Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB1631

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/310
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Zevende meervoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 00 / 310 WET P09 G01

U I T S P R A A K

In het geding tussen

Mr. M.G.F.A. Janssen, curator in het faillissement van [betrokkene], kantoorhoudende te Assen, eiser,

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

I. Procesverloop

Bij het besluit op bezwaar van 8 maart 2000 heeft verweerder het (primaire) besluit van 24 juni 1999 gehandhaafd, inhoudende de weigering [betrokkene] een tegemoetkoming toe te kennen ingevolge de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (hierna: Wts2-regeling).

Eiser heeft bij brief van 18 april 2000 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank, aangevuld bij schrijven van 8 juni 2000.

Verweerder heeft bij brief van 17 juli 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweer-schrift inge-zonden.

Eiser heeft hiervan een afschrift ontvan-gen.

Bij brief van 10 augustus 2000 heeft verweerder een nadere reactie ingezonden, welke eveneens in afschrift aan eiser is gestuurd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de zevende meervoudi-ge kamer van de rechtbank op 1 maart 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, vergezeld door [betrokkene en adviseur].

Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen is verschenen bij gemachtigden [gemachtigden].

II. Motivering

Feiten

[Betrokkene] had een agrarische bedrijf te [woonplaats] dat zich voornamelijk bezighield met het telen - en verhandelen - van zogeheten Westerworlds raaigras. Als gevolg van zware regenval op 27 en 28 okto-ber 1998, heeft [betrokkene]- aan de hand van een daartoe be-stemd formulier - een aanvraag ingediend bij Laser (de Dienst Lande-lijke service bij regelin-gen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visse-rij) voor een tegemoetkoming in de door hem in verband met deze regenval geleden schade.

Bij vonnis van 25 mei 1999 is [betrokkene] door deze rechtbank, civiele kamer, in staat van faillis-sement verklaard.

Bij het (primaire) besluit van 24 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat [betrokkene] niet voldoet aan de voor-waarde dat de totale getaxeerde schade en kosten het bedrag van f 2.000,-- te boven moet gaan.

Tegen dit besluit is namens [betrokkene] bij brief van 7 juli 1999 door mr. W.R. ten Kate, advocaat, bij verweerder bezwaar gemaakt, waarin is medegedeeld dat dit schrijven - zo nodig - mede geacht moet worden te zijn ingediend door de curator in het faillissement van [betrokkene]. Het bezwaarschrift is aangevuld bij brief van 2 augustus 1999, waarin wordt verwezen naar een brief van eiser van 14 juli 1999.

Nadat [betrokkene] op 18 februari 2000 in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren monde-ling toe te lichten, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de bezwaren ongegrond verklaard.

Standpunten partijen

Eiser stelt dat het Bureau Coördinatie Experts (BCE), dat handelt in opdracht van Laser, de schade van [betrokkene] heeft bepaald op f 106.790,--. Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit op geen enkele wijze heeft aangegeven, waarom BCE het schadebedrag kennelijk in een later stadium lager heeft vastgesteld en wel op nihil. Op grond van de eerste vaststelling van het schadebedrag mocht [betrokkene] er op vertrouwen dat hij op basis van de schadebepa-ling van f 106.790,-- in aanmerking zou komen voor een tege-moetko-ming.

In het bestreden besluit is vermeld dat op verzoek van [betrokkene] een her-taxatie is verricht, waarvan eiser stelt dat in dit verband sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken, omdat [betrokkene] niet op de hoogte is van een hertaxatie en daarom niet heeft verzocht, omdat hij zich met de eerste taxatie kon verenigen.

Eiser stelt dat sprake is van schending van het zorgvuldig-heidsbeginsel en het beginsel van hoor en wederhoor.

Inhoudelijk stelt eiser dat is voldaan aan het causaliteits-vereiste met betrekking tot de geleden schade. Niet gebleken is dat de schade is ontstaan als gevolg van onverantwoord handelen van [betrokkene] als agrariër. Voorts heeft verweerder, aldus eiser, onvoldoende rekening gehouden met de specifieke omstandigheden in Drenthe betreffende het inzaaien. De door verweerder gehanteerde gegevens uit het Handboek voor de akkerbouw en groenteteelt in de volle grond en de teelt van graszaad 1995 kunnen volgens eiser dan ook niet onverkort worden toegepast.

Het is eiser bekend dat verweerder met betrekking tot poot-aardappelen anders heeft geredeneerd dan hij nu doet met betrekking tot het inzaaien van gras. Bij de pootaardappelen is verweerder, aldus eiser, wel overgegaan tot schadeloosstel-ling, terwijl ook daar sprake is van een latere oogst (aange-past aan de bijzonder natte weersgesteldheid).

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroepschrift een intern deskundigenonderzoek gestart. Naar aanleiding hiervan stelt verweerder zich in navolging van de geraadpleegde des-kundige [deskundige] (BCE-schadeexpert) op het standpunt dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat het graszaad voor de ernstige regenval al dusdanig was beschadigd en/of verloren gegaan, door andere weers-invloeden, en dat het oogsten van dit gewas niet meer mogelijk was. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat niet is voldaan aan het causaliteitsvereiste.

Relevante regelgeving

Ingevolge artikel 1, sub d, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet) wordt onder schadegebied verstaan het bij ministeriële regeling vastge-stelde, in Nederland gelegen gebied waarin een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard, heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan schade is geleden dan wel kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.

In artikel 3 van de Wet is bepaald dat bij koninklijk besluit deze wet van toepassing kan worden verklaard in geval van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen, die van ten minste vergelijkbare orde is als een overstroming door zoet water of een aardbeving.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet heeft een gedu-peerde recht op een tegemoetkoming in de in deze bepaling nader aangeduide categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard. Ingevolge deze bepaling en het bepaalde onder e komt voor een tegemoetkoming in aanmerking de teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor er vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan, of als gevolg van het niet of niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen.

In artikel 4, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet is bepaald dat een gedupeerde geen recht heeft op een tegemoetko-ming in de schade of kosten, voor zover de schade of de kosten zijn veroorzaakt door eigen schuld van de gedupeerde. Ingevol-ge het bepaalde onder d van deze bepaling heeft de gedupeerde evenmin recht op een tegemoetkoming wanneer hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming of beperking van die schade of kosten.

Artikel 5, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de omvang van de schade en, voor zover nodig, van de kosten door of onder verantwoordelijkheid van een door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen schade-expert, wordt opgenomen en neergelegd in een schaderapport. Ingevolge het tweede lid verstrekt de schade-expert aan de gedupeerde een afschrift van het schade-rapport. In het derde lid is bepaald dat al dan niet op ver-zoek van de gedupeerde de omvang van de schade en de kosten opnieuw door of onder verantwoordelijkheid van een schade-expert bedoeld in het eerste lid kan worden opgenomen en neergelegd in een schaderapport. Het tweede lid is van toepas-sing.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Wet is bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1999 (inwerking getreden op 24 maart 1999) de Wet van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998 (artikel 1 van het KB).

In de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (Wts2-regeling) is het schadegebied overeenkom-stig het bepaalde in artikel 1, sub d, van de Wet vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, sub b, van de Wts2-regeling wordt in deze regeling onder regeling verstaan de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: Wts1-rege-ling).

Artikel 2 van de Wts2-regeling luidt als volgt:

"1. Deze regeling is van toepassing op de schade en kos-ten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

2. Als schadegebied, bedoeld in artikel 1, onder deel d, van de wet worden aangewezen de gemeenten en delen van gemeenten die zijn aangewezen in de bijlage behorende bij deze regeling.".

Omtrent de hoogte van de tegemoetkoming, de berekenings-grond-slag en de procedure die moet worden gevolgd ter verkrijging van een tegemoetkoming zijn in de Wts2-rege-ling de desbetref-fen-de artikelen van de Wts1-regeling van toepassing verklaard.

Beoordeling

Met betrekking tot de ontvangst van eiser in de beroepsprocedure overweegt de rechtbank dat genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat eiser ook, alvorens beroep in te stellen, bezwaar heeft gemaakt bij verweerder, nu het namens [betrokkene] door de advocaat W.R. ten Kate ingediende bezwaarschrift mede geacht kan worden te zijn ingediend namens eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een niet-ontvankelijkverklaring van eiser onder toepassing van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank stelt voorop dat bij haar uitspraak van 15 november 2000 de Wts2-regeling onverbindend is geacht voor zover deze betrekking heeft op de gebiedsbepaling dan wel de aanwijzing van (de grenzen van) het schadegebied. Deze uitspraak alsmede de door verweerder toegezegde nieuwe gebiedsvaststelling in het kader van onderhavige regeling hebben naar het oordeel van de rechtbank geen (inhoudelijke) consequenties voor onderhavige zaak. De rechtbank gaat dan ook over tot een beoordeling van het aan haar in dit geding voorgelegde geschil.

In geschil is de vraag of ten aanzien van de door [betrokkene] gestelde schade aan het Westerworlds raaigras sprake is van een causaal verband tussen deze schade en de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

Verweerder heeft het primaire besluit genomen, waarbij hij is afgeweken van de door [betrokkene] aangeleverde gegevens omtrent de hoogte van het schadebedrag. In strijd met artikel 4:7 van de Awb heeft verweerder eiser niet gehoord voorafgaande aan het primaire besluit. Dit verzuim kan voorts niet geacht worden te zijn geheeld bij het besluit op bezwaar, nu verweerder bij dit besluit alleen maar een grotere verwarring heeft geschapen omtrent de feiten en omstandigheden die hij bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

Overwogen wordt dat het van een zeer grote onzorgvuldigheid betuigt dat verweerder in het bestreden besluit als uitgangspunt heeft genomen een tweede taxatie die op verzoek van [betrokkene] zou zijn uitgevoerd. Gebleken is dat een dergelijke taxatie nimmer heeft plaatsgevonden. Ter zitting kon verweerder voor deze gang van zaken ook geen verklaring geven. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat hier geen hertaxatie (tweede taxatie) heeft plaatsgevonden, maar dat sprake is van een controle door het Bureau Coördinatie Expertise-organisaties (BCE), een controle die al heeft plaatsgevonden in januari 1999, derhalve voorafgaande aan het primaire besluit. Door deze onjuiste vermelding van feiten heeft verweerder niet alleen verwarring geschapen, maar heeft hij [betrokkene] en eiser ook belemmerd in het voeren van een goede en adequate procedure. Door verweerders handelwijze heeft het enige tijd geduurd voordat - pas in de beroepsfase - tot de kern van de zaak kon worden doorgedrongen. Eerst ter zitting is namelijk gebleken, met name aan de hand van de verklaringen van [adviseur], dat het bij het Westerworlds raaigras algemeen gebruikelijk is dat jaarlijks tweemaal kan worden geoogst. In het jaar 1998 was de eerste oogst door de slechte weercondities in dat jaar verloren gegaan, maar had, volgens de verklaring van [adviseur], de tweede generatie in november 1998 nog kunnen worden geoogst. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van hetgeen door [adviseur] naar voren is gebracht, mede gelet op zijn specifieke deskundigheid in dezen. Vastgesteld wordt voorts dat deze feiten voor verweerder nieuw waren op de zitting en niet zijn weersproken.

Geoordeeld moet worden dat verweerder met deze eerst ter zitting naar voren gekomen gegevens nader onderzoek moet verrichten naar de schade en de causaliteitsvraag. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel alsmede met het in artikel 7:12, lid 1, van deze wet neergelegde motiveringsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat er aanleiding is voor een proceskostenveroordeling van verweerder. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 1.420,-- als proceskosten.

III. Beslissing

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

II. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

III. veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in deze procedure ten bedrage van f 1.420,--;

IV. bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad f 225,-- aan hem vergoedt;

V. wijst de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken) aan als de rechtspersoon die de onder III en IV genoemde bedragen dient te betalen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belangheb-bende, hoger beroep instellen bij de Afdeling be-stuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroep-schrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzen-ding van de uitspraak door de grif-fier.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, mrs. H.J. ter Schegget en

J.S. Bartstra, rechters, en uitgesproken in het openbaar op

door mr. T.F. Bruinenberg, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. T.F. Bruinenberg

Afschrift verzonden op:

typ: JO