Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AD7523

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
01/566 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woorden "ten aanzien van" in artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten dienen op restrictieve wijze te worden uitgelegd.

In bestuursrecht geldt de op de Awb berustende hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de bestuursrechter bevoegd is. Art. XVI, tweede lid, van de Wet Boeten, betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die bepaling zelf, noch in geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime aanleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten daarop geen expliciete uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van art. XVI, tweede lid, van de Wet Boeten slechts die besluiten vallen, die vóór de inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten, die weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet Boeten bekendgemaakt terugvorderingsbesluit maar op of na de datum van de inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt.

Nu het primaire besluit is bekend gemaakt op 15 november 20000 is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

mrs. J.H. de Wildt, A.T. de Kwaasteniet, G.H. Morsink

Wetsverwijzingen
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Meervoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 01/566 ABW

01/566 ABW

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiser], wonende te Assen, eiser,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 9 juni 2001 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 mei 2001, verzonden op 6 juni 2001. Verweerder heeft dit bezwaarschrift bij brief van 15 juni 2001 aan de rechtbank toegezonden teneinde deze brief als beroepschrift in behandeling te nemen.

Verweerder heeft op 4 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Eiser heeft bij brief van 4 september 2001 zijn standpunt nader toegelicht.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13 november 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote]. Verweerder heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn ambtenaar H.L. van Scheepen.

Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij beschikking van 16 september 1991 heeft de kantonrechter vastgesteld dat terzake van gemaakte kosten van bijstand een bedrag van ƒ 41.373,55 ten laste van eiser en diens toenmalige echtgenote kan worden ingevorderd.

De maandelijks aflossing van deze schuld werd verrekend met de aan eiser toegekende bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Op 18 oktober 2000 is de bijstandsuitkering beëindigd.

Bij brief van 8 november 2000 is eiser meegedeeld dat de restantschuld wegens ten onrechte ontvangen bijstand ƒ 16.334,56 bedraagt en is hem verzocht dit bedrag te betalen. Daarbij is aangegeven dat een betalingsregeling kan worden getroffen indien betaling ineens niet mogelijk is.

Naar aanleiding van het door eiser ingevulde inlichtingenformulier en na nadere informatie te hebben ingewonnen bij de werkgever van eiser, is bij besluit van 21 november 2000 het aflossingsbedrag met ingang van 1 december 2000 vastgesteld op

ƒ 325,-- per maand.

Bij brief van 11 december 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van het aflossingsbedrag en het inwinnen buiten zijn medeweten van informatie bij zijn werkgever. Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat zijn toenmalige echtgenote

en niet hij veroordeeld is tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen bijstand.

Nadat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaar ten overstaan van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften sociale zaken (verder: de Commissie) toe te lichten, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt, heeft de commissie verweerder op 4 april 2001 geadviseerd het bezwaar, voor zover gericht tegen de vaststelling van het aflossingsbedrag, gegrond te verklaren en voor het overige ongegrond te verklaren. De Commissie heeft aangegeven dat verweerder normaliter uitgaat van het gemiddelde inkomen over een periode van drie maanden en meent om die reden dat het aflossingsbedrag te onrechte is vastgesteld op grond van enkele informatie via de werkgever.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 19 april 2001 aan eiser verzocht opnieuw een inlichtingenformulier in te vullen, te ondertekenen en te voorzien van bewijsstukken, waaronder de laatste drie loonstrookjes van eiser en diens echtgenote. Eiser heeft aan dit verzoek voldaan.

Bij het bestreden besluit van 18 mei 2001, verzonden 6 juni 2001, heeft verweerder het advies van de Commissie overgenomen en het aflossingsbedrag opnieuw berekend en vastgesteld op ƒ 612,28. Omdat eiser door de bezwaarprocedure niet in een nadeliger positie mag komen is het bedrag dat eiser met ingang van 1 juni 2001 maandelijks moet aflossen op ƒ 325,- gesteld. Aangegeven is voorts dat de restantschuld ƒ 26.153,81 bedraagt.

Standpunten partijen

Eiser stelt dat hij maandelijks geen bedrag van ƒ 325,- kan betalen. Indien hij dit bedrag dient af te lossen, belandt hij onder het sociaal minimum. Eiser stel voorts dat de hoogte van de schuld veel lager is dan het bedrag van ƒ 26.153,28 dat in het bestreden besluit wordt vermeld. Volgens eiser is de berekening van het aflossingsbedrag onjuist en hij wijst er hierbij op dat verweerder, anders dan ten overstaan van de Commissie is aangegeven, de vakantietoeslag in de berekening heeft meegenomen, dat de huursubsidie, waarvan het exacte bedrag per 1 juli nog moet worden vastgesteld, ten onrechte bij het inkomen is opgeteld en dat geld van zijn echtgenote met wie hij niet in gemeenschap van goederen is getrouwd ten onrechte in aanmerking is genomen.

Verweerder stelt dat tegen de mededeling van de hoogte van de restantschuld geen bezwaar en beroep openstaat. Dat in het bestreden besluit een ander bedrag wordt genoemd dan in eerdere berichtgevingen is het gevolg van het feit dat in die eerdere berichtgevingen ten onrechte een administratieve splitsing is gemaakt: eiser en zijn voormalige echtgenote zijn ieder voor zich hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de berekening onjuist is, merkt verweerder op dat er bij de nieuwe berekening, die niet meer op basis van summiere gegevens heeft plaatsgevonden, geen aanleiding meer was om de vakantietoeslag buiten de berekening te laten, dat de huursubsidie niet in de berekening is meegenomen en dat de algemene heffingskorting is toegepast nu eiser desgevraagd geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in gemeenschap van goederen getrouwd is.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde schuld door de civiele rechter (kantonrechter) is vastgesteld. Dit werpt de vraag op of de rechtbank, als bestuursrechter, wel bevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil.

