Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB2490

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
21-07-2004
Zaaknummer
01/473 en 474
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekers zijn achtereenvolgens beherend apotheker en eigenaresse van apotheek De Groene Vijzel in [vestigingsplaats].

Bij brief van 26 januari 2000 hebben verzoekers de Commissie voor Gebiedsaanwijzing in de provincie Drenthe verzocht de aan de huisartsen [huisartsen] verleende vergunningen ex artikel 6 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorzieningen in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kenmerk: 01/473 en 01/474 BESLU P01 G01

U I T S P R A A K

van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoekers], achtereenvolgens wonende te [woonplaatsen], verzoekers,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

I. Procesverloop

Namens verzoekers is bij brief van 15 mei 2001 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het (administratief) beroepschrift van 1 september 2000.

Bij brief van 18 mei 2001 is tevens namens verzoekers aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 22 mei 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, gevolgd door een verweerschrift bij brief van 8 juni 2001. De gemachtigde van verzoekers heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Bij brief van 2 juni 2001 heeft de gemachtigde van verzoekers nadere stukken ingezonden, die in afschrift aan de andere partijen zijn verstuurd.

[Huisartsen], huisartsen te [woonplaats], hebben zich als partij in deze procedure gevoegd.

Kort voor de zitting hebben partijen nog nadere stukken ingezonden, die in afschrift naar de andere partijen zijn verstuurd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op woensdag 27 juni 2001, alwaar verzoeker [verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. Tanja-van den Broek, advocate te Den Haag.

Voorts is verschenen [huisarts] bijgestaan door mr. H.C.M. Hendriks, advocaat te Utrecht.

Voor verweerder, ambtshalve opgeroepen te verschijnen, is - na kennisgeving daarvan - niemand verschenen.

I. Motivering

Algemeen

Voor deze zaak is van belang dat in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk wordt gesteld.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Verzoekers zijn achtereenvolgens beherend apotheker en eigenaresse van apotheek De Groene Vijzel in [vestigingsplaats].

Bij brief van 26 januari 2000 hebben verzoekers de Commissie voor Gebiedsaanwijzing in de provincie Drenthe verzocht de aan de huisartsen [huisartsen] verleende vergunningen ex artikel 6 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorzieningen in te trekken.

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft de Commissie besloten dit verzoek te honoreren en de aan genoemde huisartsen ingevolge artikel 6, lid 4, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening verleende vergunningen ingetrokken.

Bij brief van 1 september 2000 is namens de eerder genoemde huisartsen administratief beroep ingesteld bij verweerder tegen het besluit van 21 juli 2000, aangevuld bij brief van 16 november 2000.

Op 25 januari 2001 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden op verweerders ministerie, alwaar verzoekers en de huisartsen zijn vertegenwoordigd.

Bij brief van 8 maart 2001 heeft verweerder partijen in kennis gesteld van het gegeven dat het niet mogelijk is om binnen een termijn van zes weken uitspraak te doen op het administratief beroep. Aangegeven wordt dat dit naar verwachting binnen vier weken na deze brief zal plaatsvinden.

Standpunten partijen

Verzoekers stellen een spoedeisend belang te hebben bij een spoedig besluit op het administratief beroep, omdat zij de apotheek enerzijds geopend dienen te houden, terwijl zij anderzijds door de schorsende werking van het beroep slechts een paar patiënten per dag kunnen bedienen en daardoor nauwelijks omzet genereren.

Verweerder stelt dat het niet mogelijk is om een beslissing te nemen op het administratief beroep, vanwege de voorbereiding van een integrale herziening van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en een beleidsheroriëntatie omtrent apotheekhoudende huisartsen. In verband met een mogelijke beleidswijziging, waarover volgens verweerder binnenkort een voorstel naar de Tweede Kamer gaat, heeft verweerder, na afweging van alle betrokken belangen, besloten de beslissing in administratief beroep aan te houden, totdat de voorgenomen beleidswijziging bekend is gemaakt.

Namens de huisartsen is ter zitting primair aangevoerd dat verzoekers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat geen sprake is van een overschrijding van een redelijke beslistermijn. Subsidiair is namens hen aangevoerd dat van verweerder in redelijkheid niet kan worden gevraagd om op korte termijn een besluit te nemen, omdat in dat geval verweerder niet tot een evenwichtige besluitvorming heeft kunnen komen. Indien verweerder toch blijkens een te geven uitspraak gehouden zou zijn een besluit te nemen, pleiten de huisartsen er voor verweerder hiervoor een ruime termijn te gunnen, waarbij wordt gedacht aan een termijn van zes maanden.

Toepasselijke regelgeving

In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn.

Afdeling 7.3 van de Awb (de artikelen 7:16 en volgende) geeft bijzondere bepalingen over administratief beroep.

Ingevolge artikel 7:24, eerste lid, van de Awb beslist het beroepsorgaan binnen zestien weken na ontvangst van het beroepschrift. Het tweede lid bepaalt dat indien het beroepsorgaan evenwel behoort tot dezelfde rechtspersoon als het bestuursorgaan tegen welks besluit het beroep is gericht, het binnen zes weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel 7:19, tweede lid, is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het beroepschrift beslist.

In het vierde lid van artikel 7:24 is bepaald dat het beroepsorgaan de beslissing voor ten hoogste acht weken kan verdagen. In het geval, bedoeld in het tweede lid, kan het beroepsorgaan ingevolge het vijfde lid van dit artikel de beslissing ten hoogste vier weken verdagen. Het zevende lid bepaalt voorts dat verder uitstel mogelijk is voor zover de indiener daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.

Beoordeling

De president stelt voorop dat het geschil zich beperkt tot de vraag of verweerder heeft nagelaten tijdig te beslissen op het administratieve beroepschrift dat bij brief van 1 september 2000 is ingediend namens de hiervoor genoemde huisartsen en is aangevuld bij brief van 16 november 2000.

Niet in geschil is voorts dat verzoekers een belang hebben bij een beslissing op het administratief beroep, gelet op de in artikel 6, lid 6, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening neergelegde schorsende werking van het administratief beroep van het besluit van 21 juli 2000. Zij kunnen dan ook in dit beroep worden ontvangen.

Ter beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de beslistermijn overweegt de president het volgende, waarbij is meegewogen al hetgeen ter zitting naar voren is gebracht omtrent de wederzijdse belangen alsmede omtrent de achtergrondinformatie en de actualiteiten over de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

Bij het inleidende beroepschrift van 1 september 2000 zijn namens de huisartsen (enkele) gronden van dit beroep gegeven, waarna bij aanvullend beroepschrift van 16 november 2000 deze gronden zijn aangevuld. Niet gebleken is dat het inleidende beroepschrift op dit punt een verzuim bevatte als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. Evenmin is gebleken van een geboden mogelijkheid van herstel van een eventueel aanwezig verzuim. Er dient dan ook te worden uitgegaan van de datum van ontvangst van het inleidende beroepschrift ter vaststelling van de termijn waarbinnen verweerder op grond van de Awb een besluit op het administratief beroep zou moeten nemen.

Geoordeeld moet worden dat ten tijde van het instellen van beroep bij de rechtbank de maximale termijn als bedoeld in artikel 7:24, eerste tot en met het vijfde lid, van de Awb was verstreken. Hierbij wordt in het midden gelaten of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste of het tweede lid van artikel 7:24 van de Awb.

Verweerder heeft ingevolge het zevende lid van artikel 7:24 van de Awb een mogelijkheid om een langere termijn te krijgen voor het nemen van een besluit op het administratieve beroep. Aangenomen kan worden dat de huisartsen, zijnde de indieners van het beroepschrift, (impliciet) instemmen met een verdere verlenging van de beslistermijn. Tevens staat vast dat verzoekers, zijnde de "andere belanghebbenden" als bedoeld in dit zevende lid, hiermee niet instemmen. Voorts kan niet worden ontkend dat verzoekers in enigerlei mate in hun belangen worden geschaad door het uitblijven van een besluit op het administratieve beroepschrift. De president is dan ook van oordeel dat verweerder zich geen verder uitstel had mogen toekennen voor het nemen van een besluit.

De geconstateerde overschrijding van de beslistermijn en het moment van indiening van het beroepschrift brengen de president tot de conclusie dat er geen reden is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, zoals namens de huisartsen is bepleit. Bij een beroep tegen het uitblijven van een besluit is niet snel sprake van een onredelijk laat beroep en naar het oordeel van de president kan daarvan in het onderhavige geval in ieder geval niet worden gesproken.

Gelet op het rechtszekerheidsbeginsel acht de president het niet toelaatbaar dat verweerder een dergelijk besluit voor onbepaalde tijd wenst aan te houden. Hiermee onthoudt verweerder de belanghebbenden de mogelijkheid om - binnen een redelijke termijn - een rechtsmiddel aan te wenden tegen een concreet, inhoudelijk besluit. Het is voorts aan verweerder om een besluit te nemen, waarbij wordt overwogen hoe om te gaan met de komende wets- en beleidswijziging in dit concrete geval.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard, waarbij verweerder, onder toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb wordt opgedragen binnen een bepaalde termijn een besluit te nemen op het namens de huisartsen ingestelde administratieve beroep. Blijkens de op 26 juni 2001 van verweerder ontvangen faxberichten acht verweerder zich hiertoe ook binnen afzienbare tijd in staat. De president ziet geen aanleiding aan deze opdracht een dwangsom te verbinden.

De gegrondverklaring van het beroep brengt met zich dat er aanleiding is voor een veroordeling van verweerder in de kosten die verzoekers voor de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 710,--, zijnde de proceskosten, waarbij het gewicht van de zaak is aangemerkt als licht, en op f 11,62, zijnde de reiskosten.

De uitspraak op het beroep betekent voorts dat de president geen aanleiding ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

I. Beslissing

De president:

Ten aanzien van het beroep

I. verklaart het beroep gegrond;

II. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit neemt op het administratieve beroepschrift;

III. veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers van deze procedure ten bedrage van f 721,62;

IV. bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ad f 225,-- aan hen vergoedt;

V. wijst de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) aan als de rechtspersoon die de onder III en IV genoemde bedragen dient te betalen.

Ten aan zien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, fungerend president en uitgesproken in het openbaar op

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op: