Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB1842

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/475
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Zevende enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 99 / 475 AW P06 G01

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Korpsbeheerder Politie Drenthe, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 16 november 1998 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de weigering om eiser in aanmerking te brengen voor en persoonlijke bevordering naar schaal 8.

Namens eiser is bij brief van 21 juli 1999 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 2 september 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweer-schrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de zevende enkelvoudi-ge kamer van de rechtbank op 19 april 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door

A. Nijboer, medewerkster van de politievakorganisatie ACP.

Voor verweerder is verschenen [gemachtigde], medewerker van het Bureau Juridische Zaken van de politie Drenthe.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser is in dienst bij de regiopolitie Drenthe.

Op 6 mei 1993 is in het regionaal georganiseerd overleg (ReGO), het overlegorgaan tussen verweerder en de politievakbonden, het onderhandelingsakkoord inzake de organisatorische en personele inrichting van het Politiekorps Drenthe van 6 mei 1993

tot 1 januari 1997 gesloten.

Onderdeel van dit akkoord vormde de notitie bereikbaarheid schaal 8, waarin is overeengekomen dat meer medewerkers in aanmerking komen voor bevordering naar schaal 8, ook als er geen schaal 8-functie beschikbaar is. Deze persoonlijke bevordering van medewerkers naar schaal 8 wordt door partijen aangeduid als een conjuncturele bevordering naar schaal 8.

De weergave van de notitie bereikbaarheid schaal 8 is onder de medewerkers van de regiopolitie Drenthe bekendgemaakt door middel van het verstrekken van informatie hierover in een "Infopakket", dat is uitgegeven in mei 1993 en behoort bij het Sociaal Statuut Regionaal politiekorps Drenthe. Uit deze informatie blijkt dat de voorwaarden voor een persoonlijke bevordering naar schaal 8 als volgt worden omschreven:

"Degenen die op 1-1-1994 voor deze persoonlijke bevordering in aanmerking kunnen worden gebracht zijn zij die:

1.Voor 1-1-1992 het maximum van S-7 in de executieve dienst hebben bereikt.

2.Geschikt zijn bevonden overeenkomstig de criteria.

3.Ondanks 1 en 2 (nog) niet in aanmerking zijn gekomen voor een structurele

schaal 8 functie.

4.De bereidheid om een structurele schaal 8 functie te accepteren zodra er een vacature is.

Tot 1 januari 1997 zal deze categorie jaarlijks per 1 januari worden geïnventariseerd en als collectief voor deze bevordering in aanmerking worden gebracht.".

De criteria waarnaar onder punt 2 wordt verwezen, zijn nader uitgewerkt in zogeheten kwaliteitscriteria.

Onder verwijzing naar deze in het "Infopakket" vermelde criteria heeft eiser bij brief van 14 maart 1996 (voorlopig) verzocht om in aanmerking te komen voor een persoonlijke bevordering naar schaal 8, waarbij hij aangeeft dat hij op 1 januari 1994 voldeed aan de gestelde voorwaarden. Eiser heeft zijn verzoek onder de noemer van "voorlopig" ingediend, omdat hij bekend is met het gegeven dat de organisatie in afwachting is van een uitspraak van de rechter over de toepassing van een structurele schaal 8 voor medewerkers die niet werkzaam zijn in de basispolitiezorg.

Bij brief van 25 april 1996 heeft het Hoofd van de Divisie Criminaliteitsbeheersing en Ondersteunende Taken de ontvangst van eisers verzoek bevestigd en eiser medegedeeld dat de lopende gerechtelijke procedure wordt afgewacht.

Bij uitspraak van 23 maart 1998 van deze rechtbank is het beroep in de hiervoor bedoelde gerechtelijke procedure niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat (ter zitting) is gebleken dat de betrokkene reeds tegemoet was gekomen in zijn verzoek om bevordering naar schaal 8 per 1 januari 1997.

Eiser is op 1 juli 1998 bevorderd naar schaal 8.

Bij het besluit van 30 september 1998 is namens verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verzoek niet in behandeling wordt genomen, omdat eiser inmiddels ook is bevorderd naar schaal 8.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 26 oktober 1998 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij het besluit van 16 november 1998 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 30 september 1998, een nieuw besluit genomen op eisers aanvraag en eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een persoonlijke bevordering naar schaal 8 per 1 januari 1994, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij voor

1 januari 1992 het maximum van schaal 7 in de executieve dienst heeft bereikt. Verweerder heeft aangegeven dat eisers bezwaarschrift onder toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede zal worden geacht te zijn gericht tegen dit besluit.

Eiser is op 14 april 1999 in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren toe te lichten op een hoorzitting, gehouden door de Interregionale Advies Commissie voor de Bezwaarschriften (IBAC).

De IBAC heeft verweerder in haar advies van 14 april 1999 geadviseerd de bezwaren van eiser gegrond te verklaren voor zover het is betrekking heeft op het begrip "executieve dienst". Voor zover het bezwaar is gericht tegen de afwijzing van de bevordering per

1 januari 1994 heeft de Commissie verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard, waarbij verweerder is afgeweken van het advies van de IBAC voor wat betreft het advies omtrent de gegrondverklaring van de bezwaren betreffende de executieve dienst.

Standpunten partijen

Eiser stelt dat hij op 1 januari 1992 het maximum heeft bereikt in schaal 7, zijnde schaalnummer 10. Eiser meent dat hij twee jaar na dit maximum, derhalve op 1 januari 1994, in aanmerking komt voor de conjuncturele schaal 8. Eiser stelt voorts dat hij tot de doelgroep behoort van de personen die voor deze bevordering in aanmerking komen, nu hij werkzaam was in executieve dienst, waarbij eiser zich kan vinden in de overwegingen van de IBAC. Eiser stelt dat hij aan alle voorwaarden voldoet zoals gesteld in de notitie bereikbaarheid schaal 8.

Verweerder stelt dat eiser niet voldeed aan de voorwaarde dat hij voor 1 januari 1992 het maximum in schaal 7 in executieve dienst heeft bereikt. Verweerder stelt dat eiser eerst met ingang van 1 januari 1992 het maximum van schaal 7 ontving.

Verweerder stelt voorts dat het i.c. gaat om de uitleg van het begrip "executieve dienst". In dit verband stelt verweerder dat in het regionale onderhandelingsakkoord geen afspraken zijn gemaakt over het verruimen van de landelijke afspraken en dat, indien dit wel aan de orde zou zijn geweest, daarvan in het akkoord zeker gewag zou zijn gemaakt. Verweerder stelt dat de conjuncturele schaal 8 is beperkt tot de medewerkers die werkzaam zijn in de basispolitiezorg. Verweerder verwijst hierbij naar afspraken dan wel verslagen van informele overleggen met het georganiseerd overleg. Verweerder stelt dat voor zover wel is gesproken over uitvoerende en executieve dienst dit woordgebruik geleidelijk is toegepast ("er in is geslopen"), maar geenszins het doel heeft om de toepassing van de conjuncturele schaal 8 uit te breiden. Verweerder meent dat dit woordgebruik er in redelijkheid niet toe kan leiden dat de doelgroep voor de conjuncturele schaal 8 wordt uitgebreid tot medewerkers buiten de basispolitiezorg.

Verweerder stelt dat het onderhandelingsakkoord nadere uitwerking behoeft dat ten aanzien van de conjuncturele schaal 8 is gebeurd en de volgende inhoud heeft:

1. Alle vrijkomende schaal 8 functies binnen de basispolitiezorg (BPZ) worden bezet door medewerkers die in het kader van deze regeling een persoonlijke bevordering naar schaal 8 krijgen. De medewerker moet akkoord gaan met de bij deze regeling behorende voorwaarden.

2. Deze regeling geldt voor alle executieve medewerkers werkzaam binnen de BPZ. Indien executieve medewerkers die niet werkzaam zijn binnen de BPZ eveneens een met reden omkleed verzoek doen voor toepassing van deze regeling zal een voor beroep vatbare negatieve beslissing op dit verzoek worden genomen. De bij deze regeling betrokken partijen conformeren zich wat betreft de uitbreiding van de doelgroep op wie deze regeling van toepassing is aan eventuele uitspraken van de rechtbank, sector bestuursrecht in individuele procedures.

