft niet voldoende concreet of aannemelijk gemaakt dat er op het kampeerterrein een bouwwerk aanwezig is dat gelijk is aan de hoogte van zijn bouwwerk, qua oppervlakte even groot is en eveneens twee bouwlagen kent. Van strijd met het verbod van willekeur, zoals door eiser in dit verband is gesteld, is evenmin gebleken.

Voorts moet worden gesteld dat eiser aan de door hem ondertekende koopakte niet het vertrouwen mocht ontlenen dat hij onderhavige chalet op basis van de publiekrechtelijke regelgeving mocht plaatsen. Voor zover er sprake is van enig gewekt vertrouwen op grond van de ondertekende koopakte, zou dat eventueel kunnen in de verhouding van eiser met de verkoper. Hiermee heeft verweerder niets van doen.

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. Nu ook overigens niet gebleken is dat bij de voorbereiding van de dwangsomaanschrijving onvoldoende zorgvuldigheid is betracht of dat er aan het besluit anderszins gebreken kleven, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep gegrond te verklaren. Voor een proceskostenveroordeling is dan evenmin aanleiding.

III. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belangheb-bende, hoger beroep instellen bij de Afdeling be-stuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroep-schrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzen-ding van de uitspraak door de grif-fier.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op: