Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AD5132

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
24519 en 24855
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis d.d. 6 november 2001-

Zaaknummers 24519 en 24855.-

DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ASSEN

Vonnis van de Eerste enkelvoudige kamer in de gevoegde zaak met zaaknummer 24519 van:

[EISER 1]

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 16 juli 1999,

advocaat mr. E. van Dijk,

procureur mr. P.J.G.G. Sluijter,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDERLANDSE AARDOLIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

statutair gevestigd te 's-Gravenhage,

kantoorhoudende te 9405 TA Assen, Schepersmaat 2,

alsmede zaakdoende te 7761 PK Schoonebeek, Beekweg 33,

gedaagde bij gemelde dagvaarding,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

alsmede in de gevoegde zaak met zaaknummer 24855 van:

[EISER 2]

wonende te [postcode] Emmer-Compascuum, [adres],

eiser bij dagvaarding van 5 augustus 1999,

procureur mr. M. Weissink,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDERLANDSE AARDOLIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

statutair gevestigd te 's-Gravenhage,

kantoorhoudende te 9405 TA Assen, Schepersmaat 2,

gedaagde bij gemelde dagvaarding,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

OVERWEGINGEN

Het verloop van de procedures

IN ZAAKNUMMER 24519

1.1. Bij een met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis geeft eiser, verder te noemen: [eiser 1], gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. zal verklaren voor recht dat gedaagde, verder te noemen: de NAM, bij het uitvoeren van haar werkzaamheden, te weten het verrichten van boringen op haar locatie in de omgeving Roswinkel, onrechtmatig jegens [eiser 1] handelt;

B. zal bepalen dat de NAM bij wijze van schadevergoeding ƒ 387.567,05, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 19 februari 1997 dan wel een andere door de rechtbank in goede orde te bepalen datum tot de dag der algehele betaling, aan [eiser 1] dient te betalen;

C. de NAM in de kosten van deze procedure zal veroordelen.

1.1. De NAM heeft bij incidentele conclusie tot voeging gevorderd dat de onderhavige zaak wordt gevoegd met de bij deze rechtbank onder zaaknummer 24855 aanhangig gemaakte zaken. [Eiser 1] heeft bij conclusie van antwoord in het incident geconcludeerd tot referte.

1.2. Bij incidenteel vonnis van 15 februari 2000 heeft de rechtbank de voeging van deze zaak gelast met de bij deze rechtbank onder zaaknummers 24855 aanhangig gemaakte zaken. Vervolgens is de zaak weer naar de rol verwezen.

1.3. De NAM heeft bij conclusie van antwoord de vorderingen van [eiser 1] bestreden.

1.4. Partijen hebben de verder gebruikelijke conclusies genomen waarbij zij hun standpunten hebben gehandhaafd.

1.5. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

IN ZAAKNUMMER 24855

2.1. Bij een met de dagvaarding overeenstemmende conclusie van eis geeft eiser, verder te noemen: [eiser 2], gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal verklaren voor recht dat gedaagde, verder te noemen: de NAM, aansprakelijk is voor de schade aan de onroerende zaak van [eiser 2], staande en gelegen aan de [adres, woonplaats], tengevolge van de gaswinningsactiviteiten rondom Emmercompascuum;

II. de NAM zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 2] ten titel van schadevergoeding te voldoen een bedrag van ƒ 32.547,53, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III de NAM in de kosten van deze procedure zal veroordelen.

2.2. De NAM heeft bij incidentele conclusie tot voeging gevorderd dat de onderhavige zaak wordt gevoegd met de bij deze rechtbank onder zaaknummer 24519 aanhangig gemaakte zaken. [Eiser 2] heeft bij conclusie van antwoord in het incident geconcludeerd tot referte.

2.3. Bij incidenteel vonnis van 15 februari 2000 heeft de rechtbank de voeging van deze zaak gelast met de bij deze rechtbank onder zaaknummers 24855 aanhangig gemaakte zaken. Vervolgens is de zaak weer naar de rol verwezen.

2.4. De NAM heeft bij conclusie van antwoord de vorderingen van [eiser 2] bestreden.

2.5. Partijen hebben verder gerepliceerd en gedupliceerd onder handhaving van hun standpunten.

2.6. [Eiser 2] heeft daarop een akte houdende overlegging producties genomen, waarop de NAM bij antwoordakte heeft gereageerd.

2.7. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

IN ZAAKNUMMER 24519

3. De vaststaande feiten

3.1. [Eiser 1] is sedert vijfentwintig jaar eigenaar van de vrijstaande woning aan de [adres, woonplaats], alsmede van het naastliggende terrein. De woning is gebouwd rond 1935 en heeft een aanbouw die van recenter datum is.

3.2. De woning van [eiser 1] ligt nabij een gasveld, waarin in de periode van 1976 tot 1989 negen putten zijn geboord.

3.3. Er zijn bodemtrillingen te Roswinkel geregistreerd door het KNMI op onder meer:

- 16 januari 1997 een aardbeving van 2,4 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van III-IV;

- 19 februari 1997 een aardbeving van 3,4 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van VI;

- 28 januari 1998 een aardbeving van 2,7 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van IV-V.

