Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AA9980

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
13-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
27655
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/103 met annotatie van GEvM
NJK 2001, 22

Uitspraak

Vonnis d.d. 13-02-2001

Zaaknr. 27655.-

1e blad.-

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ASSEN

Vonnis van de Eerste enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 20 maart 2000,

toegevoegd advocaat mr. C.W. Langereis,

procureur mr. H.J. de Ruijter,

t e g e n

de openbare rechtspersoon REGIOPOLITIE DRENTHE,

gevestigd te 9404 KK Assen, Tuinstraat 17,

gedaagde bij gemelde dagvaarding,

advocaat mr. L.J.F.E. de Wijkerslooth,

procureur mr. J.G. Besling.

OVERWEGINGEN

1. Het procesverloop

1.1 Eiser heeft bij conclusie van eis, onder overlegging van producties, gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat gedaagde aansprakelijk is voor de door eiser geleden en nog te lijden schade, alsmede gedaagde zal veroordelen tot het betalen aan eiser van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede gedaagde zal veroordelen tot het betalen aan eiser van een voorschot op de nader vast te stellen schade ter hoogte van f. 10.000,00, één en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

1.2 Gedaagde -verder te noemen Regiopolitie- heeft een conclusie van antwoord genomen, ertoe strekkende dat de rechtbank eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vordering zal afwijzen, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding.

1.3 Partijen hebben van repliek en dupliek gediend en meer producties in het geding gebracht.

1.4 Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten waarvan de rechtbank voorshands uitgaat

De rechtbank zal de aan partijen bekende politieambtenaren aanduiden met een letter.

2.1. Tijdens hun gezamenlijke surveillancedienst op vrijdag 11 december 1998 omstreeks 9.30 uur kregen (onder anderen) [A], brigadier van regiopolitie Drenthe en [B], hoofdagent van regiopolitie Drenthe, per mobilofoon de melding dat het postagentschap in de C1000 gevestigd in het winkelcentrum De Weide in Hoogeveen overvallen werd door twee gewapende mannen.

Ter plaatse aangekomen, stelde [A] zich op achter een dalvormige muur, waarvan het links van hem zijnde gedeelte naar schatting (door eiser in het geding gebrachte foto's 5 en 6) ongeveer 1.80 à 2.00 meter hoog is, terwijl het lage midden ongeveer kniehoog is. Aan zijn rechterzijde bevond zich iets naar voren gelegen de horecagelegenheid WhipInn, het laatste pand van de winkelrij, waarvan de Mitra de eerste is.

[B] stelde zich op achter een meer naar links gelegen korter muurtje. Genoemde muurtjes vormen min of meer een afbakening tussen het winkelplein en daarom heen gegroepeerde parkeerplaatsen. Tussen de muren en parkeerplaatsen is nog een ruimte voor voetgangers.

2.2. De C1000 bevond zich vanaf de lokatie van [A] gezien aan de linkeroverzijde van het winkelplein. Het zicht op de uitgang van de C1000 werd belemmerd door een partij ervoor staande kerstbomen.

In de aan de rechteroverzijde gelegen denkbeeldige hoek tussen Kapsalon De Weide en de Mitra begint een rechts vanaf het winkelplein gelegen smalle winkelstraat, waaraan, geheel onttrokken aan het zicht van de beide politieambtenaren vanaf hun positie, onder andere een filiaal van de Rabobank is gelegen.

2.3. [A] en [B] hebben ervoor gezorgd dat hun komst voor de overvallers onopgemerkt bleef. In elk geval [A] heeft het in zijn nabijheid op het winkelplein aanwezige publiek door middel van gebaren en sissende geluiden kenbaar gemaakt dat het plein moest worden verlaten, waaraan gevolg werd gegeven. Door iets luider roepen en gebaren met zijn dienstpistool heeft [A] aan zich vóór de C1000 bevindende mensen kenbaar gemaakt dat een overval gaande was en dat zij het plein moesten verlaten, wat die mensen deden.

2.4. Eiser heeft omstreeks die tijd eerdergenoemd filiaal van de Rabobank verlaten en arriveerde met zijn fiets bij de Mitra op het winkelplein. Daar heeft hij begrepen dat een overval gaande was, doch niet waar dat gebeurde. Kort daarop zag hij dat tumult ontstond bij de ingang van de C1000, waarna hij een man hoorde zeggen dat er een overval was en iedereen aan de kant moest gaan. Eiser wilde zich zo snel mogelijk verwijderen en begaf zich daartoe fietsend langs de winkels in de richting van de als politieman herkenbare [A], daar veiligheid verwachtend.

2.5. [B] en [A] hebben zich, ervan uitgaande dat het winkelplein leeg was, volledig geconcentreerd op de uit de C1000 gekomen twee overvallers die het winkelplein haastig lopend schuin overstaken in de richting van de WhipInn, op de hoek van het winkelplein. Zij zagen dat de kleinste van de twee overvallers een vuurwapen in de hand had. [A] riep de overvallers ter aanhouding toe: "Stop politie, staan blijven of ik schiet". De kleinste overvaller knielde daarop en richtte zijn vuurwapen op [A], waarna deze direct gericht op deze overvaller heeft geschoten, zonder eerst een waarschuwingsschot af te vuren.

