Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AD4747

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-10-2001
Datum publicatie
23-10-2001
Zaaknummer
105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE GELDIGHEID VAN DE OPROEPING

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat de oproeping voor de zitting van 9 oktober 2001 niet rechtsgeldig is, omdat:

de verdachte niet opgeroepen, maar gedagvaard had moeten worden;

in de oproeping aan de verdachte geen informatie is verstrekt omtrent zijn rechten;

de oproeping niet (tevens) in de Duitse taal is gesteld.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op artikel 400 lid 1 Sv dient de dag voor de behandeling van de zaak te worden aangezegd. Uit de wet volgt niet dat deze aanzegging door middel van dagvaarding dient te geschieden.

Dat de oproeping van verdachte niet dezelfde informatie over rechten bevat als gebruikelijk is in een dagvaarding, leidt naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet tot nietigheid van de oproeping. Verdachte geniet rechtsbijstand en had/zal dus door zijn advocaat geïnformeerd kunnen worden over zijn rechten. De rechtbank is daarom van mening dat de verdachte door het ontbreken van de bedoelde informatie niet in zijn verdediging is geschaad.

Vooralsnog is het de rechtbank niet gebleken dat de verdachte (nog) zo weinig kennis heeft van de Nederlandse taal dat hij processtukken onvoldoende begrijpt, maar zelfs als dat zo zou zijn dan nog kan het ontbreken van een vertaling in het Duits niet tot nietigheid van de oproeping leiden. Doel van de oproeping is immers de verdachte te informeren over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. Uit het verschijnen van een door de verdachte gemachtigde raadsman op de zitting, blijkt dat verdachte op de hoogte is van die informatie. Derhalve is verdachte - ook indien uit wordt gegaan van een situatie waarin verdachte de Nederlandse taal onvoldoende zou begrijpen - niet in zijn verdediging geschaad.

HET AANHOUDINGSVERZOEK VAN DE RAADSMAN

Op de zitting heeft de raadsman (nogmaals) verzocht om aanhouding van de zaak. Zoals de procespartijen voorafgaand aan de zitting was medegedeeld zou op 9 oktober 2001 slechts in worden gegaan op de vraag of het verzet ontvankelijk is. In geval de rechtbank het verzet ontvankelijk acht, zullen de overige vragen pas tijdens een volgende zitting (na 23 oktober 2001) aan de orde komen. Wat die overige vragen betreft, zal het verzoek van de raadsman dan ook gehonoreerd worden.

Daar waar het verzoek tot aanhouding tevens de kwestie inzake de ontvankelijkheid van het verzet betreft, wijst de rechtbank het verzoek af. Door de raadsman is aangevoerd dat hij in een vrij laat stadium in de zaak is betrokken, waardoor hij zich pas vanaf maandag 1 oktober j.l. in de zaak kon verdiepen.

Gelet op het feit dat de behandeling van 9 oktober 2001, zoals aan de advocaat op 2 oktober 2001 is medegedeeld, slechts in het teken stond van de ontvankelijkheid van het ingestelde verzet, acht de rechtbank de voorbereidingstijd niet zodanig kort dat daardoor de verdachte in zijn belangen geschaad moet worden geacht.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vervolging is omdat het vervolgingsrecht is verjaard en de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank is niet in staat op dit moment op het verweer te reageren. Die mogelijkheid bestaat pas indien de rechtbank het verzet ontvankelijk verklaart. Pas dan zal de rechtbank de zaak opnieuw behandelen en onderzoek instellen aan de hand van hetgeen in de artikelen 348 en 350 Sv is bepaald.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZET

Bij de beoordeling van het verzet gaat de rechtbank uit van de volgende feiten:

verdachte is bij vonnis van de Bijzondere Strafkamer van de rechtbank op 22 juni 1950 bij verstek veroordeeld tot de doodstraf (later omgezet in levenslange gevangenisstraf);

Verdachte was vanaf 1946 voortvluchtig ten gevolge waarvan het niet mogelijk was de dagvaarding voor de zitting van 8 juni 1950 in persoon te betekenen;

De rechtbank is niet bekend met een omstandigheid waaruit voortvloeit dat verdachte - voor de zitting van 8 juni 1950 - op hoogte was van die zitting;

In de periode van 8 tot en met 14 april 2001 is in de Duitse pers aandacht besteed aan de ‘affaire Hoogendam’;

Verdachte heeft op 15 april 2001 een strafprocesvolmacht getekend, waaruit blijkt dat hij toen contact heeft gezocht met een advocaat;

Op 12 mei 2001 is de verstekmededeling aan de echtgenote van verdachte uitgereikt;

Verdachte heeft (volgens de brief van zijn Duitse advocaat d.d. 31 mei 2001) op 16 mei kennis genomen van deze verstekmededeling;

Deze verstekmededeling bevatte geen informatie over de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen;

De Duitse advocaat raakte (volgens laatstgenoemde brief) pas na toezending van het rechtshulpverzoek op 23 mei 2001 op de hoogte van het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk was;

De Duitse advocaat maakte op 31 mei 2001 per fax aan de nationale officier van justitie voor oorlogsmisdaden bekend het openstaande rechtsmiddel in te stellen;

De officier van justitie heeft op 31 mei 2001 de Duitse advocaat een fax gestuurd met daarin het bericht dat hij voor het aanwenden van verzet zich (persoonlijk) dient te vervoegen bij de griffie van de Arrondissementsrechtbank in Assen en de mededeling dat zijn brief van 31 mei 2001 is doorgestuurd naar de rechtbank Assen, zodat deze inmiddels op de hoogte is van het voornemen een rechtsmiddel in te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met de wijze waarop het verzet had moeten worden aangewend aan de Duitse advocaat - waarvan immers verondersteld kan worden dat hij niet bekend is met het Nederlandse recht - niet dezelfde eisen gesteld kunnen worden als aan een Nederlandse advocaat. De rechtbank zal daarom de fax van de Duitse advocaat d.d. 31 mei 2001 opvatten als een van de verdachte afkomstig geschrift, waaruit in redelijkheid kan worden opgemaakt dat deze een rechtsmiddel wil aanwenden en dat moet worden aangemerkt als schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker om namens de verdachte het geëigende rechtsmiddel in te stellen.

De rechtbank gaat er vanuit dat de verdachte in ieder geval vanaf 16 mei 2001 op de hoogte is van het in 1950 gewezen verstekvonnis.

Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat zich in april 2001 - in verband met de aandacht in de media - zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte op de hoogte is van het vonnis, acht de rechtbank het niet redelijk om de termijn, waarbinnen verzet kon worden gedaan, op een moment in april 2001 te doen aanvangen. Voor zover de rechtbank bekend, was de verdachte toen namelijk niet op de hoogte van het feit dat er nog een rechtsmiddel openstond.

Hoewel artikel 399 lid 2 Sv - in verband met aanvang van de termijn waarbinnen verzet kan worden ingesteld - slechts eist dat sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte op de hoogte is van het vonnis en niet dat hij op de hoogte is van het openstaande rechtsmiddel, meent de rechtbank deze laatste eis, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval en artikel 6 EVRM, toch te moeten stellen.

Toen de procedure in 1950 werd gehouden was het EVRM nog niet van toepassing. Niettemin dient naar het oordeel van de rechtbank wel rekening gehouden te worden met dit verdrag, omdat de verdachte nu met de gevolgen van die procedure wordt geconfronteerd. Ingevolge artikel 76 lid 2 Sr zal de levenslange gevangenisstraf niet verjaren en deze kan dus ten uitvoer worden gelegd op het moment dat het vonnis uit 1950 onherroepelijk wordt.

In 1950 is de verdachte tot de doodstraf (later omgezet in levenslang) veroordeeld na een procedure waarin de verdachte noch een raadsman de verdediging heeft kunnen voeren. Deze berechting bij verstek was een gevolg van het feit dat verdachte vanaf 1946 onvindbaar was. Nog afgezien van de vraag of de vlucht van verdachte in 1946 kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijke afstand van zijn verdedigingsrechten tijdens de procedure in 1950, is de rechtbank van oordeel dat vanwege de ingrijpendheid van de opgelegde en openstaande straf, verdachte recht behoort te hebben op een nieuwe procedure waarin hij alsnog van zijn verdedigingsrechten uit artikel 6 EVRM gebruik kan maken.

De behandeling van het verzet kan worden aangemerkt als zo’n nieuwe procedure waarin de verdachte alsnog in staat is zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

Volgens vaste rechtspraak van het EHRM, dienen de in het EVRM genoemde rechten practical and effective te zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op verzet niet practical and effective, indien de verdachte dit recht verliest door het enkele het feit dat hij er niet van op de hoogte was.

Daarbij acht de rechtbank het nog van belang dat:

het in Nederlandse strafzaken gebruikelijk is dat een verdachte wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden.

de termijn waarbinnen het verzet kan worden ingesteld slechts 14 dagen bedraagt;

de verdachte minder eenvoudig dan een zich in Nederland bevindende verdachte zich kon wenden tot een Nederlandse advocaat;

het zeer uitzonderlijk is dat tegen een vonnis uit 1950 nog een rechtsmiddel openstaat.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het redelijk de termijn waarbinnen verzet kon worden ingesteld te doen aanvangen na de dag waarop de verdachte (of zijn Duitse advocaat) op de hoogte raakte van het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk was. Voor zover de rechtbank bekend, was de Duitse advocaat niet eerder dan op 23 mei 2001 daarvan op de hoogte.

Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het op 31 mei 2001 ingestelde verzet tijdig is.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het verzet ontvankelijk.