3.4. De EMS-schaal onderscheidt drie categorieën waarop aardbevingseffecten hun uitwerking hebben: op mensen, op voorwerpen en op de natuur, en op gebouwen. Verder kent de EMS-schaal twee gradaties in schade:

Gradatie 1: Verwaarloosbare tot lichte schade (geen structurele schade) haarscheurtjes in een enkele muur; neervallen van slechts kleine stukjes pleisterwerk; in een enkel geval loszittende stenen van hogere delen van gebouwen.

Gradatie 2: Matige schade (lichte structurele schade, matige niet-structurele schade) scheuren in veel muren: neervallen van grotere stukken pleisterwerk; delen van schoorstenen komen omlaag.

EMS-schaal:

Intensiteit Aanduiding Verschijnsel (t.a.v. gebouwen) Magnitude

I Niet gevoeld geen schade 0.8 - 1.3

II Nauwelijks

Gevoeld geen schade 1.3 - 1.8

III Zwak geen schade 1.8 - 2.4

IV Algemeen

Waargenomen geen schade 2.4 - 2.9.

V Sterk schade met gradatie 1 aan

enkele gebouwen 2.9 - 3.5

VI Lichte schade veel gebouwen ondergaan veroorzakend schade met gradatie 1:

enkele ondergaan schade

met gradatie 2 3.5 - 4.1

(...)

3.5. De bevingen in Roswinkel vinden plaats op ongeveer 1,5 tot 2 kilometer diepte.

3.6. Roswinkel was voorheen een a-seismisch gebied.

3.7. De NAM heeft een schaderegistratieprocedure ingesteld op grond waarvan bij een geregistreerde aardschok een schadeclaim kan worden ingediend. Een claim komt daarbij alleen voor behandeling in aanmerking als het gaat om een aardschok met een intensiteit van IV of meer. De NAM heeft ook schademeldingen uit gebieden waar het ging om een aardschok met een intensiteit van III in behandeling genomen.

3.8. [Eiser 1] heeft op 24 februari 1997 naar aanleiding van de beving van 19 februari 1997 een klacht ingediend bij het Centraal Meldpunt Milieuklachten van het Provinciehuis te Assen.

3.9. Ingenieursbureau [ingenieursbureau] B.V., hierna te noemen: [ingenieursbureau], heeft vervolgens in opdracht van de NAM op 8 april 1997 een bouwkundige inspectie van de woning verricht en heeft op 25 april 1997 rapport uitgebracht. [ingenieursbureau] heeft voor de omschrijving/beoordeling van geconstateerde gebreken de volgende beoordelingscode gehanteerd:

A = gebrek/schade geheel terug te voeren op de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997

B = gebrek/schade duidelijk geaccentueerd door de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997

C = gebrek/schade enigszins geaccentueerd door de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997

D = gebrek/schade niet terug te voeren op de recent geregistreerde bodemtrillingen, met name die van 19 februari 1997

[Ingenieursbureau] heeft de geconstateerde scheuren beoordeeld met een B, respectievelijk een C, en heeft daarop toegelicht dat het zou gaan om scheuren van oudere oorsprong.

3.10. De NAM heeft bij brief d.d. 18 november 1998 een aanbod gedaan van ƒ 2.800,00 ter finale afdoening van de schadeclaim van [eiser 1], zonder erkenning van aansprakelijkheid of schuld.

3.11. [Eiser 1] heeft Espébé Schademanagement, hierna te noemen: Espébé, ingeschakeld. Dit bureau heeft de woning op 20 juli 1998 bezocht en heeft op 10 september 1998 een rapport en een aanvullend rapport uitgebracht, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"De conclusie dat de scheuren te wijten zijn aan de door de NAM verrichte werkzaamheden lijkt ons daarom gerechtvaardigd."

Espébé berekent de herstelkosten op ƒ 306.240,05, terwijl zij de blijvende waardevermindering van de woning als gevolg van de bodemtrillingen, nadat de benodigde werkzaamheden zijn uitgevoerd, taxeert op ƒ 50.000,00. Het door [eiser 1] te lijden vermogensverlies bij verkoop van het terrein taxeert zij op ƒ 16.000,00.

3.12. Naar aanleiding van de beving van 28 januari 1998 heeft [eiser 1] wederom een klacht ingediend. Op 21 april 1998 is hierop een bouwtechnische inspectie door [ingenieursbureau] gevolgd, waarbij als volgt wordt geconcludeerd:

"n.v.t. afwijzing

verklaring

De gemelde gebreken zijn van oudere oorsprong en hebben geen relatie met de beving van 28-01-1998."

3.13. Op 31 december 1999 heeft zich een beving waarover [eiser 1] zich bij de NAM heeft beklaagd en in verband waarmee [ingenieursbureau] een inspectierapport d.d. 16 februari 2000 heeft opgesteld. [ingenieursbureau] heeft voor de omschrijving/beoordeling van geconstateerde gebreken de volgende beoordelingscode gehanteerd:

A = gebrek/schade geheel terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999

B = gebrek/schade duidelijk geaccentueerd door de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999

C = gebrek/schade enigszins geaccentueerd door de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999

D = gebrek/schade niet terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999

[Ingenieursbureau] heeft de geconstateerde scheuren beoordeeld met een C, respectievelijk een D, en heeft daarop toegelicht dat het zou gaan om scheuren van oudere oorsprong, respectievelijk scheuren van bouwtechnische oorsprong.

3.14. [Ingenieursbureau] heeft geconcludeerd dat de geconstateerde gebreken niet zijn terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 31 december 1999, dan wel dat zij daardoor enigszins zijn geaccentueerd.

4. De vordering van [eiser 1]

4.1. [Eiser 1] stelt dat de NAM onrechtmatig handelt bij het uitvoeren van haar werkzaamheden, waarbij door haar aardgas wordt gewonnen uit het gasveld bij Roswinkel. Door de gaswinning door de NAM, op twee kilometer ten zuidwesten van de woning van [eiser 1], en de dientengevolge regelmatig plaatsvindende (aard-)bevingen, lijdt [eiser 1] schade en zal hij ook in de toekomst schade lijden.

4.2. In Roswinkel en omgeving hebben zich vanaf 1992 tot en met januari 1998 regelmatig bevingen en grondverschuivingen c.q. grondinzakkingen voorgedaan. [eiser 1] vordert vergoeding van schade ontstaan door alle bevingen.

4.3. Uit onderzoek is gebleken dat aan de ontwikkelde EMS-intensiteitsschaal met betrekking tot de ondiepe bevingen in Roswinkel geen absolute waarde kan worden toegekend. Ieder schadegeval dient op zich te worden beoordeeld.

4.4. [Eiser 1] beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1996 NJ 1996, 607 waarin is bepaald dat, indien, zoals hier, door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en deze schade zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee in beginsel het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade is gegeven en het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Tevens verwijst [eiser 1] naar HR 2 oktober 1998 NJ 1998, 831.

4.5. Het rapport van [ingenieursbureau] heeft zich enkel beziggehouden met de beving van 19 februari 1997, omvat geen algehele beoordeling van het pand en is gespeend van iedere onderbouwing. Dit alles in tegenstelling tot het rapport van Espébé. Verder bestaat een nauwe relatie tussen [ingenieursbureau] en de NAM zodat op zijn minst het risico in het leven wordt geroepen c.q. de indruk wordt gewekt dat de inspecties niet op objectieve wijze plaatsvinden. Verder wekt [ingenieursbureau] met zijn commentaar een onjuiste indruk c.q. doet onjuiste veronderstellingen.

5. Het verweer van de NAM

5.1. Het winnen van gas kan bezwaarlijk als het voortdurend plegen van een onrechtmatige daad gekwalificeerd worden.

5.2. Voor zover [eiser 1] zich beroept op schades die hij al vijf jaar kende voor hij NAM aansprakelijk stelde, kende wordt een beroep op verjaring gedaan. Subsidiair stelt de NAM dat de desbetreffende trillingen (van voor 19 februari 1997) zodanig gering zijn geweest dat zij nimmer geleid kunnen hebben tot het veroorzaken van enige schade.

5.3. De NAM betwist dat de aard en de hoogte van de door [eiser 1] gevorderde schade het gevolg is van de door [eiser 1] genoemde bodembewegingen. Hoewel er kan worden uitgegaan van enig causaal verband tussen de gaswinning door de NAM in het gasveld bij Roswinkel en de door het KNMI geregistreerde trillingen d.d. 19 februari 1997 en 28 januari 1998, is het causaal verband tussen de aardschokken en de aard, omvang en hoogte van de gestelde schade aan de gebouwen niet aannemelijk. Uit het rapport van [ingenieursbureau] blijkt dat er sprake is van reeds bestaande gebreken, ontstaan door autonome schadeontwikkeling.

5.4. Er is vastgesteld dat bij aardbevingen tot een intensiteit van IV geen verhoogde kans op schade is ten gevolge van de betreffende ondiepe geïnduceerde aardbevingen.

5.5. De door Espébé gedane rapportage rept niet over het causaal verband tussen bevingen en schade.

5.6. Onderzocht wordt de schade die door [eiser 1] zelf als zodanig wordt gekwalificeerd. [Ingenieursbureau] heeft haar expertise in volledige onafhankelijkheid verricht naar aanleiding van concrete schademeldingen.

5.7. De NAM ontkent uitdrukkelijk de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten.

6. De beoordeling

Onrechtmatige daad

6.1. Indien de gaswinning door de NAM niet enkel heeft geleid tot aardschokken, maar deze aardschokken ook hebben geleid tot schade aan de woning van [eiser 1], valt dit handelen van de NAM te kwalificeren als een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser 1], die kan worden toegerekend aan de NAM.

Aardschokken van voor 1992

6.2. Het beroep van de NAM op verjaring voor zover het schades betreft die [eiser 1] al vijf jaar voor hij de NAM aansprakelijk stelde, kende, namelijk schade van voor 1992, wordt verworpen. De rechtsvordering van [eiser 1] kan immers enkel betrekking hebben op schade ontstaan in de periode vanaf 1992. Uit de door [eiser 1] opgeworpen stellingen blijkt dat hij zich enkel beroept op schade ontstaan door aardschokken die zich hebben voorgedaan vanaf 1992, terwijl uit de door [eiser 1] overgelegde producties geen andersluidende conclusie kan worden afgeleid.

Het door hem als productie 1 bij zijn conclusie van eis overgelegde "overzicht events Roswinkel" heeft betrekking op de periode vanaf 11 juni 1992 tot 28 januari 1998. De bij conclusie van repliek als productie 1 overgelegde kopie van Nederquake ziet op de periode vanaf 11 juni 1992 tot 7 januari 2000. Tot slot maakt ook het rapport van Espébé enkel melding van aardschokken die zich sinds 1992 hebben voorgedaan. Om diezelfde reden wordt de subsidiaire stelling dat de trillingen van voor 19 februari 1997 zodanig gering zijn geweest dat zij nimmer geleid kunnen hebben tot het veroorzaken van enige schade, terzijde geschoven.

Causaal verband

6.3. De NAM heeft erkend dat aannemelijk is geworden dat er causaal verband is tussen haar boringen en de daarna optredende aardschokken, waarbij zij expliciet de aardschokken van 19 februari 1997 en 28 januari 1998 heeft genoemd. Het bestaan van causaal verband tussen deze aardschokken en de aard, omvang en de hoogte van de door [eiser 1] gestelde schade heeft zij gemotiveerd weersproken.

6.4. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid of dit causaal verband daadwerkelijk gelegd kan worden, met name niet nu in de beide overgelegde rapporten van partijdeskundigen op dit punt tot conclusies wordt gekomen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Anders dan [eiser 1] betoogt, meldt [ingenieursbureau] dat er geen sprake is van causaal verband, omdat het volgens [ingenieursbureau] gaat om scheuren van oudere oorsprong. Het bestaan van het causaal verband tussen de schade en de aardschokken zal dan ook alsnog aannemelijk moeten worden gemaakt.

6.5. [Eiser 1] heeft zich beroepen op rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten, zodat ex artikel 177 Rv. in beginsel de bewijslast op hem rust. [eiser 1] heeft aangevoerd dat, nu door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en deze schade zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee in beginsel het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade is gegeven en het aan de NAM is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan, hetgeen door de NAM wordt betwist.

6.6. De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser 1] ingeroepen "omkeringsregel" hier toepassing mist. [Eiser 1] miskent dat de gaswinning als zodanig geen onrechtmatige gedraging is. Dat zou mogelijk anders zijn indien de NAM bij de gaswinning in strijd heeft gehandeld met voor haar geldende voorschriften, doch zulks is gesteld noch gebleken. Van een anderszins als onrechtmatig aan te merken gedraging van de NAM is niet gebleken. Onrechtmatig is de inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser 1] die voortvloeit uit de mogelijk door de gaswinning opgewekte aardschokken. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat in het Wetsvoorstel Mijnbouwwet 26219, zoals dat thans voorligt, bewust is gekozen voor het niet omkeren van de bewijslast met betrekking tot het causaal verband tussen gaswinning en schade. Er is voor gekozen dat de benadeelde zich tot een technische commissie zal kunnen wenden voor advisering omtrent het causaal verband. Verder wordt ervan uitgegaan dat de rechter de benadeelde in eventuele bewijsnood tegemoet kan komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26129, nr. 7).

6.7. Zo er al reden zou zijn voor enige verlichting van de bewijslastverdeling zoals die uit artikel 177 Rv. voortvloeit, dan gaat dit niet verder dan dat de rechtbank vermoedt dat de opgetreden aardschokken zijn veroorzaakt door de gasboringen. De NAM heeft in de procedure de aansprakelijkheid erkend voor de schade die het gevolg is van aardschokken vanaf een intensiteit van IV op de in rechtsoverweging 4.4. vermelde EMS-schaal, waarbij de NAM zich baseert op de conclusie van TNO dat vanaf deze intensiteit er een merkbare invloed van de aardschok is op de kans op schade. In de periode vanaf 1992 is meermalen sprake geweest van een aardschok met een dergelijke intensiteit.

6.8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat schade die is opgetreden nadat de aardschokken zich hebben voorgedaan, wordt vermoed door de aardschokken te zijn veroorzaakt. Op [eiser 1] blijft derhalve de bewijslast rusten om aan te tonen dat de door hem gestelde schade is opgetreden nadat de aardschokken hebben plaatsgevonden, waarna de NAM mag aantonen dat die schade niet het gevolg is van de aardschokken. In het door [eiser 1] in het geding gebrachte deskundigenbericht wordt ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende ontstaansdata van de scheurvorming in de muren.

6.9. Op grond van het vorenstaande dient [eiser 1] te bewijzen dat de door hem gestelde schade is veroorzaakt door de vanaf 1992 opgetreden aardschokken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] daarbij zou kunnen volstaan met het bewijs dat in de periode daarvoor nog niet aanwezig waren in de woning, dan wel dat bestaande scheuren of andere gebreken zijn verergerd.

6.10. De rechtbank zal [eiser 1] in de gelegenheid stellen zich bij akte nader uit te laten over de ontstaansdatum van de diverse gestelde gebreken, zoveel mogelijk gedocumenteerd met bewijsstukken.

Deskundigenbericht

6.11. Het komt de rechtbank geraden voor dat een deskundige zich uitlaat over de vraag welke gebreken door de sedert 1992 opgetreden aardschokken zijn veroorzaakt en hoe groot de schade is die daaruit is ontstaan. Nu de bewijslast terzake van de door de deskundige te beantwoorden vragen deels bij de NAM en deels bij [eiser 1] ligt, is de rechtbank van oordeel dat het voorschot van de kosten van het deskundigenbericht voor 75% door de NAM en voor 25% door [eiser 1] dienen te worden gedragen.

6.12. Alvorens het onderzoek te gelasten zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen gezamenlijk een voorstel te doen omtrent de te benoemen deskundige(n) en suggesties te doen voor de aan deze(n) te stellen vragen.

De rechtbank stelt de volgende vragen voor:

a. Welke schade (scheurvorming) kan aan het pand {adres, woonplaats] worden vastgesteld?

b. Welke van de geconstateerde gebreken zijn ontstaan in de periode vanaf 1992?

c. In hoeverre kan deze vastgestelde schade, voor zover deze betrekking heeft op de periode vanaf 1992, als een rechtstreeks en dadelijk gevolg van aardschokken zijn opgetreden?

d. Welk bedrag in euro's is gemoeid met het herstel - naar de situatie onmiddellijk voorafgaand aan de aardschokken - van deze onder c. vastgestelde schade?

e. Bent u van mening dat de woning van [eiser 1] in waarde is verminderd door de onder b. bedoelde geconstateerde gebreken? Zo ja, hoeveel?

f. Bent u van mening dat het naast de woning van [eiser 1] liggende terrein in waarde is verminderd ten gevolge van het optreden van aardschokken? Zo ja, hoeveel?

g. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?

Buitengerechtelijke kosten

6.13. De opgevoerde buitengerechtelijke kosten worden gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel, dat [eiser 1] deze kosten vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd en draagt hem om die reden op de gestelde kosten nader te specificeren door het geven van een omschrijving van de verrichtingen, het met elk van die verrichtingen gemoeide urenaantal en het gehanteerde uurtarief, een en ander overeenkomstig het rapport "Voorwerk II" van de NVvR.

Samenvatting en conclusie

6.14. De rechtbank zal de zaak eerst naar de rol verwijzen voor het nemen door [eiser 1] van een akte als bedoeld in 6.10, 6.12 en 6.13. De NAM zal daarop een antwoordakte mogen nemen.

6.15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot nadere vonniswijzing.

IN ZAAKNUMMER 24855

7. De vaststaande feiten

7.1 [Eiser 2] is sinds 4 maart 1998 eigenaar van een woning met erf en ondergrond staande en gelegen aan de [adres, woonplaats]. [Eiser 2] had de woning daarvoor enkele jaren gehuurd van de voormalige eigenaar, de Gereformeerde Kerk te Emmer-Compascuum. De woning is gebouwd rond 1933 met latere aanbouw.

7.2 Emmer-Compascuum maakt deel uit van het zogenaamde Roswinkel-gasveld, waarin in de periode van 1976 tot 1989 negen putten zijn geboord.

7.3 De schade die is opgetreden door bevingen voorafgaand aan die van 13 juli 1998 is door de vorige eigenaar met de NAM geregeld tegen finale kwijting. In dat kader is door Ingenieursbureau [ingenieursbureau] B.V., hierna te noemen: [ingenieursbureau], in opdracht van de NAM, op 2 mei 1997 een bouwkundige inspectie van de woning verricht en heeft [ingenieursbureau] op 28 mei 1997 rapport uitgebracht.

7.4 Er is op 14 juli 1998 in de omgeving van Roswinkel door het KNMI een aardbeving geregistreerd van 3,26 op de schaal van Richter, met een intensiteit op de EMS-schaal van V.

7.5 De EMS-schaal onderscheidt drie categorieën waarop aardbevingseffecten hun uitwerking hebben: op mensen, op voorwerpen en op de natuur, en op gebouwen. Verder kent de EMS-schaal twee gradaties in schade:

Gradatie 1: Verwaarloosbare tot lichte schade (geen structurele schade) haarscheurtjes in een enkele muur; neervallen van slechts kleine stukjes pleisterwerk; in een enkel geval loszittende stenen van hogere delen van gebouwen.

Gradatie 2: Matige schade (lichte structurele schade, matige niet-structurele schade) scheuren in veel muren: neervallen van grotere stukken pleisterwerk; delen van schoorstenen komen omlaag.

EMS-schaal:

Intensiteit Aanduiding Verschijnsel (t.a.v. gebouwen) Magnitude

I Niet gevoeld geen schade 0.8 - 1.3

II Nauwelijks

Gevoeld geen schade 1.3 - 1.8

III Zwak geen schade 1.8 - 2.4

IV Algemeen

Waargenomen geen schade 2.4 - 2.9.

V Sterk schade met gradatie 1 aan

enkele gebouwen 2.9 - 3.5

VI Lichte schade veel gebouwen ondergaan veroorzakend schade met gradatie 1:

enkele ondergaan schade

met gradatie 2 3.5 - 4.1

(...)

7.6. De bevingen in Roswinkel vinden plaats op ongeveer 1,5 tot 2 kilometer diepte.

7.7. Emmer-Compascuum ligt in een voorheen a-seismisch gebied.

7.8 De NAM heeft een schaderegistratieprocedure ingesteld op grond waarvan bij een geregistreerde aardschok een schadeclaim kan worden ingediend. Een claim komt daarbij alleen voor behandeling in aanmerking als het gaat om een aardschok met een intensiteit van IV of meer. De NAM heeft ook schademeldingen uit gebieden waar het ging om een aardschok met een intensiteit van III in behandeling genomen.

7.9 [Eiser 2] heeft op 15 juli 1998 naar aanleiding van de beving van 14 juli 1998 een klacht ingediend bij het Centraal Meldpunt Milieuklachten van het Provinciehuis te Assen.

7.10 Bij brief van 20 augustus 1998 heeft [eiser 2] de klachten naar aanleiding van de beving van 14 juli 1998 schriftelijk gemeld aan de NAM.

7.11 Ingenieursbureau [ingenieursbureau] B.V., hierna te noemen: [ingenieursbureau], heeft vervolgens in opdracht van de NAM op 3 september 1998 een bouwkundige inspectie van de woning uitgevoerd en heeft op 14 september 1998 rapport uitgebracht. [ingenieursbureau] heeft voor de omschrijving/beoordeling van geconstateerde gebreken de volgende beoordelingscode gehanteerd:

A = gebrek/schade geheel terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 14 juli 1998

B = gebrek/schade duidelijk geaccentueerd door de geregistreerde bodemtrillingen van 14 juli 1998

C = gebrek/schade enigszins geaccentueerd door de geregistreerde bodemtrillingen van 14 juli 1998

D = gebrek/schade niet terug te voeren op de geregistreerde bodemtrillingen van 14 juli 1998

[Ingenieursbureau] heeft de geconstateerde scheuren beoordeeld met eenmaal A, eenmaal B, vijfmaal C en vijfmaal D en heeft de volgende herstelwerkzaamheden geadviseerd:

"- Gescheurde metselstenen volledig vervangen of scheuren zoveel mogelijk wegwerken door uithakken en aanhelen (gescheurd) voegwerk.

- Scheuren in voegwerk uithakken en aanhelen.

- Scheuren in sierpleisterwerk door dichtplamuren en overschilderen.

- Scheuren in stucwerk uithakken en aanhelen."

7.13. De NAM heeft een aanbod gedaan van ƒ 2.500,00 ter finale afdoening van de schadeclaim van [eiser 2].

7.14. [Eiser 2] heeft Espébé Schademanagement, hierna te noemen: Espébé, ingeschakeld. Dit bureau heeft de woning op 6 november 1998 bezocht en heeft op 28 november 1998 een rapport uitgebracht, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"Espébé berekent de herstelkosten op ƒ 8.099,28, terwijl zij de blijvende waardevermindering van de opstallen woning als gevolg van de bodemtrillingen, nadat de benodigde werkzaamheden zijn uitgevoerd, taxeert op ƒ 20.000,00."

8. De vordering van [eiser 2]

8.1. Nu de NAM niet bereid is de volledige schade te vergoeden, welke het gevolg is van de door de NAM ontplooide gaswinningactiviteiten, heeft [eiser 2] recht en belang bij een vordering in rechte waarbij hij schadevergoeding vordert op de grondslag van artikel 6:162 BW.

8.2. [Eiser 2] maakt aanspraak op vergoeding van schade die hij heeft geleden aan zijn woning met opstallen tengevolge van de gaswinningactiviteiten van de NAM. Het betreft volgens [eiser 2] zowel schade die het gevolg is van aardtrillingen, alsmede die schade die het gevolg is van de daling van de bodem ten gevolge van de gaswinningactiviteiten. [eiser 2] is daarbij van oordeel dat het aannemelijk is dat ook kleinere aardtrillingen en de verzakking van de bodem schade kan veroorzaken, althans van invloed kan zijn op de omvang van de schade.

8.3. [Eiser 2] stelt zich op het standpunt dat hij het onder de gegeven omstandigheden redelijk en billijk acht dat de NAM met het bewijs van de stellingen, inhoudende dat de bodembewegingen niet het gevolg zijn van de gaswinactiviteiten, c.q. dat geen sprake is van bodemdaling verband houdende met de gaswinactiviteiten, alsmede dat de schade aan de onroerende zaak van [eiser 2] niet het gevolg is van haar gaswinactiviteiten, wordt belast.

8.4. De kosten van de deskundige van Espébé, alsmede de buitengerechtelijke kosten zijn volgens [eiser 2] te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

8.5. De door [eiser 2] gevorderde verklaring voor recht houdt geen carte blanche in, nu de schade waarvan [eiser 2] vergoeding verlangd uitdrukkelijk is bepaald op het bedrag van ƒ 28.099,28. Ten aanzien van een in de toekomst optredend schadeveroorzakend evenement zal opnieuw aansprakelijkheid moeten worden vastgesteld en de schade worden beoordeeld.

9. Het verweer van de NAM

9.1. De NAM heeft inmiddels aangegeven dat er uitgegaan kan worden van enig causaal verband tussen de gaswinning door de NAM in het Roswinkel-veld en de aardtrilling van 14 juli 1998. Het causaal verband tussen de aardtrilling en schade aan gebouwen c.a. is daarentegen niet aannemelijk. Het door [eiser 2] voorgestane standpunt met betrekking tot de omkering van de bewijslast vindt noch steun in jurisprudentie, noch in bestaande dan wel toekomstige wetgeving.

9.2. De bodemdaling in het Roswinkelerveld is dermate gering dat dit niet tot gevolg kan hebben dat er enige schade aan gebouwen ontstaat. De NAM ontkent dan ook uitdrukkelijk het bestaan van enig verband tussen bodemdaling en de aard, omvang en hoogte van de door [eiser 2] gevorderde schade.

9.3. Er is vastgesteld dat bij aardbevingen tot een intensiteit van IV geen verhoogde kans op schade is ten gevolge van de betreffende ondiepe geïnduceerde aardbevingen. Vaststaat dat niet iedere beving tot schade leidt.

9.4. In het rapport van Espébé wordt melding gemaakt van schade die niet is gemeld in het kader van de schademelding naar aanleiding van de bodemtrilling d.d. 14 juli 1998 dan wel niet is geconstateerd tijdens de inspectie door [ingenieursbureau]. Deze schade komt niet voor vergoeding in aanmerking. Verder wordt in dit rapport niet ingegaan op de oorzaak van de daarin geconstateerde schade.

9.5. De in 1997 geclaimde en door de NAM vergoede schade is niet hersteld. Naar aanleiding van de beving van 14 juli 1998 wordt nogmaals dezelfde schade geclaimd.

9.6. De gevorderde verklaring voor recht komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het ontwikkelen van gaswinningactiviteiten kan bezwaarlijk als het voortdurend veroorzaken van schade worden gekwalificeerd.

9.7. De NAM betwist de hoogte van de door [eiser 2] gepretendeerde schade. Van waardevermindering is niet gebleken. De NAM betwist de juistheid van de hoogte van de door [eiser 2] gevorderde herstelkosten. Verder betwist de NAM dat het inschakelen door [eiser 2] van Espébé noodzakelijk was voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid.

De buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand komen, nu zij niet nader zijn gespecificeerd, volgens de NAM niet voor vergoeding in aanmerking.

10. De beoordeling

Bodemdaling

10.1. Nu [eiser 2] vergoeding van het door Espebe berekende bedrag groot ƒ 28.099,28 aan schade aan zijn woning en opstallen van [eiser 2] vordert, terwijl in het rapport van Espébé uitdrukkelijk is bepaald dat dit onderzoek is beperkt tot de werkelijk tijdens de beving van 14 juli 1998 ontstane schade, daar eerdere schade door de NAM in overleg met de vorige eigenaar is afgekocht, kan de rechtbank de vordering van [eiser 2] niet anders uitleggen dan dat hij zijn vordering beperkt tot de schade ontstaan door de aardbeving van 14 juli 1998. Het betoog van [eiser 2] dat kleinere trillingen en bodemdaling eveneens tot schade aan de gebouwen hebben geleid, dan wel deze schade hebben verergerd doet in het licht van het vorenstaande dan ook niet ter zake.

Onrechtmatige daad

10.2. Indien de gaswinning door de NAM niet enkel heeft geleid tot aardschokken, maar deze aardschok ook hebben geleid tot schade aan de woning van [eiser 2], valt dit handelen van de NAM te kwalificeren als een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser 2], die kan worden toegerekend aan de NAM.

Causaal verband

10.3. De NAM heeft erkend dat aannemelijk is geworden dat er enig causaal verband is tussen haar boringen en de daarna optredende aardschokken, waaronder de de aardschok van 14 juli 1998.

Het bestaan van causaal verband tussen deze aardschokken en de aard, omvang en de hoogte van de door NAM gestelde schade heeft zij gemotiveerd weersproken.

10.4. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid of dit causaal verband daadwerkelijk gelegd kan worden. Het bestaan van het causaal verband tussen de schade en de aardschokken zal dan ook alsnog aannemelijk moeten worden gemaakt.

10.5. [Eiser 2] heeft zich beroepen op rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten, zodat ingevolge artikel 177 Rv. in beginsel de bewijslast op hem rust. [eiser 2] heeft gesteld dat het onder de omstandigheden van dit specifieke geval redelijk en billijk is dat de NAM de bewijslast draagt van het causaal verband tussen (onder meer) de schade en de aardschokken, hetgeen door de NAM wordt betwist.

10.6. De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser 2] gestelde omstandigheden niet kunnen leiden tot een omkering van de bewijslast. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat in het Wetsvoorstel Mijnbouwwet 26219, zoals dat thans voorligt, bewust is gekozen voor het niet omkeren van de bewijslast met betrekking tot het causaal verband tussen gaswinning en schade. Er is voor gekozen dat de benadeelde zich tot een technische commissie zal kunnen wenden voor advisering omtrent het causaal verband. Verder wordt ervan uitgegaan dat de rechter de benadeelde in eventuele bewijsnood tegemoet kan komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26129, nr. 7).

10.7. Zo er al reden zou zijn voor enige verlichting van de bewijslastverdeling zoals die uit artikel 177 Rv. voortvloeit, dan gaat dit niet verder dan dat de rechtbank vermoedt dat de opgetreden aardschok van 14 juli 1998 is veroorzaakt door de gasboringen.

10.8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat schade die is opgetreden na de aardschok van 14 juli 1998 wordt vermoed door deze aardschok te zijn veroorzaakt. Op [eiser 2] blijft derhalve de bewijslast rusten om aan te tonen dat de door hem gestelde schade is opgetreden nadat deze aardschok heeft plaatsgevonden, waarna de NAM mag aantonen dat die schade niet het gevolg is van deze aardschok. In het door [eiser 2] in het geding gebrachte deskundigenbericht worden niet de verschillende ontstaansdata van de scheurvorming in de muren weergegeven.

10.9. Op grond van het vorenstaande dient [eiser 2] te bewijzen dat de door hem gestelde schade is veroorzaakt door de op 14 juli 1998 opgetreden aardschok.

De daarvoor opgetreden gebreken geven, nu zij immers tegen finale kwijting zijn afgedaan door de vorige eigenaar, geen recht op schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 2] daarbij zou kunnen volstaan met het bewijs dat de scheuren in de periode daarvoor nog niet aanwezig waren in de woning, dan wel dat bestaande scheuren of andere gebreken zijn verergerd.

10.10. De rechtbank zal [eiser 2] in de gelegenheid stellen zich bij akte nader uit te laten over de ontstaansdatum van de diverse gestelde gebreken, zoveel mogelijk gedocumenteerd met bewijsstukken.

Deskundigenbericht

10.11. Het komt de rechtbank geraden voor dat een deskundige zich uitlaat over de vraag welke gebreken door de op 14 juli 1998 opgetreden aardschok zijn veroorzaakt en hoe groot de schade is die daaruit is ontstaan. Nu de bewijslast ter zake van de door de deskundige te beantwoorden vragen deels bij de NAM en deels bij [eiser 2] ligt, is de rechtbank van oordeel dat het voorschot van de kosten van het deskundigenbericht voor 75% door de NAM en voor 25% door [eiser 2] dienen te worden gedragen.

10.12. Alvorens het onderzoek te gelasten zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen gezamenlijk een voorstel te doen omtrent de te benoemen deskundige(n) en suggesties te doen voor de aan deze(n) te stellen vragen.

De rechtbank stelt de volgende vragen voor:

a. Welke schade (scheurvorming) kan aan het pand [adres, woonplaats] worden vastgesteld?

b. Welke van de geconstateerde gebreken zijn ontstaan na 14 juli 1998?

c. In hoeverre kan deze vastgestelde schade, voor zover deze betrekking heeft op de periode vanaf 14 juli 1998, als een rechtstreeks en dadelijk gevolg van deze aardschok zijn opgetreden?

d. Welk bedrag in euro's is gemoeid met het herstel - naar de situatie onmiddellijk voorafgaand aan de aardschokken - van deze onder c. vastgestelde schade?

e. Bent u van mening dat de woning van [eiser 2] in waarde is verminderd door de onder b. bedoelde geconstateerde gebreken? Zo ja, hoeveel?

f. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?

Buitengerechtelijke kosten

10.13. De opgevoerde buitengerechtelijke kosten groot ƒ 3.500,00 worden gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel, dat [eiser 2] deze kosten vooralsnog onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en draagt hem om die reden op de gestelde kosten nader te specificeren door het geven van een omschrijving van de verrichtingen, het met elk van die verrichtingen gemoeide urenaantal en het gehanteerde uurtarief, een en ander overeenkomstig het rapport "Voorwerk II" van de NVvR.

Samenvatting en conclusie

10.14. De rechtbank zal de zaak eerst naar de rol verwijzen voor het nemen door [eiser 2] van een akte als bedoeld in 10.10, 10.12 en 10.13. De NAM zal daarop een antwoordakte mogen nemen.

10.15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot nadere vonniswijzing.

IN BEIDE ZAAKNUMMERS

11. Nu in beide procedures een deskundigenbericht is gelast komt het de rechtbank geraden voor dat in alle procedures dezelfde deskundige(n) wordt/worden benoemd. De rechtbank zal partijen gedurende acht weken in de gelegenheid stellen om gezamenlijk een voorstel te kunnen doen omtrent de te benoemen deskundigen, en verzoekt partijen dan ook bij het overleg zoveel mogelijk te streven naar de benoeming van dezelfde deskundige(n).

BESLISSINGEN

De rechtbank:

IN ZAAKNUMMER 24519

1. Verwijst de zaak naar de rol van de eerste enkelvoudige kamer van dinsdag 8 januari 2002 opdat [eiser 1] een akte neemt met een inhoud als in r.o. 6.10, 6.12 en 6.13 aangegeven (ambtshalve peremptoir).

IN ZAAKNUMMER 24855

2. Verwijst de zaak naar de rol van de eerste enkelvoudige kamer van dinsdag 8 januari 2002 opdat [eiser 2] een akte neemt met een inhoud als in r.o. 10.10, 10.12 en 10.13. aangegeven (ambtshalve peremptoir).

IN BEIDE ZAAKNUMMERS

4. Houdt iedere verdere uitspraak aan.

5. Bepaalt dat hoger beroep van dit vonnis slechts kan worden ingesteld gelijktijdig met dat van het eindvonnis.

Gewezen door mr. J.H. Kuiper, bijgestaan door mr. F.W. Strijker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 6 november 2001, en door de rechter en de griffier voornoemd ondertekend.