Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AD5003

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
01-11-2001
Zaaknummer
01/781 WRO19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Criterium "ondergeschikte planologische betekenis" bij toepassing van art. 19.3 WRO (nieuw) juncto art. 20 Bro (nieuw) niet (meer) relevant.

Vergunning en vrijstelling (art. 19.3 WRO (nieuw)) voor de bouw van een garage/berging/carport. Verzoeker heeft aangevoerd dat de art. 19.3-vrijstelling niet mogelijk is omdat het bouwplan niet van ondergeschikte planologische betekenis is. Deze grief treft geen doel. Bij Nota van wijziging van het wetsontwerp is geheel art. 18a WRO komen te vervallen en is de regeling van de zogeheten 'kruimelgevallen' in art. 19.3 WRO opgenomen, waarbij het criterium van de geringe planologische betekenis is geschrapt.Ten aanzien van de toepassing van art. 19.3 WRO is voorts de onder de oude regeling bestaande koppeling aan het Besluit meldingplichtige bouwwerken losgelaten. Gelet hierop wordt geoordeeld dat de wetgever met de invoering van art. 19.3 WRO een aanzienlijke verruiming van de vrijstellingsbevoegdheid van B&W heeft beoogd. Deze vrijstellingsbevoegdheid wordt in formeel opzicht (slechts) begrensd door het bepaalde in art. 20 Bro.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze, verweerder.

mr. J.S. van der Kolk (president)

Wetsverwijzingen
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 20, geldigheid: 2001-10-24
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2001-10-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kenmerk: 01/781 WRO19

01/781 WRO19

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Aa en Hunze, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2001 heeft verweerder aan [vergunninghouder], wonende aan het [adres] te [woonplaats], met toepassing van het derde lid van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning verleend voor de bouw van een garage/berging op zijn perceel

Namens verzoeker heeft mr. S. Borger, advocaat te Assen tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 september 2001 is tevens namens verzoeker aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 27 september 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op woensdag 17 oktober 2001, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Borger voornoemd.

Hij heeft het verzoek nader toegelicht.

Voor verweerder is verschenen -daartoe ambtshalve opgeroepen- de heer A.J. Grondsma, ambtenaar in dienst van de gemeente Aa en Hunze. Hij heeft het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.

Voorts zijn de [vergunninghouders], vergunninghouders, ter zitting verschenen. Zij hebben eveneens hun standpunt nader toegelicht.

Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht­bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste.

Feiten en omstandigheden

[vergunninghouder] (verder te noemen [vergunninghouder]) heeft op 3 november 2000 bij verweerder een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor de bouw van een garage/berging/carport op zijn perceel.

Bij besluit van 6 maart 2001 heeft verweerder geweigerd de gevraagde bouwvergunning te verstrekken. Daartoe heeft verweerder overwogen dat het bouwplan van [vergunninghouder] in strijd is met het bestemmingsplan ‘De Es 1980’.

Ook heeft verweerder in dit besluit aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan de realisering van de garage op een alternatieve locatie op het perceel, te weten in de door [vergunninghouder] aangekochte groenstrook.

[vergunninghouder] heeft op 12 april 2001 wederom een aanvraag om een bouwvergunning ingediend voor de bouw van een garage/berging, thans op de door verweerder aangegeven locatie.

Het Drentse Welstandstoezicht heeft op 18 mei 2001 aangegeven geen bezwaar tegen het bouwplan te hebben, waarbij een opmerking is gemaakt met betrekking tot de te gebruiken materialen.

Verweerder heeft in de Schakel van 13 juni 2001 het voornemen bekend gemaakt om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder WRO) medewerking te verlenen aan het bouwplan.

Het bouwplan heeft vanaf 14 juni tot en met 11 juli 2001 gedurende een periode van vier weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid daartegen binnen die termijn bedenkingen in te dienen.

Verzoekers gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2001 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder ongegrondverklaring van de door verzoeker ingediende zienswijzen en onder verlening van vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO, de gevraagde bouwvergunning verleend.

Standpunten van partijen

Verzoeker doet aanvoeren dat het bouwplan geenszins kan worden aangemerkt als een kruimelgeval waarvoor artikel 19, derde lid, van de WRO is geschreven.

Gelet op de toelichting bij artikel 20 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (verder BRO) is verzoeker van mening dat in casu sprake is van een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom met een zodanig grote omvang, dat niet kan worden gezegd dat het van ondergeschikte planologische betekenis is. Een vrijstelling op voet van het bepaalde in artikel 19, lid 3, van de WRO is volgens verzoeker niet mogelijk.

Aangaande de toetsing van de verleende vrijstelling aan het door verweerder geformuleerde beleid, zoals dat is neergelegd in de Nota vrijstellingenbeleid Gemeente Aa en Hunze, welke is vastgesteld op 29 maart 2001, merkt verzoeker allereerst op dat daaruit niet kan worden opgemaakt dat dit overeenkomstig de Awb bekend is gemaakt.

Verzoeker voert voorts aan dat het in hoofdstuk 2 van het beleid gaat om het vergroten van een bijgebouw, terwijl in casu vrijstelling is verleend voor de bouw van een bijgebouw.

Verzoekers gemachtigde wijst er op dat artikel 3a van het beleid niet vereist dat de voorgevel naar de weg moet zijn gekeerd. Daarbij is het verzoekers gemachtigde niet duidelijk hoe artikel 3a moet worden gelezen.

Duidelijk is dat het bouwwerk zich niet verdraagt met artikel 3a maar op welke gronden dat zo is wordt volgens verzoeker niet duidelijk.

Verzoeker is van mening dat artikel 3a van het beleid zich niet verdraagt met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het is verzoeker voorts onduidelijk waarom in casu niet met verlening van een vrijstelling voor de garage/berging een bouwvergunning is verleend voor de locatie voor de ‘echte’ voorgevel van de woning. Daartegen kunnen, zo stelt verzoeker geen planologische bezwaren zijn.

Aan de geopperde welstandsbezwaren ten aanzien van de bouw op die locatie kan volgens verzoeker tegemoet worden gekomen door de bouwtekeningen enigszins aan te passen.

Verzoeker is van mening dat er alle aanleiding was te onderzoeken of er andere mogelijkheden waren om tot een voor alle partijen geschikte oplossing te komen.

Tenslotte doet verzoeker nog het volgende aanvoeren:

De realisering van het bouwwerk zal leiden tot een onaanvaardbare beperking van zonlicht en horizonsvervuiling op zijn terrein, hetgeen de groei van planten op negatieve wijze zal beïnvloeden.

Het uitzicht van verzoeker zal door het bouwwerk ernstig worden belemmerd.

De open wijkstructuur wordt ernstige schade berokkend bij realisering van het bouwwerk.

De realisering van het bouwplan op de voorgenomen plaats heeft een waardevermindering van de woning van verzoeker tot gevolg.

Door het vorenstaande niet bij de beoordeling of een vrijstelling kan worden verleend te betrekken, voldoet de verleende vrijstelling volgens verzoeker niet aan het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb.

Verweerder acht het bezwaar met betrekking tot de afmetingen van het bouwwerk ongegrond, nu het bouwwerk binnen de bepalingen van de Nota Vrijstellingenbeleid valt. Verweerder merkt hierbij op dat de regeling van deze Nota voor wat betreft bijgebouwen overeenstemt met de regeling zoals deze in recente bestemmingsplannen is opgenomen.

Ten aanzien van de totstandkoming van de Nota Vrijstellingenbeleid voert verweerder aan dat de procedure zoals deze is neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen. Voorts geeft verweerder in dit verband aan dat er overeenkomstig artikel 10 van de WRO vooroverleg is gevoerd met de provincie en de Inspectie Ruimtelijke Ordening en dat exemplaren van de ontwerpnota aan de Milieufederatie, het Drents Landschap, de Inspectie LNV en de NLTO zijn gezonden.

Verweerder voert voorts aan dat artikel 2 van hoofdstuk 2 van de Nota ook ziet op nieuwbouw van aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Verweerder geeft hierbij aan dat in het kader van de evaluatie van de Nota de redactie van de bepaling zal worden aangepast.

Het bezwaar van verzoeker aangaande artikel 3a van de Nota acht verweerder niet relevant omdat plaatsing van het bijgebouw voor de voorgevel uit planologische en welstandstechnische overwegingen niet acceptabel wordt geacht.

Het buiten toepassing laten van de Nota op dit punt wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel acht verweerder zeer ongewenst, omdat alsdan terug zou moeten worden gevallen op de ruime bepaling van artikel 20 van de BRO.

Ten aanzien van de welstandsbezwaren stelt verweerder dat er een planologische afweging heeft plaatsgevonden omtrent een betere plaats voor de garage/berging en dat daarbij ook rekening is gehouden met de voorwaarden zoals deze in de Nota Vrijstellingenbeleid zijn gesteld.

Verweerder stelt dat bij het verlenen van vrijstelling tot een oppervlakte van 100 m2 rekening is gehouden met het gestelde in hoofdstuk 2 van de Nota en dat de oppervlakte van de garage/berging minder bedraagt dan de oppervlakte van het hoofdgebouw.

Voor wat betreft de overige bezwaren van verzoeker voert verweerder nog aan dat ter plaatse reeds een grote boom aanwezig is die de toetreding van het zonlicht beperkt en dat de toetreding van het zonlicht door de realisering van het bouwwerk alleen in de wintermaanden in zeer beperkte mate zal voorkomen.

Met betrekking tot het uitzicht van verzoeker merkt verweerder op dat verzoeker vanuit de verblijfsruimten van zijn woning geen zicht op het bouwwerk heeft.

Van horizonvervuiling is volgens verweerder geen sprake en ook zal de realisering van het onderhavige bouwplan de ruime opzet van het Westerend niet aantasten.

Verzoekers stelling aangaande een daling van de waarde van zijn woning wordt tenslotte volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt.

[vergunninghouder] heeft ter zitting onder meer aangegeven dat de boerderij een hoogte heeft van 9 meter en dat de in geding zijnde garage/berging daarbij past.

Beoordeling

De president dient te beoordelen of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe dient een inschatting te worden gemaakt van de houdbaarheid van de verleende bouwvergunning in de bezwaarprocedure.

De president overweegt in dit verband het volgende.

Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘De Es 1980’ heeft de beoogde locatie van de onderhavige garage/berging (nagenoeg geheel) de bestemming groenvoorzieningen en is het, gelet op het bepaalde in artikel 17 van de bestemmingsplanvoorschriften, verboden om op gronden met deze bestemming gebouwen op te richten.

Het onderhavige bouwplan is dan ook in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

Verweerder heeft deze strijdigheid op willen heffen door bouwvergunning te verlenen met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO.

Dit artikel geeft verweerder de bevoegdheid vrijstelling te verlenen van een geldend bestemmingsplan voor de in artikel 20 van het BRO omschreven gevallen.

Alvorens te (kunnen) komen tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit dient de president de -ook zijdens verzoeker opgeworpen- vraag te beantwoorden of verweerder terecht de weg van het derde lid van artikel 19 van de WRO heeft bewandeld teneinde de thans bestreden vergunningverlening mogelijk te maken.

Blijkens de Nota van toelichting op de wijzigingen van het BRO (besluit van 15 oktober 1999, Stb. 447) heeft het kabinet zich op het standpunt gesteld dat uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 18a van de WRO (oud) noodzakelijk is, teneinde een terugdringing te bewerkstelligen van de lasten voor bestuur en burger.

Daar waar vroeger de vrijstelling op grond van artikel 18a van de WRO (oud) gekoppeld was aan ‘gedeeltelijke veranderingen of vernieuwingen van bouwwerken’ of ‘de oprichting van bouwwerken van beperkte betekenis’, is het criterium van artikel 18a van de WRO, blijkens de Memorie van toelichting, behorende bij de wijziging van de WRO (TK 1996-1997, 25311, nr. 3, p. 13), aanvankelijk gewijzigd in ‘afwijking van het bestemmingsplan van geringe planologische betekenis’.

Bij Nota van wijziging van bedoeld wetsontwerp is geheel artikel 18a van de WRO komen te vervallen en is de regeling van de zogeheten ‘kruimelgevallen’ in het derde lid van artikel 19 van de WRO opgenomen, waarbij het criterium van de geringe planologische betekenis is geschrapt.

Ten aanzien van de toepassing van het derde lid van artikel 19 van de WRO is voorts de onder de oude regeling bestaande koppeling aan het Besluit meldingplichtige bouwwerken losgelaten.

Blijkens de Nota van toelichting op de Wijzigingen van het BRO zou het vasthouden aan een dergelijke koppeling een verruiming van de werkingssfeer van het nieuwe artikel 19, lid 3, van de WRO in de weg staan, nu activiteiten waarvoor in planologisch opzicht vrijstelling kan worden verleend via een lichte procedure in bouwtechnisch opzicht van ingrijpende betekenis kunnen zijn.

Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat de wetgever met de invoering van artikel 19, lid 3, van de WRO een aanzienlijke verruiming van de vrijstellingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders heeft beoogd.

Deze vrijstellingsbevoegdheid wordt in formeel opzicht (slechts) begrensd door het bepaalde in artikel 20 van het BRO.

Toegepast op de onderhavige situatie betekent dit dat nu het gaat om de bouw van een bijgebouw bij een boerderij (woongebouw) binnen de bebouwde kom, terwijl voorts het aantal woningen gelijk blijft, verweerder terecht zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling aan het bepaalde in het derde lid van artikel 19 van de WRO heeft ontleend.

Het namens verzoeker aangevoerde argument dat de onderhavige garage/berging, gelet op de omvang, niet kan worden beschouwd als een kruimelgeval waarvoor met toepassing van artikel 19, lid 3, van de WRO vrijstelling kan worden verleend treft derhalve geen doel.

Nu de president ook overigens geen formele beletselen voor toepassing van het bepaalde in het derde lid van artikel 19 van de WRO zijn gebleken, dient te worden beoordeeld of de wijze waarop verweerder in het onderhavige geval toepassing heeft gegeven aan de hem toekomende vrijstellingsbevoegdheid de rechterlijke toets kan doorstaan.

In dit verband overweegt de president allereerst dat verweerder ter invulling van zijn vrijstellingsbevoegdheid een beleid hanteert als neergelegd in de Nota Vrijstellingenbeleid en de daarbij als bijlage 2 behorende Regeling bijgebouwen gemeente Aa en Hunze zoals deze op 29 maart 2001 is vastgesteld.

Verweerder heeft de onderhavige bouwaanvraag aan dat beleidskader getoetst.

Blijkens hoofdstuk 2 van deze regeling zullen met de regeling de aan de gronden toegekende doeleinden, uitgaande van de huidige situatie, worden nagestreefd.

Zoals ook ter zitting is bevestigd heeft de in geding zijnde locatie nog steeds de bestemming groenvoorzieningen.

Deze bestemming heeft, uitgaande van de terminologie van hoofdstuk 2 van de regeling, te gelden als ‘de huidige situatie’, zodat met het onderhavige bouwplan de aan de locatie toegekende doeleinden niet worden nagestreefd.

Naar het oordeel van de president betekent dit dat verweerder bij de beoordeling van het onderhavige bouwplan zich ten onrechte (rechtsreeks) baseert op genoemd beleidskader. Dit klemt te meer, nu in hoofdstuk 2 alleen maar gesproken wordt over vergroting van aan- en uitbouwen en bijgebouwen en niet over nieuwbouw daarvan.

Door het bestreden besluit te baseren op een niet (rechtstreeks) toepasselijk beleidskader ontbeert het daarmee een deugdelijke motivering.

Hoewel -gelet op het vorenstaande- het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand zal houden ziet de president geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

Daartoe overweegt de president dat verweerder het bestreden besluit in bezwaar alsnog van een deugdelijke motivering zal kunnen voorzien door de Nota vrijstellingenbeleid en meer specifiek de Regeling bijgebouwen voor zoveel mogelijk analoog toe te passen en deze als richtsnoer te hanteren, hetgeen verweerder, zo is wel duidelijk, uitdrukkelijk voor ogen staat.

Gelet op de vrije beleidsruimte die uit het nieuwe wettelijk stelsel van artikel 19, lid 3, van de WRO juncto artikel 20 van het BRO voortvloeit, bestaat tegen zodanige toepassing rechtens geen bezwaren.

Met betrekking tot het bezwaar tegen de gekozen locatie is de president van oordeel dat de situering van de garage/berging voor de naar de weg (Westerend) gekeerde gevel zich door welstandstechnische overwegingen (afdoende) laat verklaren.

De oppervlakte van de geplande bouw blijft binnen de door verweerder gehanteerde grenzen, als verwoord in hoofdstuk 5 in samenhang bezien met het bepaalde in hoofdstuk 2 onder 1. Het bepaalde in hoofdstuk 2 onder 2a en 2b is hierbij, gelet op het hiervoor overwogene, niet aan de orde.

Voorts acht de president van belang dat de garage/berging voor woondoeleiden zal worden gebouwd en dat deze op het perceel aan de zijde van het Westerend zal worden gerealiseerd, welke zijde -blijkens de plankaart- gedeeltelijk een woonbestemming heeft.

De president is van oordeel dat een dergelijk besluit de rechterlijke toets naar verwachting zal kunnen doorstaan, daarbij in aanmerking nemende dat de overige namens verzoeker aangevoerde bezwaren, met name met betrekking tot zonlichtvermindering en vermindering van uitzicht, niet dusdanig zijn, dat verweerder om die reden de gevraagde bouwvergunning zou moeten weigeren.

Daarbij is in aanmerking genomen dat de garage/berging op een aanmerkelijke afstand van de woning van verzoekers zal worden gerealiseerd.

Gelet op het vorenstaande zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

De president ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De president:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, president en uitgesproken in het

openbaar op 24 oktober 2001

door mr. J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. J.S. van der Kolk

Afschrift verzonden op: