Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AD7528

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-12-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
01/899 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 01/899 WW44

01/899 WW44

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente De Wolden, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2001 heeft verweerder aan [vergunninghouder], wonende te [woonplaats] en [vergunninghouder], wonende te [woonplaats], bouwvergunning verleend voor het oprichten/plaatsen van een bedrijfsruimte, ten behoeve van opslag van verpakkingsmaterialen en geproduceerde goederen, alsmede bedrijfsruimte ten behoeve van verhuur aan derden op het plaatselijk bekende perceel Tolweg 5 te Zuidwolde.

Verzoeker heeft bij brief van 22 oktober 2001 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 november 2001 is tevens door verzoeker aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 23 november 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

De [vergunninghouders] hebben te kennen gegeven als partij aan het geding deel te willen nemen.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 7 december 2001, alwaar verzoeker en zijn dochter zijn verschenen. Zij hebben het verzoek nader toegelicht.

Voor verweerder zijn verschenen -daartoe ambtshalve opgeroepen- de heren J.T. Botke en J.A. ter Hosrt, ambtenaren in dienst van de gemeente De Wolden. Zij hebben het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.

Voorts hebben de [vergunninghouders] ter zitting hun standpunt nader toegelicht.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de president de volgende feiten en omstandigheden.

Op 3 april 2001 hebben de [vergunninghouders] (verder te noemen vergunninghouders) bij verweerder een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor de bouw van voornoemde bedrijfsruimte op het perceel Tolweg 5 te Zuidwolde.

Op 11 april 2001 heeft verweerder de aanvraag gepubliceerd. Onder meer verzoeker heeft naar aanleiding daarvan bij brief van 25 april 2001 zijn bezwaren tegen het bouwplan aan verweerder kenbaar gemaakt.

Bij brief van 29 juni 2001 heeft verweerder aan vergunninghouders naar aanleiding van een gesprek op 26 juni 2001 onder meer meegedeeld dat de bouwvergunning moet worden aangehouden tot de milieuvergunning in werking is getreden.

Op 6 juli 2001 heeft verweerder een melding ingevolge artikel 8.19 van de Wet Milieubeheer van vergunninghouders geaccepteerd voor het uitbreiden van de loods voor de opslag van goederen (noten, zuidvruchten, chocolade en verpakkingsproducten), behorende bij het Esge Bedrijvencentrum op bovenvermeld perceel.

Verzoeker heeft op 13 augustus 2001 tegen deze melding bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 25 september 2001 (verzonden op 4 oktober 2001) heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend.

Standpunten van partijen

Kort samengevat en in hoofdzaak voert verzoeker het volgende aan:

· Het gaat in casu om de hoogste bedrijfshal van het bedrijventerrein Zuiderkerkes 3.

· De afstand tot zijn woning wordt amper 20 meter, terwijl gerekend mocht worden op een afstand van 50 meter.

· Met betrekking tot Tolweg 5 en 7 is sprake van botsende bestemmingsplannen, daar waar het de onderlinge afstand betreft.

· De geplande uitbreiding zal zeker tot meer geluidhinder en tot een aantasting van het woonklimaat leiden.

· Verweerder heeft ten behoeve van het onderhavige bouwplan ten onrechte een milieumelding geaccepteerd. Voor het gehele pand, inclusief de uitbreiding moet een revisievergunning worden aangevraagd.

Verweerder voert met betrekking tot de onderlinge afstand aan dat in het bestemmingsplan geen afstandsnorm van 50 meter is neergelegd.

Voor wat betreft de bouwhoogte geeft verweerder aan dat het bestemmingsplan een hoogte toetstaat van 10 meter, terwijl de beoogde bouwhoogte 8.61 meter bedraagt.

Met betrekking tot verzoekers argument aangaande de botsende bestemmingsplannen stelt verweerder zich op het standpunt dat beide percelen in verschillende bestemmingsplannen zijn gelegen en dat dus verschillende voorschriften van toepassing zijn.