In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Tot 1 juli 1997 was de civiele rechter (de kantonrechter in eerste aanleg) bij uitsluiting bevoegd terzake van besluiten tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Een en ander was vastgelegd in artikel 65 (oud) van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 88 van de op die datum in werking getreden Algemene bijstandswet (Abw).

Op 1 juli 1997 is ten aanzien van de Abw de Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet Boeten) in werking getreden, waarbij de exclusieve bevoegdheid van de civiele rechter ten aanzien van terugvorderings­besluiten is vervallen.

In de Wet Boeten is het volgende overgangsrecht vastgesteld.

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet Boeten wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot -onder meer- terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht. Uit dit artikellid volgt dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op verleende bijstand over een periode die ligt voor 1 juli 1997 in materiële zin beoordeeld moeten worden aan de hand van het voor 1 juli 1997 vigerende recht (zie bijv. CRvB 27 juli 1999, JABW 1999/132).

In het tweede lid van artikel XVI van de Wet Boeten is onder meer bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of verrekening, die voor de datum van de inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het oude recht blijft gelden. Dit artikellid ziet op de bepalingen die de procedure regelen (zie punt 2.3 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december 2000, NJ 2001, 58), zoals bepalingen omtrent welke rechter bevoegd is.

Ten slotte is van belang dat sedert 1 januari 1994 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar (bij het bestuursorgaan) en beroep (bij de bestuursrechter) openstaat tegen besluiten in de zin van die wet, tenzij daar bij of krachtens wet een uitzondering op is gemaakt (zoals ten aanzien van terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand tot 1 juli 1997 in artikel 65 van de ABW respectievelijk artikel 88 van de Abw).

Een besluit omtrent de wijze van terugvordering van een op een publiekrechtelijke regeling berustende schuld dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Immers, de vaststelling van de wijze van terugvordering bepaalt (mede) de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen het bestuursorgaan en de betrokken burger. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 1990, AB 1990, 473.

In het onderhavige geval is de rechtbank derhalve als bestuursrechter bevoegd, tenzij uit enige wettelijke bepaling het tegendeel blijkt. In dit verband is cruciaal hoe de bepaling van artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten moet worden uitgelegd.

Enerzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden “ten aanzien van” in die bepaling wordt bedoeld “al hetgeen betrekking heeft op”, dat wil zeggen niet alleen het besluit tot terug- en eventueel invordering, maar ook alle besluiten die daarin een wijziging aanbrengen. In dat geval zou de civiele rechter, die bevoegd was te oordelen over het “primaire” terugvorderingsbesluit, ook ten aanzien van de vervolgbesluiten bevoegd zijn, ongeacht het tijdstip waarop die besluiten zijn genomen.

Anderzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden “ten aanzien van” uitsluitend die besluiten zelf worden bedoeld en niet besluiten die op enigerlei wijze daarop voortbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden “ten aanzien van” in artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten op laatstgenoemde, restrictieve wijze, uitgelegd dienen te worden.

In het bestuursrecht geldt immers de op de Awb berustende hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de bestuursrechter bevoegd is. Artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten, betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die bepaling zelf, noch in geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime uitleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten daarop geen expliciete uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten slechts die besluiten vallen, die vóór de inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten, die weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet Boeten bekendgemaakt terugvorderings­besluit, maar op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt.

Nu het primaire besluit bekend is gemaakt op 21 november 2000, is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

Ten aanzien van hetgeen partijen verdeeld houdt, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de hoogte van eisers schuld in dit geding niet aan de orde kan komen. Het noemen van het bedrag van de restantschuld is een mededeling van feitelijke aard, welke niet op enig rechtsgevolg is gericht, zodat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Daarnaast handelt het primaire besluit niet over de restantschuld, zodat ook om die reden de hoogte van de schuld niet aan de orde kan komen in dit geding.

De rechtbank dient derhalve uitsluitend de vraag te beantwoorden of verweerders besluit om het aflossingsbedrag van de schuld op een bedrag van ƒ 325,-- per maand vast te stellen, de rechterlijke toets kan doorstaan.

Ter zitting van de rechtbank is vastgesteld dat de berekening van eisers aflossingscapaciteit, zoals neergelegd in een bijlage bij het bestreden besluit, juist is, met dien verstande dat het inkomen te hoog is vastgesteld en dat de beslagvrije voet dient te worden verminderd met het bedrag waarmee het inkomen te hoog is vastgesteld, zodat het eindresultaat hetzelfde blijft. De wijziging van inkomen en beslagvrije voet volgt uit, hangende het beroep bij de rechtbank door eiser verstrekte, informatie over het gehuwd zijn buiten gemeenschap van goederen.

Blijkens de berekening van verweerder was eisers aflossingscapaciteit, gebaseerd op zijn inkomen in de maanden december 2000 en januari en februari 2001, ƒ 612,28 per maand. Voorts blijkt uit ter zitting door eiser ter inzage gegeven loonstroken dat eisers inkomen -en derhalve ook zijn aflossingscapaciteit- in de maanden maart tot en met mei 2001 op ongeveer hetzelfde niveau is gebleven.

Hieruit volgt dat verweerder het aflossingsbedrag op een veel lager bedrag heeft vastgesteld dan eisers aflossingscapaciteit.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid het aflossingsbedrag op ƒ 325,-- heeft kunnen vaststellen.

Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden.

Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belangheb­bende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroep­schrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mrs. A.T. de Kwaasteniet en G.H. Morsink, leden,

en uitgesproken in het openbaar op

door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobé, griffier.

mr. L.M. Tobé mr. J.H. de Wildt

Afschrift verzonden op: