Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AB0962

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
26-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/266 BESLU P01 G02
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Zevende meervoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 98/266 BESLU P01 G02

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiser A] en [eiser A-B], wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Aa en Hunze, (Gieten), verweerder.

I. Procesverloop

Bij uitspraak van 20 juli 1999 heeft de rechtbank het beroep van eisers tegen verweerders besluit van 18 mei 1998 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak het onderzoek op voet van artikel 8:73, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb) heropend ter zake van het door eisers gedane verzoek om schadevergoeding.

Eisers hebben bij brief van 29 augustus 1999 hun verzoek om schadevergoeding nader onderbouwd en aangevuld.

Partijen hebben over en weer aanvullend gereageerd.

De rechtbank heeft bij brief van 10 februari 2000 de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (verder Stab), verzocht als deskundige van verslag en advies te dienen.

Ter voldoening aan dit verzoek heeft de Stab op 26 mei 2000 rapport uitgebracht.

Partijen hebben desgevraagd op dit rapport gereageerd.

Bij brief van 10 augustus 2000 heeft de rechtbank de Stab nader om advies gevraagd. Bij brief van 11 september 2000 heeft de Stab aan dit verzoek voldaan.

Eisers hebben bij brief van 30 oktober 2000 op dit aanvullend verslag gereageerd.

Voor zover niet door hen ingediend hebben partijen de beschikking gekregen over een afschrift van de gedingstukken.

Het onderzoek ter zitting inzake de schadevergoeding heeft plaatsgevonden op 16 januari 2001, alwaar eisers in persoon zijn verschenen. Zij hebben het verzoek nader toegelicht.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer L.S. de Jong, ambtenaar van de gemeente Aa en Hunze. Hij heeft het standpunt van verweerder nader uiteengezet.

II. Motivering

Feiten

Voor wat betreft de voorgeschiedenis verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent in de uitspraak van 20 juli 1999 is overwogen.

Eisers hebben bij brief van 29 augustus 1999 hun verzoek om schadevergoeding (verder) onderbouwd en aangevuld, waarbij zij terzake van gederfd woongenot een bedrag ad ƒ 1.000,- per maand hebben geclaimd.

Daarnaast hebben zij een vergoeding gevraagd voor de kosten verbonden aan een schadebeperkende maatregel in de vorm van een aanbouw aan de achterzijde van de woning. In dit verband is 50% van de kostprijs van de in 1998/1999 gerealiseerde aanbouw ad ƒ 34.472,24 gevorderd.

Voorts hebben zij in verband met de waardevermindering van hun woning verzocht om vaststelling van een door verweerder te betalen bedrag aan nadeelcompensatie in dezelfde orde van grootte als de verzochte schadevergoeding. Daarbij hebben eisers aangegeven dat het niet de bedoeling is dat verweerder dubbele compensatie betaalt over dezelfde periode.

Tenslotte hebben eisers hun verzoek aangevuld met een verzoek tot schadevergoeding terzake van gespendeerde vrije tijd ad ƒ 2.500,-.

Verweerder heeft hierop bij brief van 19 oktober 1999 gereageerd. Hij bestrijdt de derving van het woongenot zoals door eisers is gesteld en acht - kort gezegd - de door eisers ingediende schadeclaims niet redelijk.

Voorts is verweerder van mening dat er in ieder geval geen sprake is van een verband tussen de schade en het niet-tijdig beslissen op het bezwaar van 21 november 1997 en het besluit van 18 mei 1998.

Partijen hebben vervolgens over en weer nog aanvullend gereageerd.

Bij rapport van 26 mei 2000 heeft de Stab desverzocht de rechtbank van advies gediend. Daarbij heeft de Stab vier door de rechtbank gestelde vragen beantwoord.

Kort samengevat heeft de Stab het aannemelijk geacht dat het gebruik van meer vrachtwagens dan op grond van het overgangsrecht was toegestaan tot meer hinder voor eisers heeft geleid en dat vanwege die hinder het woongenot van eisers (verder) zal zijn aangetast.

Daarbij heeft de Stab aangegeven dat de door eisers ondervonden extra hinder met betrekking tot de periode van 14 oktober 1997 tot 3 september 1999 het gevolg is van de fictieve weigering van verweerder om te beslissen op het bezwaar van 21 november 1997, c.q. het besluit van 18 mei 1998.

De Stab heeft vervolgens geconcludeerd dat er door het illegaal gebruik weliswaar extra hinder voor eisers is opgetreden, doch dat deze hinder niet kan worden gekarakteriseerd als een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dat er om die reden geen aanleiding is voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade.

Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 21 juni 2000 medegedeeld dat het rapport van de Stab hem geen aanleiding geeft tot het leveren van commentaar.

Eisers hebben bij brief van 21 juli 2000 gereageerd, waarbij zij hebben aangevoerd dat de Stab ten onrechte ervan uit is gegaan dat slechts sprake is van immateriële schade, die bovendien zo gering zou zijn dat vergoeding ervan volgens de wet niet mogelijk zou zijn.

Volgens hen is de Stab ten onrechte niet toegekomen aan een schatting van de vermogensschade.

De Stab heeft desgevraagd op 11 september 2000 een aanvullend verslag uitgebracht. Dit, naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 mei 2000 (gepubliceerd in JB 2000, nr. 187).

In dit verslag heeft de Stab aangegeven dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak haar geen aanleiding geeft om de conclusie van het verslag van 26 mei 2000 te herzien.

Eisers hebben bij brief van 30 oktober 2000 op dit aanvullend verslag gereageerd.

Overwegingen

Zoals in de uitspraak van 20 juli 1999 reeds is overwogen heeft verweerder tegenover eisers onrechtmatig gehandeld, als gevolg waarvan eisers in beginsel schade kunnen hebben geleden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken, op grond waarvan dit onrechtmatig handelen niet aan verweerder zou mogen worden toegerekend.

Het tegen deze uitspraak gerichte hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak bij uitspraak van 15 september 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het door eisers gedane verzoek om schadevergoeding vorenomschreven overwegingen dan ook als uitgangspunt nemen.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de beantwoording van de vraag of eisers werkelijk schade hebben geleden, en -zo ja- in hoeverre deze schade het gevolg is van het niet-tijdig beslissen op het bezwaar van eisers en het besluit van 18 mei 1998.

Voorts dient de rechtbank, indien er sprake is van schade en het causaal verband is vastgesteld, de omvang van de door eisers geleden schade te bepalen.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers van het gebruik van het terrein aan de [adres] met meer vrachtauto’s dan was toegestaan (extra) hinder ondervonden leidend tot een aantasting van hun woongenot en hebben zij dientengevolge schade geleden.

De rechtbank tekent hierbij aan dat het bij de door eisers ondervonden -rechtens relevante- hinder met name gaat om geluidsoverlast. De door eisers gestelde visuele hinder acht de rechtbank in dit opzicht onvoldoende relevant, nu eisers slechts een beperkt zicht hebben op het in geding zijnde perceel en de daarop aanwezige vrachtwagens, welk zicht bovendien voor een deel wordt weggenomen door de aanwezige rij coniferen.

In tegenstelling tot hetgeen de Stab in haar eerste rapport heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de door eisers geleden schade in de vorm van gederfd woongenot moet worden aangemerkt als materiële schade.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de hinder en daarmee ook de schade had kunnen voorkomen door handhavend op te treden naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van eisers. Hiermee is gegeven dat de door eisers geleden schade het gevolg is van het niet-tijdig beslissen door verweerder op de bezwaren van eisers, respectievelijk het besluit van 18 mei 1998.

Ten aanzien van de omvang van de schade overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de Stab heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de door eisers ondervonden hinder en daardoor de aantasting van hun woongenot van dien aard is geweest, dat aanleiding bestaat de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.

Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de hinder zich in ieder geval gedurende een periode van bijna twee jaar heeft voorgedaan en dat deze hinder zich met name manifesteerde gedurende de weekeinden en tijdens de voor de nachtrust bestemde uren.

De hoogte van de schadevergoeding wordt door de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid bepaald op ƒ 10.000,-.

De door eisers geclaimde schade ter zake van de gerealiseerde aanbouw, als zijnde een schadebeperkende maatregel, komt naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking, nu -zoals eisers hebben aangegeven- deze aanbouw is bedoeld ter beperking van de visuele hinder (uitzichtschade). In het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen ten aanzien van de uitzichtschade, is de rechtbank van oordeel dat deze schade de door eisers getroffen schadebeperkende maatregel in de vorm van de gerealiseerde aanbouw niet rechtvaardigt.

Met betrekking tot de gevraagde vergoeding voor de waardevermindering van de woning overweegt de rechtbank dat van een dergelijke waardevermindering geen sprake meer is, nu verweerder inmiddels handhavend is opgetreden, waardoor de bestemmingsplanvoorschriften niet langer worden overtreden.

Het mag dan zo zijn dat, gedurende de periode dat de planvoorschriften werden overtreden, de waarde van de woning van eisers lager was, dat neemt echter niet weg dat eisers niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in dit verband werkelijk schade hebben geleden. Eisers hebben desgevraagd aangegeven dat een verkoop van de woning gedurende deze periode niet aan de orde was.

Tenslotte overweegt de rechtbank ter zake van de door eisers gestelde schade in de vorm van aan deze zaak gespendeerde vrije tijd in verband met het opstellen van bezwaar- en beroepschriften en het bijwonen van besprekingen en dergelijke het volgende.

Artikel 8:75 Awb biedt een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze proceskosten via de weg van een verzoek om schadevergoeding is dan ook geen plaats (zie ook Afdeling bestuursrechtspraak, JB 2000, nr. 324).

Voor zover eisers het oog hebben gehad op de tijd gemoeid met het voeren van de bezwaarprocedure is de rechtbank van oordeel dat de vordering reeds moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding verweerder op voet van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken en wijst daarbij de gemeente Aa en Hunze aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te betalen.

Deze kosten worden begroot op ƒ 9,36 wegens reiskosten.

Voor een vergoeding van de met de behandeling van het verzoek gemoeide vrije tijd van eisers is geen plaats, gelet op de limitatieve opsomming in het Besluit proceskosten bestuursrecht van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

veroordeelt de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding aan eisers van de door hen geleden schade ter hoogte van ƒ 10.000,-;

veroordeelt de gemeente Aa en Hunze tot vergoeding aan eisers van de proceskosten ad ƒ 9,36.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit dient te geschieden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de Raad van State binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van deze uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, voorzitter, mrs. P.H.M. Smeets en M. Griffioen, rechters en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2001

door mr. B.J.H. Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. B.J.H. Hofstee

Afschrift verzonden op:

typ: mh