Ten aanzien van de melding op voet van het bepaalde in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer geeft verweerder aan dat tijdens een controle op 4 oktober 2001 is gebleken dat in de bestaande inrichting diverse wijzigingen zijn opgetreden en dat enkele van de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd. Volgens verweerder moet de acceptatie van de melding worden herroepen en de procedure voor een revisievergunning worden opgestart.

Indien één en ander bekend zou zijn geweest voordat de bouwvergunning was verleend, dan zou de bouwvergunning ingevolge artikel 52 van de Woningwet moeten worden aangehouden.

Verweerder is echter van mening dat de in geding zijnde bouwvergunning een rechtsgeldig genomen besluit is, dat niet op deze gronden kan worden ingetrokken.

In dit verband hebben verweerders vertegenwoordigers ter zitting er op gewezen dat het bepaalde in artikel 59 van de Woningwet een intrekking van de verleende bouwvergunning in de weg staat. De in dit artikel genoemde intrekkingsgronden doen zich naar het oordeel van verweerder in het onderhavige geval niet voor.

Ter zitting hebben de [vergunninghouders] aangevoerd dat de afdeling Milieu aanvankelijk heeft aangegeven dat volstaan kon worden met een melding. De huidige conclusie, dat een revisievergunning is vereist heeft hen verrast.

Voorts hebben zij ter zitting aangevoerd dat het bouwplan in overleg met omwonenden is aangepast.

De [vergunninghouder] heeft zich ter zitting voorts nog op het standpunt gesteld dat voor zijn (te verhuren) gedeelte van het bouwplan geen milieuvergunning is vereist en dat hij van een schorsing van de bouwvergunning onredelijk nadeel zal ondervinden.

Beoordeling

Gesteld voor de beantwoording van de vraag of het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen overweegt de president het volgende.

Op voet van het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de Woningwet geldt -kort samengevat- een aanhoudingsplicht van een beslissing op een aanvraag om een bouwvergunning indien voor de realisering van het bouwplan een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is vereist. Deze aanhoudingsplicht geldt niet indien volstaan kan worden met een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer.

In casu heeft verweerder aanvankelijk geoordeeld dat volstaan kon worden met een melding, doch zich -zoals aangegeven in het verweerschrift en ter zitting- na nader onderzoek op het standpunt gesteld dat voor het in geding zijnde bouwplan een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer nodig is.

Mede gelet op de door verweerder overgelegde stukken met betrekking tot de in december 1998 verleende oprichtingsvergunning en het ter zitting overgelegde advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften voor wat betreft het bezwaar tegen de acceptatie van de melding ex artikel 8.19 van de Wet milieubeheer, ziet de president geen aanleiding om het (nadere) standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

Het gaat hierbij overigens om het totale bouwplan, nu -volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State- een bouwplan in zijn geheel dient te worden beoordeeld.

Het vorenstaande impliceert dat verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de Woningwet de beslissing op de aanvraag om een bouwvergunning had moeten aanhouden, zodat de bouwvergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is verleend en derhalve onrechtmatig is.

De houdbaarheid van de bouwvergunning in bezwaar moet dan ook overwegend negatief worden ingeschat, zodat er reden is het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en de bouwvergunning te schorsen.

De overige door verzoeker aangevoerde argumenten kan de president onbesproken laten.

Daaraan doet niet af dat verweerder op grond van artikel 59 van de Woningwet de bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen een bouwvergunning in te trekken, en die omstandigheden zich hier naar het oordeel van verweerder niet voordoen.

In casu is doorslaggevend dat de bouwvergunning onrechtmatig is verleend.

De president ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door verzoeker in verband met de behandeling van zijn verzoek gemaakte kosten.

Deze kunnen worden begroot op ƒ 21,58 wegens gemaakte reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting.

Beslist wordt als volgt.

I. Beslissing

De president:

· wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit van 25 september 2001 tot zes weken na het door verweerder te nemen besluit op de bezwaren van verzoeker;

· veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke zijn begroot op

ƒ 21,58 en bepaalt dat de gemeente De Wolden deze kosten, alsmede het griffierecht ad ƒ 225,- aan verzoeker dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, fungerend president en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2001

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op:

typ: wpc