Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB2862

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
27-07-2001
Datum publicatie
27-07-2001
Zaaknummer
01/538 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 01/538 BESLU

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2001 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 20 augustus 1999 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de intrekking met ingang van 1 juli 2001 van het besluit van 10 december 1997 waarbij vergunning is verleend voor het plaatsen van een reclamebord langs de A 28.

Namens eiseres is bij brief van 31 mei 2001 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld, waarna de gronden zijn ingediend bij brief van 29 juni 2001.

Verweerder heeft bij brief van 3 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 juli 2001, alwaar eiseres is verschenen in de persoon van haar directeur [naam directeur], bijgestaan door mr. A.A. Robbers.

Voor verweerder is verschenen A. Middelveld, medewerker van de gemeente Hoogeveen.

Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij uitspraak van 4 januari 2001 - in het geding met kenmerk 00/375 BESLU - heeft de rechtbank verweerders besluit van 30 maart 2000 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw diende te beslissen op het bezwaarschrift tegen het besluit van 20 augustus 1999.

Betreffende de voorgeschiedenis van dit geding verwijst de rechtbank naar de aan voornoemde uitspraak ten grondslag gelegde feiten.

Op 2 februari 2001 heeft Het Drentse Welstandstoezicht verweerder geadviseerd omtrent onderhavig reclamebord en daarbij aangegeven dat het reclamebord niet voldoet aan de daarvoor gestelde welstandscriteria. Hierbij is het volgende overwogen:

"De commissie heeft deze reclame-aanvraag getoetst aan de welstandscriteria, zoals genoemd in de gemeentelijke bouwverordening art. 9.1.a MBV en de APV art. 71.b.d, en is daarbij tot de conclusie gekomen dat de reclame-bebording en de daaraan gekoppelde informatie van meer algemene aard niet aanvaardbaar is.

De commissie is van mening dat vanwege de lokatie, niet gesitueerd in de periferie van enig stedelijke bebouwing maar geplaatst aan de rand van het landschappelijk hoogwaardige en visueel kenmerkende gebied van het Pesserveld, er sprake is van een ernstige visuele verstoring. De situering langs de A28 tegen een hoog opgaande beplanting aan het einde van een akkerwal fixeert de reclame op een zeer dominante en in het oog springende wijze. Door afmeting en de kleurcombinatie van de reclame, gele ondergrond met zwart en rode letters, is er sprake van een expressieve werking.

Vanwege de lokatiekenmerken en de eigenschappen van de reclame is de commissie van mening dat er sprake is van een onsamenhangende combinatie van karakteristieken.

De schoonheid c.q. de visuele kwaliteit van het landschap wordt dusdanig ernstige verstoord dat de commissie meent dat er sprake is van een schadelijke omstandigheid.

Geadviseerd wordt geen medewerking te verlenen aan de beoogde reclame-uiting.".

Bij brief van 21 februari 2001 heeft verweerder de gemachtigde van verzoekster het hiervoor aangehaalde welstandsadvies toegezonden, waarbij de gelegenheid is geboden om binnen een termijn van 14 dagen daarop een reactie te geven. Bij brief van 6 maart 2001 heeft de gemachtigde om verlenging van deze termijn verzocht. Hiermee heeft verweerder ingestemd.

Nadat verweerder niets van de gemachtigde van verzoekster heeft vernomen heeft hij bij het thans bestreden besluit opnieuw beslist op de bezwaren, deze ongegrond verklaard en het besluit van 20 augustus 1999 tot intrekking van de vergunning gehandhaafd.

Standpunten partijen

Eiseres stelt zich op het standpunt dat het welstandsadvies niet voldoende is voor een intrekking van de vergunning en dat daarmee niet is voldaan aan de rechtbankuitspraak van 4 januari 2001. Eiseres stelt dat niet is bekeken of de verleende vergunning, inclusief de daaraan verbonden voorwaarden, op enigerlei wijze binnen de relevante landschapscriteria kan worden ingepast. Volgens eiseres heeft verweerder voorts nagelaten te onderzoeken op welke wijze aan haar belangen kan worden tegemoet gekomen.

Eiseres stelt dat haar thans elke mogelijkheid is ontnomen een reclame-uiting dan wel een verwijzing naar haar verkooppunt voor motorbrandstoffen te hebben.

Eiseres stelt dat zij door de gemeentelijke herindeling is gedupeerd. Wanneer deze er niet was geweest, zou de vergunning niet door de gemeente Ruinen zijn ingetrokken, aldus eiseres. Eiseres stelt dat onvoldoende gewicht is toegekend aan haar belangen. Eiseres meent dat verweerder met een schadeloosstelling moet komen.

Verweerder is van mening dat hij heeft voldaan aan de uitspraak van 4 januari 2001.

Beoordeling

Zoals eerder is overwogen, heeft de rechtbank bij uitspraak van 4 januari 2001 verweerders besluit van 30 maart 2000 vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuw besluit dient te nemen. Gelet op het feit dat tegen die uitspraak geen rechtsmiddelen zijn aangewend, is die uitspraak in kracht van gewijsde gegaan, zodat de rechtbank thans slechts dient te beoordelen of verweerder bij het thans bestreden besluit op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 4 januari 2001. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierbij wordt het volgende overwogen.

De vergunning is door verweerder ingetrokken als gevolg van gewijzigde inzichten, welke wijziging samenhangt met de gemeentelijke herindeling in de provincie Drenthe per 1 januari 1998 (en als gevolg daarvan een wijziging van het gemeentebestuur). In de uitspraak van 4 januari 2001 is overwogen dat deze wijziging in inzichten omtrent de landschappelijke inpasbaarheid verweerder op zich de bevoegdheid geeft om onderhavige vergunning in te trekken, maar dat daarbij rekening dient te worden gehouden met de positie van de vergunninghouder. Geoordeeld is dat in deze context verweerder niet kan volstaan met het geven van een eigen visie omtrent de landschappelijke inpasbaarheid van het onderhavige reclamebord.

Verweerder heeft aan het onderhavige besluit het welstandsadvies van 2 februari 2001 ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat dit advies naar de wijze van totstandkoming of naar de inhoud onzorgvuldig of anderszins ondeugdelijk is. In zoverre stond er voor verweerder niets aan in de weg om dit advies in zijn besluitvorming te betrekken.

Gelet op de strekking van het welstandsadvies in combinatie met verweerders beleid dat het plaatsen van borden langs invalswegen en rijkswegen tegengegaan moet worden, omdat dit ernstig afbreuk doet aan het Drentse landschap, welk beleid op zich genomen de rechtbank niet onredelijk voorkomt, is de rechtbank van oordeel dat het besluit van verweerder thans deugdelijk en daadkrachtig is gemotiveerd.

Zoals de rechtbank reeds in haar uitspraak van 4 januari 2001 heeft overwogen is verweerder op zich genomen bevoegd tot intrekking van de vergunning over te gaan. Daarbij dient evenwel rekening te worden gehouden met de belangen van de vergunninghouder. In die belangenafweging speelt tevens een rol dat de vergunning tot wederopzegging is verleend, in die zin dat de vergunninghouder er niet zonder meer vanuit mag gaan dat het vergunde tot in lengte van jaren zou mogen blijven bestaan.

Met betrekking tot die belangenafweging heeft de rechtbank in zijn uitspraak van 4 januari 2001 reeds overwogen dat eiseres in voldoende mate is gecompenseerd door de intrekkingsdatum op 1 juli 2001 te leggen. Aangezien eiseres thans geen ander argumenten naar voren heeft gebracht dan die ook reeds bekend waren ten tijde van de uitspraak van 4 januari 2001, ziet de rechtbank geen aanleiding hieromtrent een ander standpunt in te nemen.

Het vorenstaande leidt er toe dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. In verband hiermee ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. H.J. ter Schegget, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 26 juli 2001

door mr. H.J. ter Schegget, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. H.J. ter Schegget

Afschrift verzonden op: