Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB2014

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
06-06-2001
Datum publicatie
16-04-2002
Zaaknummer
01/294 en 295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Kenmerken: 01 / 294 en 01 / 295 WOB P02 G01

U I T S P R A A K

Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het bestuur van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2001 heeft verweerder in bezwaar wederom geweigerd over te gaan tot afgifte van de door verzoeker - met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) - gevraagde informatie.

Bij brief van 22 maart 2001 is namens verzoeker tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van gelijke datum is tevens aan de president van de recht-bank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 29 maart 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, gevolgd door een verweerschrift bij brief van 5 april 2001. De gemachtigde van verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 25 april 2001 en 16 mei 2001, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.B. Faber-Siermann en mr.

M.B.W. Litjens, advocaten te Groningen.

Voor verweerder is verschenen mr. R.G.J. Broenink, jurist bij NAKtuinbouw, bijgestaan door mr. E. Steyger, advocaat te Den Haag.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht-bank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten

Bij - per fax verstuurde - brief van 5 februari 2001 is namens verzoeker aan verweerder (onder meer) verzocht om afgifte van de door verweerder opgemaakte keuringsrapporten - over de periode september 1998 tot en met december 1998 - betreffende de opkweek van stekken van het ras "Birdy" door rozenveredelingsbedrijf [bedrijf] te [vestigingsplaats].

Bij - eveneens per fax verstuurde - brief van 6 februari 2001 heeft verweerder geweigerd voorgenoemde keuringsrapporten af te geven. Verweerder heeft hierbij gesteld dat sprake is van verplichte geheimhouding alsmede dat verzoeker deze rapporten wel kan opvragen bij de leverancier.

Namens verzoeker is bij (fax)brief van 12 februari 2001 tegen deze weigering bezwaar gemaakt. Hierbij is gesteld dat verweerder op grond van de Wob verplicht is tot afgifte van de desbetreffende keuringsrapporten.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de gemachtigde van verzoeker bij fax van

12 februari 2001 medegedeeld dat niet overgegaan kan worden tot afgifte van de rapporten op grond van het bepaalde in artikel 10, lid 2, onder d, van de Wob.

Tegen dit besluit is namens verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens aan de president verzocht om ter zake hiervan een voorlopige voorziening te treffen.

Standpunten partijen

Verzoeker stelt dat verweerder een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, lid 1, sub b, van de Awb. Verzoeker stelt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen die de Awb stelt, omdat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Het besluit is volgens verzoeker niet gemotiveerd. Verzoeker meent dat de grondslag van de weigering niet juist is.

Verweerder verwijst naar het gegroeide samenwerkingsverband met bij verweerder aangesloten bedrijven en beroept zich vervolgens op artikel 10, lid 2, sub d, van de Wob. Volgens verzoeker beschermt deze bepaling de inspectie, controle en toezicht en komt dat niet in gevaar.

Met het verzoek om een voorlopige voorziening beoogt verzoeker op korte termijn de gevraagde keuringsrapporten te verkrijgen, omdat hij die nodig heeft ter bewijsvoering in een civiele procedure.

Verweerder erkent het niet horen, doch stelt dat verzoeker hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder betwist dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en stelt dat bovendien ook telefonisch nog een uitvoerige motivering is gegeven.

Verweerder stelt dat de weigering om de keuringsrapporten te verstrekken niet alleen is gebaseerd op artikel 10, tweede lid, sub d, van de Wob, maar ook (primair) op artikel 10, eerste lid, onder c, van deze wet. Het beroep op artikel 10, tweede lid, sub d, van de Wob moet als een aanvullende weigeringsgrond worden gezien, aldus verweerder.

Volgens verweerder betreffen de keuringsrapporten vertrouwelijke informatie, bedrijfsgegevens, van individuele bedrijven, die vertrouwelijk zijn verstrekt. De keuringsrapporten bevatten wetenswaardigenheden met betrekking tot de bedrijfsvoering en het produktieproces. Dit is met name het geval bij veredelingsactiviteiten, aldus verweerder. Indien bij veredelingsactiviteiten gegevens naar buiten worden gebracht, kan dit een aantasting van het kwekersrecht opleveren, omdat in dat geval aan het nieuwheidsvereiste - noodzakelijk voor het vestigen van een kwekersrecht - niet meer kan worden voldaan.

Verweerder acht zich niet vrij de in de keuringsrapporten vervatte bedrijfsgegevens openbaar te maken, nu het rozenveredelingsbedrijf [naam] er ingevolge de statuten van verweerder op mocht vertrouwen dat de geheimhouding zou zijn gewaarborgd. Hierbij doet verweerder een beroep op artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob.

Voorts stelt verweerder dat het verstrekken van de keuringsrapporten de relatie met de aangesloten bedrijven zou verstoren, waardoor van een goed verlopende keuring geen sprake meer zou kunnen zijn.

Verweerder stelt kwaliteitskeuringen te verrichten, die moeten worden onderscheiden van de door de Staat verrichte keuringen op het gebied van plantenziekten. Deze scheiding van taken berust op de verschillende wijze waarop de keuringen worden verricht en de wijze waarop keurmeesters met de aangeslotenen samenwerken bij de keuring. Verweerder stelt dat niet alleen de Nederlandse wetgeving een grote zelfwerkzaamheid, eigen verantwoordelijkheid van de leveranciers en dientengevolge samenwerking tussen keuringsinstellingen - zoals verweerder - en aangeslotenen vereist, maar ook het EG-recht. Deze samenwerkingsverplichting heeft volgens verweerder tot gevolg dat van de aangeslotenen een vrij ver gaande medewerking wordt verwacht.

Indien de vertrouwelijkheid van de berichten van keuring en de keuringsrapporten zouden worden doorbroken, dan wordt volgens verweerder ernstige schade toegebracht aan de samenwerkingsrelatie tussen de keuringsinstellingen en de aangeslotenen, met als gevolg dat de keuringen niet meer op goede en efficiënte wijze kunnen worden verricht en de juiste uitvoering van de EG-richtlijnen in gevaar komt.

Verweerder stelt dat verzoeker - langs privaatrechtelijke weg - een klachtenrapportage kan laten opstellen door verweerder en dat verzoeker van die mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt. Hiermee kan volgens verweerder de voor de civiele procedure benodigde gegevens worden verkregen.

Verweerder stelt dat het voorgaande met zich brengt dat hij de gevraagde informatie op grond van artikel 10, tweede lid, onder d, van de Wob kan weigeren, waarbij het belang van controle, inspectie en toezicht zwaarder weegt dan het publieke belang van openbaarheid van de documenten.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van deze wet is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de Wob op verweerder van toepassing is indien en voor zover het gaat om de uitvoering van de ingevolge de Zaaizaad- en Plantgoedwet aan verweerder gegeven taak, die neerkomt op het keuren van teeltmateriaal ter bevordering dat er betrouwbaar teeltmateriaal in het verkeer wordt gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd. Voorts gaat het in dit geval om informatie, neergelegd in documenten als bedoeld in de Wob, betreffende de keuringsresultaten en de daaraan ten grondslag liggende gegevens.

Ter beoordeling ligt voor het besluit op bezwaar van 12 februari 2001, waarbij verweerder heeft gehandhaafd - met een beroep op de Wob - de weigering om de door verzoeker gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij heeft verweerder zich expliciet beroepen op artikel 10, lid 2, onder d, van de Wob.

Uit het verweerschrift blijkt dat verweerder heeft bedoeld de in het primaire besluit - impliciet - aangegeven weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob te willen handhaven - als primaire weigeringsgrond - en zich subsidiair te beroepen op de expliciet genoemde bepaling in het besluit op bezwaar. In het verweerschrift heeft verweerder ook een nadere motivering gegeven omtrent het belang van geheimhouding.

Overwogen wordt dat een dergelijke gang van zaken, waarbij de volledige motivering eerst in de beroepsprocedure boven tafel komt, niet de voorkeur heeft. De president stelt echter vast dat verzoeker hangende de beroepsprocedure ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om een adequate reactie te geven op hetgeen in het verweerschrift is aangevoerd. Voorts wordt overwogen dat deze gang van zaken ook verbandhoudt met de aard en de wijze van aanvang (i.c. met een summier verzoekschrift) van de materiële procedure (de Wob-procedure). Bovendien is de summiere motivering van het bestreden besluit, waarin overigens wel de kern van de motivering is neergelegd, een reactie op het evenzo summiere bezwaarschrift.

De president is dan ook van oordeel dat genoemde onvolkomenheden niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Verzoeker heeft zich voorts beroepen op schending van de hoorplicht door verweerder in de bezwaarfase.

Het horen van een belanghebbende in de bezwaarfase is een elementair onderdeel van deze fase, waarvan slechts in de in artikel 7:3 van de Awb genoemde situaties kan worden afgezien.

Hoewel verweerder van mening is dat hij, vanwege zijn aanwijzing als keuringsinstelling ingevolge de Zaaizaad- en Plantgoedwet en de hem bij deze wet opgedragen verantwoordelijkheden, geen ruimte heeft om de gevraagde informatie te verstrekken, is de president van oordeel dat de Wob-procedure en de door verweerder gehanteerde weigeringsgronden meerdere afwegingspunten bevatten, waarvan de uitkomst onzeker is. De president is dan ook van oordeel dat verweerder verzoekers bezwaren ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Verweerder heeft dit ook min of meer toegegeven door zich op het standpunt te stellen dat een hoorzitting beter zou zijn geweest. Het bestreden besluit komt vanwege strijd met artikel 7:3 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Deze formele vernietiging sluit niet uit dat de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten in het geval dat het beroep inhoudelijk ongegrond moet worden verklaard. De president gaat dan ook over tot een inhoudelijke beoordeling van het hem voorgelegde geschil, waarbij de omvang van het geschil zich beperkt tot de bij brief van 5 februari 2001 gevraagde informatie en de door verweerder met een beroep op artikel 8:29 van de Awb aan de president toegezonden informatie. Blijkens voornoemde brief gaat het verzoeker om de door verweerder "opgemaakte keuringsrapporten betreffende de opkweek van stekken van het ras "Birdy" door rozenveredelingsbedrijf [bedrijf] te [vestigingsplaats], aldaar gevestigd aan [straat]. Het betreft keuringsrapporten van uitgevoerde keuringen in de periode september 1998 tot en met december 1998.".

De president heeft van verweerder ontvangen de keuringsrapporten van 28 oktober 1998 (nr. G 007721), 4 november 1998 (nr. G 007729) en 5 november 1998 (nr. G 007724), welke laatste blijkens de rapportage van 4 november 1998 is komen te vervallen in verband met onjuiste datering.

Voorts heeft de president ontvangen de uitslag van het laboratoriumonderzoek van

9 november 1998 van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Bloemisterij- en Boomkwekerijgewassen. De twee eerst genoemde keuringsrapporten en de uitslag van het laboratoriumonderzoek heeft verzoeker ontvangen, waarbij delen zijn weggelaten. De beoordeling van verweerders beroep op de Wob beperkt zich dan ook tot deze weggelaten delen van de twee keuringsrapporten en van de uitslag van het laboratoriumonderzoek.

Bij zijn weigering beroept verweerder zich primair op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Hierbij stelt verweerder zich derhalve op het standpunt dat hij het verstrekken van de gevraagde informatie achterwege moet laten, omdat het gaat om bedrijfs- en fabricagegegevens, die door [bedrijf] vertrouwelijk aan hem zijn meegedeeld.

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), en haar voorganger de Afdeling rechtspraak, gaat het bij bedrijfs- en fabricagegegevens om gegevens waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers.

De president is van oordeel dat de onderhavige informatie geen betrekking heeft op de afzet van producten door of de kring van afnemers en leveranciers van [bedrijf]. Beoordeeld dient te worden of hier wetenswaardigheden in het spel zijn omtrent het productieproces.

Ook dat is niet het geval. Niet de van [naam] afkomstige gegevens omtrent het groeiproces - en [naam] handelwijze, toepassingsmethodes en gebruikte middelen daarbij - zijn in de in de geding zijnde rapportages aan de orde, maar de (be)oordelende bevindingen en daaraan gegeven kwalificaties van de keurmeester. Het moge zo zijn dat de planten zijn gecontroleerd op initiatief van [naam], de in de rapportages en de uitslag van het laboratoriumonderzoek neergelegde gegevens bevatten informatie over de kwaliteit van de planten die door de keurmeester is geconstateerd. De in de rapporten neergelegde informatie is dan ook afkomstig van de keurmeester.

De president vindt voor vorenstaande opvatting steun in de parlementaire geschiedenis van de Wob, waaruit naar voren komt dat met de onderhavige, absolute, weigeringsgrond, waarvan een restrictieve toepassing voorop is gesteld, is beoogd dat deze bescherming biedt tegen concurrentie voor bedrijven die tegenover de overheid open kaart hebben moeten spelen omtrent hun bedrijfsvoering en hun bedrijfsprocessen. Dit is wat anders dan de hier aan de orde zijnde keuringsinformatie, die geen inbreuk maakt op de kennis en handelwijze van [naam].

De president concludeert dat de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob i.c. niet van toepassing is. De in artikel 29, vierde lid, van de statuten van verweerder neergelegde geheimhoudingsplicht maakt dit niet anders.

Vervolgens dient de subsidiaire weigeringsgrond te worden beoordeeld. Hierbij dient te worden beoordeeld of het openbaar maken van de in geding zijnde gegevens in redelijkheid kan worden geweigerd wegens het belang van de inspectie, controle en toezicht door verweerder. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.

De keuring van teeltmateriaal kan worden gezien als een vorm van inspectie, controle of toezicht door verweerder op het in de handel te brengen teeltmateriaal. Volgens verweerder komt dit in gevaar door openbaarmaking van de gegevens, omdat te verwachten is dat als gevolg van deze openbaarmaking er een verstoorde relatie zal ontstaan tussen verweerder en diens aangeslotenen (zoals [naam]). In deze relatie staat de eigen verantwoordelijkheid en het eigen initiatief (en de zelfwerkzaamheid) van de aangeslotenen voorop, waarmee wordt aangesloten op de relevante Europese richtlijnen.

Deze relatieve weigeringsgrond is blijkens de Memorie van Toelichting bij dit onderdeel van de Wob bedoeld om gegevens, methodes, technieken, controleplaatsen en -tijden van de ambtelijke dienst geheim te houden, omdat bij openbaarmaking daarvan deze gegevens, methodes en dergelijke hun doel missen. Geoordeeld moet worden dat dergelijke gegevens i.c. niet in het geding zijn. Bij openbaarmaking van de onderhavige gegevens worden geen controlemethodes en dergelijke van verweerder prijs gegeven. Slechts de in de keuringsrapporten en het overzicht toetingsresultaten NAKB-laboratorium neergelegde bevindingen worden dan bekend. Mitsdien is ook artikel 10, tweede lid, sub d van de WOB in dezen niet van toepassing.

Hierbij is voorts het volgende overwogen. Uit de Europese richtlijnen vloeit een verplichting voor Nederland als Lid-Staat voort om alleen teeltmateriaal in de handel te (laten) brengen dat voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Deze verantwoordelijkheid heeft de rijksoverheid, ingevolge de Zaaizaad- en Plantgoedwet, opgedragen aan verweerder. Verweerder heeft een keuringsreglement opgesteld (goedgekeurd door de Minister), waarbij aan de aangeslotenen (leveranciers) bepaalde verplichtingen worden opgelegd. Het is in het belang van de aangeslotenen dat zij goedgekeurd teeltmateriaal in de handel kunnen brengen, omdat zij anders - vanuit concurrentieoverwegingen bezien - in een slechte positie kunnen komen te verkeren. Gezien deze achtergrond, acht de president het niet aannemelijk dat door het openbaar maken van de onderhavige gegevens de controle door verweerder zal worden bemoeilijkt, omdat de aangeslotenen gelet op het onderhavige stelsel van aansluitplicht en onderwerping aan de normering - min of meer - in een van verweerder afhankelijke positie verkeren. Enige benadeling van de aangeslotenen (i.c. [bedrijf]) is niet aannemelijk geworden.

De president leest voorts in Europese regelgeving geen verbod tot openbaarmaking. Het gaat i.c. niet om gegevens afkomstig van Europese organen (zoals de Raad of de Commissie), waardoor de op Europees niveau gestelde regels en genomen besluiten omtrent geheimhouding niet van toepassing zijn. Nu er geen Europese geheimhoudingsverplichting van toepassing is, is de door verweerder overgelegde uitspraak van de ABRS van 7 juli 1995 (AB 1997/117) hier niet relevant.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ook op inhoudelijke gronden voor gegrondverklaring in aanmerking komt en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Aangezien verweerder naar het oordeel van de president geen ander besluit kan nemen dan een gegrondverklaring van de bezwaren, een herroeping van het primaire besluit en een honorering van het verzoek om het overleggen van de informatie, ziet de president aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal worden opgedragen om binnen drie weken de in geding zijnde stukken integraal aan verzoeker te overleggen.

De president acht het niet nodig aan deze verplichting een dwangsom te koppelen, zoals verzocht.

Onder deze omstandigheden is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van zijn verzoek heeft moeten maken. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ 1.775,-, zijnde de proceskosten voor het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van twee zittingen, alsmede op ƒ 46,48 zijnde de reiskosten van verzoeker voor het bijwonen van twee zittingen.

Uit het vorenstaande volgt dat er geen aanleiding meer is om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de president in dit geval evenmin reden, wel voor vergoeding van het griffierecht.

III. Beslissing

De president:

Ten aanzien van het beroep:

I. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

II. verklaart de bezwaren van verzoeker tegen het besluit van 6 februari 2001 gegrond en herroept dit besluit;

III. bepaalt dat verweerder binnen drie weken na de datum van verzending van deze uitspraak de keuringsrapporten met de nummers G 007721 en G 007729 van respectievelijk 28 oktober 1998 en 4 november 1998 en de uitslag van het laboratoriumonderzoek van 9 november 1998 (laboratoriumbon 2595) integraal in afschrift aan verzoeker overlegt;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeker van deze procedure ten bedrage van ƒ 1.821,48 ( ƒ1.775 + ƒ 46,48);

VI. bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,- aan hem vergoedt:

VII. wijst de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw aan als de rechtspersoon die de onder V en VI genoemde kosten dient te betalen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

VIII. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

IX. bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,- wordt vergoed, te betalen door de onder VII genoemde rechtspersoon.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, fungerend president en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. J.S. van der Kolk

Afschrift verzonden op:

typ: mh