Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB2577

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
28109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis d.d. 1 mei 2001-

Zaaknummer 28109.-

DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ASSEN

Vonnis van de Eerste meervoudige kamer in de zaak van:

[appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant bij dagvaarding van 8 maart 2000,

advocaat mr. P.C.W.M. Meerbach,

procureur mr. R.A.A. Geene,

en

de besloten vennootschap TRANSPORTGROEP VAN DER GRAAF B.V.,

wonende te 7742 PT Coevorden, Mars 1,

geïntimeerde bij gemelde dagvaarding,

advocaat mr. M. Holtzer,

procureur mr. H.J. de Ruijter.

OVERWEGINGEN

1. Het procesverloop

1.1 Voor het verloop van de procedure in eerste instantie, de in dat geding gedane uitspraak en de gronden waarop deze rusten, verwijst de rechtbank naar het vonnis van de kantonrechter te Emmen van 8 december 1999, onder zaaknummer 62324/99-1926 gewezen tussen appellant, nader te noemen [appellant], als eiser, en geïntimeerde, nader te noemen Van der Graaf als gedaagde, van welk vonnis een afschrift volgt.

1.2 [appellant] is van dit vonnis bij bovenvermeld exploot in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft hij, onder aanvoering van één grief, gevorderd dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter te Emmen waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de vorderingen ingesteld door [appellant] toe zal wijzen, althans zodanig bedrag als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag toe zal wijzen als de rechtbank billijk oordeelt, onder veroordeling van Van der Graaf in de kosten van beide instanties.

1.3 Van der Graaf heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [appellant].

1.4 Tenslotte hebben partijen vonnis verzocht.

2. De ontvankelijkheid

[appellant] is tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen, zodat hij in zoverre in dit appel kan worden ontvangen.

3. De grief

[appellant] heeft een, algemene, grief voorgedragen:

"Ten onrechte heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen op grond van overwegingen zoals neergelegd in rechtsoverwegingen sub 3 t/m 6 in vonnis d.d. 8 -12-1999."

4. De feiten

De rechtbank zal uitgaan van de feiten, zoals die door de kantonrechter in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, aangezien daartegen geen grieven zijn gericht.

5. Beoordeling

5.1 [appellant] begint zijn toelichting op de grief met een procesrechtelijk bezwaar dat los staat van de rest van het geschil, inhoudende dat de kantonrechter ten onrechte geen comparitie van partijen heeft gelast.

De rechtbank overweegt daartoe dat de kantonrechter ingevolge artikel 97 juncto 141a Rv beoordeelt of een zaak geschikt is voor een comparitie. Hij is daartoe niet gehouden, zelfs niet als partijen hem verzoeken om een comparitie te gelasten, hetgeen in dit geval blijkens het griffiedossier van het kantongerecht overigens niet is gebeurd.

De kantonrechter heeft terecht, overeenkomstig artikel 109 Rv, [appellant] in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het gevoerde verweer te reageren. De procesrechtelijke bezwaren van [appellant] tegen het vonnis waarvan beroep gaan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet op.

5.2 De grief en de daarop gegeven -omvangrijke- toelichting strekt er voor het overige toe om het geschil integraal aan de rechtbank ter beoordeling voor te leggen.

5.3 Ingevolge artikel 7:681 BW kan beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk geacht worden wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de beëindiging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging.

5.4 [appellant] is ingevolge de werking van artikel 7:663 BW in dienst gekomen bij Van der Graaf als gevolg van de overdracht door AAF aan Van der Graaf van het onderdeel van AAF waar hij werkzaam was. Hij had ten tijde van de overdracht - 1 februari 1998- zijn werkzaamheden bij AAF gedeeltelijk en in aangepaste vorm hervat, waarbij AAF de loonwaarde van zijn aangepaste werkzaamheden had vastgesteld op 70% van zijn loonwaarde bij normaal functioneren. De arbeidsdeskundige [A] van het GAK schrijft in zijn rapport van 12 mei 1999 (productie 8 bij de memorie van grieven):

"Er bestond twijfel aan de duurzaamheid, vanwege overname aan de afdeling door Transportgroep Van der Graaf.

....

Per 01-02 '98 is de arbeidsovereenkomst overgegaan naar Transportgroep Van der Graaf. Met de heer [B], pz-functionaris, maar ook met verzekerde en de bedrijfsarts de heer [C], is diverse malen overleg gepleegd tav reïntegratie Het standpunt van de heer [B] is van meet af aan geweest dat verzekerde niet zou terugkeren naar de arbeidsplaats waar verzekerde werkzaam was bij AAF alsmede dat een gelijksoortige functie-inhoud noch tijdelijk noch blijvend verzekerde niet werd aangeboden. Beleidsoverwegingen tav overname lagen hieraan te grondslag.

...

Overigens geldt dat bij deze overname er sprake is van overname met alle lusten en lasten. Situatie van verzekerde was Transportgroep Van der Graaf bekend. Dus ook de financiële consequenties. N.m.m. had ook gekozen kunnen worden om vanuit een vergelijkbare positie als bij AAF bij Transportgroep Van der Graaf te starten met reïntegratie. Ook dan was mogelijk de conclusie getrokken dat verzekerde aangewezen zou zijn op passende arbeid bij een andere werkgever, echter dan was verzekerde wel werkzaam geweest. Deze keus ligt bij de werkgever. Echter van begin af aan is duidelijk en herhaalde malen gesteld dat hiervoor niet werd gekozen."

Van der Graaf heeft zulks ook erkend in de memorie van antwoord (punt 16):

"Namens Van der Graaf is slechts kenbaar gemaakt dat de speciaal voor [appellant] binnen AAF gecreëerde functie, binnen Van der Graaf niet bestond en ook niet gecreëerd kon worden door de andere inrichting van de organisatie".

5.5 [appellant] stelt dat Van der Graaf met overeenkomstige toepassing van artikel 7:665 en artikel 4 lid 2 van EG-richtlijn 77/187 vergoedingsplichtig is.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit deze bepalingen volgt dat indien de werknemer de arbeidsovereenkomst beëindigt omdat de overgang van de onderneming voor hem tot een nadelige wijziging van (arbeids)omstandigheden leidt, de werkgever mogelijk schadeplichtig is. Van een beëindiging door de werknemer is in dit geval geen sprake, zodat deze bepalingen niet rechtstreeks van toepassing zijn. Uit de strekking van deze bepalingen, namelijk dat de werknemer geen onevenredig nadeel mag ondervinden van de overgang van de onderneming, volgt evenwel dat een werkgever ook schadeplichtig kan zijn indien een door hem geëntameerd ontslag voortvloeit uit een met de overgang van de onderneming samenhangende nadelige wijziging van de arbeidsomstandigheden

5.6 De stelling van [appellant] dat hij zonder bedrijfsovername blijvend zijn oude functie in aangepaste vorm had kunnen vervullen, wordt niet door de overgelegde bescheiden gesteund. Wel blijkt uit de stukken voldoende dat deze wijze van reïntegreren in ieder geval meer succes heeft gehad dan de daarop volgende pogingen die zijdens Van de Graaf zijn ondernomen, en dat hieraan een eind is gekomen ten gevolge van de bedrijfsovername. Hierbij is aan [appellant] een kans op een uiteindelijk succesvolle reïntegratie ontnomen. De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van het missen van deze kans niet eenzijdig volledig op [appellant] afgewenteld mogen worden.

5.7 Dat er thans nog voor [appellant]s krachten en bekwaamheden geschikt werk bij Van der Graaf aanwezig is, acht de rechtbank niet aangetoond, zodat de vordering tot wedertewerkstelling door de kantonrechter terecht is afgewezen.

5.8 De rechtbank acht het gegeven ontslag kennelijk onredelijk, nu dat niet vergezeld is gegaan van enige financiële vergoeding, behoudens doorbetaling van loon gedurende de periode van ziekte en de opzegtermijn. Bij de schadevergoeding die de rechtbank aan [appellant] toe zal kennen, houdt zij wel rekening met de door de kantonrechter in rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3 gememoreerde omstandigheden waaruit hij naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft afgeleid dat [appellant] zich onvoldoende heeft ingespannen om in ander werk bij Van der Graaf te hervatten dan in de functie die hij bij AAF vervulde en dat de arbeidsovereenkomst eerst is beëindigd ruim een jaar nadat [appellant] duidelijk was dat geen reïntegratie plaats zou vinden op de door hem voorgestane wijze, in welke tussentijd [appellant] zijn volledige loon heeft genoten.

5.9 De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding enerzijds in aanmerking de leeftijd van [appellant] ten tijde van het ontslag (40) en de duur van diens dienstverband met AAF (19 jaar) en de vergoeding waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij in een procedure ex artikel 685: BW zelf rond maart 1998 een ontbindingsvergoeding had gevorderd, en anderzijds diens passieve, niet flexibele houding toen duidelijk was dat reïntegratie volgens het door hem wenselijke model niet bij door Van der Graaf mogelijk was en de duur van de loondoorbetaling genoemd in rechtsoverweging 5.8. Alles afwegend acht de rechtbank een schadevergoeding van ƒ 20.000,00 netto billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der inleidende dagvaarding. Van voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke incassokosten is de rechtbank niet gebleken.

5.10 Zij zal het vonnis van de kantonrechter in zoverre vernietigen en opnieuw rechtdoende, dienovereenkomstig beslissen, waarbij zij de kosten in eerste aanleg zal compenseren en Van der Graaf als de in appel in het ongelijk te stellen partij, in de kosten op het appel gevallen veroordelen.

BESLISSINGEN

De rechtbank:

1. Vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter te Emmen d.d. 8 december 1999, voor zover daarbij de vordering van [appellant] tot betaling van een door de rechter vast te stellen schadevergoeding is afgewezen en voor zover daarbij [appellant] in de proceskosten is veroordeeld.

2. Veroordeelt Van der Graaf om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen de somma van ƒ 20.000,00 netto, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 augustus 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

3. Compenseert de proceskosten in eerste aanleg.

4. Bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter te Emmen d.d. 8 december 1999 voor het overige.

5. Veroordeelt Van der Graaf in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op ƒ 1.290,00 voor salaris procureur en ƒ 528,95 voor verschotten.

6. Verklaart dit vonnis -voorzover gewezen onder 2 en 5- uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mrs. F. le Poole, J.H. Kuiper en B.A. Kievith, in tegenwoordigheid van de griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 1 mei 2001, en door mr. F. le Poole en de griffier ondertekend.