3. Ook medewerkers die tijdens de duur van de regeling aan de zogenaamde 7 plus 2- eis en aan de overige voorwaarden voldeden kwamen in aanmerking voor een persoonlijke bevordering naar schaal 8.

Verweerder stelt dat het zeer aannemelijk is dat het verschil in uitleg bij de opstelling van het Infopakket op het moment van de bekendmaking van het convenant nog geen rol heeft gespeeld. Verweerder stelt dat er geen duidelijkheid bestaat over de doelgroep, maar dat in ieder geval de basispolitiezorg hier wel onder viel. Eiser maakte, aldus verweerder, voor 1 januari 1993 geen deel uit van de basispolitiezorg.

Beoordeling

Hoewel door partijen verschillende data zijn genoemd, is ter zitting vastgesteld dat in geschil is de weigering van verweerder om eiser met ingang van 1 januari 1994 te bevorderen naar schaal 8 en dat het besluit mede inhoudt de weigering om eiser met ingang van de eerste daarop volgende - mogelijke - datum, zijnde 1 januari 1995, naar deze functieschaal te bevorderen. In verband hiermee overweegt de rechtbank het volgende.

Vastgesteld wordt dat de afspraken in het kader van het ReGO, ter uitvoering van landelijke afspraken, niet zijn neergelegd in wettelijke regels. Deze afspraken zijn aan te merken als beleid ter uitvoering van het bepaalde in het Besluit bezoldiging politie (met name artikel 6). De beoordeling van de rechtbank vindt dan ook plaats tegen deze achtergrond.

Vooropgesteld wordt dat afspraken over een - door partijen aangeduide - conjuncturele bevordering niet in strijd zijn met voornoemd Besluit en de daaruit voortvloeiende nadere regels van de Minister van Binnenlandse Zaken (vastgelegd in de Regeling vaststelling systeem functiewaardering Nederlandse politie). Voorts kan niet worden geoordeeld dat deze regelgeving geen ruimte zou bieden voor het maken van (nadere) afspraken over de invulling en uitvoering van de regels dan wel het maken van beleid ter versoepeling van de mogelijkheden inzake bevordering van politieambtenaren.

Ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat de nadere regels dan wel het beleid over de conjuncturele bevordering zijn neergelegd in de bij het onderhandelingsakkoord van 6 mei 1993 behorende notitie bereikbaarheid schaal 8, waarvan de inhoud exact is verwoord op pagina 63 van het zogenoemde "Infopakket".

De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld of gebleken is dat dit beleid over de bereikbaarheid van schaal 8 onredelijk is. Het is duidelijk dat partijen echter verschillen over de uitleg van bepaalde criteria dan wel begrippen uit dit beleid.

Weigering bevordering per 1 januari 1994

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser eerst op 1 januari 1992 het maximum van schaal 7 heeft bereikt. Geoordeeld moet worden dat eiser hierdoor niet voldoet aan het - ook in het "Infopakket" vermelde - criterium dat de betrokkene "voor 1 januari 1992 het maximum van schaal 7 (…) heeft bereikt". Nu eiser niet voldoet aan het eerste criterium voor een persoonlijke bevordering naar schaal 8 kan eiser reeds hierom geen aanspraak maken op een dergelijke bevordering. Hierdoor kan een beoordeling van het eerstvolgende criterium dat de betrokkene werkzaam moet zijn "in executieve dienst" voor wat betreft deze datum achterwege blijven.

De rechtbank concludeert dan ook dat het beroep van eiser niet kan slagen voor zover het is gericht op de weigering van verweerder om eiser met ingang van 1 januari 1994 te bevorderen naar schaal 8.

Weigering bevordering per 1 januari 1995

Uit de notitie bereikbaarheid schaal 8 blijkt dat (tot 1 januari 1997) jaarlijks per 1 januari zal worden geïnventariseerd welke personen op basis van de gestelde criteria voor een bevordering naar schaal 8 in aanmerking komen. Vastgesteld kan worden dat eiser voor 1 januari 1993 het maximum van schaal 7 heeft bereikt. Tussen partijen is ook niet in geschil dat eiser op 1 januari 1995 voldoet aan het vereiste dat aan hem twee jaar is betaald het maximum van schaal 7. Verweerder heeft echter de bevordering van eiser met ingang van 1 januari 1995 geweigerd omdat eiser - voorafgaande aan deze datum - volgens verweerder niet werkzaam was in basispolitiezorg.

Zoals uit het voorgaande reeds blijkt maakt de notitie bereikbaarheid schaal 8 onderdeel uit van het op 6 mei 1993 gesloten onderhandelingsakkoord. De inhoud van deze notitie is ook zo overgebracht aan de medewerkers van de politieregio Drenthe door middel van het verstrekken van het "Infopakket". Deze informatie hebben de medewerkers ontvangen van dan wel namens verweerder.

Geoordeeld moet worden dat in deze notitie en de daarover uitgebrachte informatie geen voorbehoud is gemaakt met betrekking tot het beperken van de doelgroep. In de notitie wordt gesproken over het bereiken van het maximum van schaal 7 in de executieve dienst, zonder dat daarbij het voorbehoud wordt gemaakt dat het hierbij gaat om medewerkers - in executieve dienst - van de basispolitiezorg.

Nu de informatie afkomstig was van het bevoegde gezag mochten de medewerkers er op vertrouwen dat deze informatie juist en volledig was, tenzij direct of kort daarna een rectificatie zou hebben plaatsgevonden. Dit is niet het geval. Ook anderszins mochten de medewerkers (als ook de onderhandelingspartners) afgaan op de tekst van het gesloten onderhandelingsakkoord en naar het oordeel van de rechtbank geen rekening hoeven te houden met het niet sporen daarvan met de bedoeling van verweerder. Andere (mogelijke) bedoelingen op landelijk of regionaal niveau kunnen aan het vorenstaande niet afdoen, gezien deze expliciete en zonder voorbehoud verstrekte informatie.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op 1 januari 1995 voldeed aan de criteria van twee jaar op het maximum van schaal 7 hebben gezeten en het werkzaam zijn in executieve dienst.

Dat naderhand de criteria zijn aangescherpt dan wel zijn verduidelijkt - door begrenzing van de doelgroep - kan alleen gevolgen hebben voor degenen die na het besluit daarover aan de criteria voldoen. Dit betekent dat eerst per 1 januari 1996 het extra vereiste omtrent de basispolitiezorg kan worden gesteld.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eiser ten tijde hier in geding werkzaam was bij de verkeersgroep. In verband hiermee merkt de rechtbank op dat verweerder niet heeft kunnen weerspreken dat collega's van eiser van de verkeersgroep wel zijn bevorderd als zijnde werkzaam geweest in executieve dienst.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van eiser gegrond moet worden verklaard voor zover dat is gericht tegen de weigering van verweerder om eiser met ingang van

1 januari 1995 te bevorderen naar functieschaal 8. Het besluit komt wegens strijd met het geformuleerde beleid en het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.

Onder deze omstandigheden is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs in verband met de behandeling van zijn beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ 1.420,-, zijnde proceskosten, en op ƒ 3,32 zijnde reiskosten.

III. Beslissing

De rechtbank:

I. de rechtbank verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de weigering om eiser met ingang van 1 januari 1995 te bevorderen naar functieschaal 8 en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

IV. veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in deze procedure ten bedrage van ƒ 1.423,32;

V. bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,- vergoedt;

VI. wijst de politieregio Drenthe aan als de rechtspersoon die de onder IV en V genoemde kosten dient te betalen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belangheb-bende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroep-schrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de grif-fier.

Aldus gegeven door mr. C.P. van Gastel, voorzitter, en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. C.P. van Gastel, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. C.P. van Gastel

Afschrift verzonden op:

typ: mh