De grootste overvaller vervolgde zijn weg (van [A] af) en bewoog een hand nabij zijn broeksband. [A] heeft daarop gericht op deze overvaller geschoten; de afgevuurde kogel miste de overvaller maar belandde in het linkerbovenbeen van de aanrijdende eiser, die met zijn fiets te vallen kwam voor speelgoedwinkel De Wigwam, grenzend aan de WhipInn.

Noch [A] noch [B] heeft eiser het plein zien opkomen en zien fietsen in de richting van [A]. De afstand tussen de hoek van de Mitra tot midden voor De Wigwam bedraagt naar schatting ongeveer 25 meter. Het zicht op dit traject was voor de politieambtenaren onbelemmerd.

2.6. [A]'s derde schot op de grootste overvaller miste doel.

De kleinste overvaller heeft zich vervolgens zonder meer laten aanhouden. De van het winkelplein weggevluchte grote overvaller is kort nadien in de omgeving door andere politieambtenaren aangehouden.

2.7. Het gehele voorval heeft zich afgespeeld binnen zeer korte tijd, hooguit een minuut tussen het moment dat eiser en kort daarna de overvallers het plein op waren gekomen en het derde schot van [A].

2.8. De kogel zit nog steeds in eisers been en wel in het bot, ongeveer 5 cm boven de knie.

2.9. Regiopolitie heeft geweigerd eisers schade te vergoeden.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.1. Gelet op de stellingen van partijen dient de rechtbank te beoordelen of Regiopolitie gehouden is de door eiser geleden en nog te lijden schade als gevolg van de hem door de politiekogel toegebrachte verwonding te vergoeden.

3.1.2. Eiser heeft aan zijn vordering een door de politie jegens hem gepleegde onrechtmatige daad ten grondslag gelegd. Volgens eiser had de politie niet mogen schieten onder andere omdat de politie onvoldoende rekening heeft gehouden met publiek, collega's van [A] en [B] zouden hebben kunnen zorgen voor aanhouding, terwijl het fatale schot niet gerechtvaardigd was omdat de betreffende overvaller vluchtte en [A] niet bedreigde. Verder zou Regiopolitie onvoldoende getraind personeel waaronder [A] op straat sturen, waardoor burgers een groter gevaar lopen dan waarmee zij rekening hoeven te houden. 3.1.3. Regiopolitie is de mening toegedaan dat het schieten op grond van de ambtsinstructies gerechtvaardigd was, zowel ter aanhouding van de overvallers als ter verdediging tegen eventuele beschieting door de overvallers, terwijl de politieambtenaren zich ervan zou hebben vergewist dat niemand meer op het plein aanwezig was en [A] en [B] niet wisten dat collega's voor aanhouding zouden kunnen zorgen, zodat van een onrechtmatige daad geen sprake is en Regiopolitie dus niet gehouden is eisers schade te vergoeden. [A] zou voldoende schiettraining hebben gehad, wel vijf keer in plaats van de gebruikelijke vier keer per jaar, bovendien met 100% resultaat.

3.2. Vast staat, dat door de aan eiser toegebrachte schotverwonding inbreuk is gemaakt op zijn lichamelijke integriteit, waarvoor hij geen toestemming heeft gegeven. Aannemelijk is ook dat eiser daardoor schade heeft geleden en mogelijk nog zal lijden. De omvang daarvan is in deze procedure nog niet bekend gemaakt.

3.3. Partijen hebben zich uitgeput in stellingen met betrekking tot de vraag of de politie al dan niet een onrechtmatige daad jegens eiser heeft gepleegd door in de gegeven omstandigheden te schieten.

Het is op zich zelf juist dat de politie een onrechtmatige daad jegens eiser gepleegd zou hebben indien het schieten niet rechtens gerechtvaardigd was en om die reden gehouden zou zijn eisers schade te vergoeden.

3.4. De rechtbank laat echter onderzoek naar de (on-)rechtmatigheid van het schieten en de aan [A] en [B] gegeven trainingen achterwege, omdat zij het voor de beoordeling van de vordering van eiser overbodig acht om uit te maken of de politie in de gegeven omstandigheden wel of niet had mogen schieten.

Die vraag is namelijk niet de enig bepalende voor de beslissing of Regiopolitie gehouden is tot schadevergoeding.

De rechtbank is op grond van artikel 48 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering gehouden de rechtsgronden zonodig aan te vullen, indien het door eiser gestelde daarvoor voldoende aanknopingspunten biedt.

Waar het mede om gaat is of Regiopolitie de schade moet vergoeden die de politie eiser, (geen verdachte laat staan vuurwapengevaarlijke overvaller doch) een toevallige passant, in de uitoefening van haar overheidstaak heeft toegebracht ook al zou het schieten op de overvallers op zich gerechtvaardigd zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat van een normaal maatschappelijk risico geen sprake is en dat eiser door het plaatsgevonden hebbend overheidsoptreden onevenredig is benadeeld. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat eiser de schade die veroorzaakt is door dat overheidsoptreden zou dienen te dragen. Deze schade moet worden begrepen onder de kosten van de uitoefening van de overheidstaak en dient dus door de overheid gedragen te worden.

Aangezien [A] als ondergeschikte door Regiopolitie is ingezet ter uitoefening van overheidstaken - waaronder het handhaven van de openbare orde en van de bepalingen van de Wetboeken van strafrecht en strafvordering - is Regiopolitie jegens eiser aansprakelijk voor de schade als gevolg van de wijze waarop [A] zijn taken heeft vervuld.

Regiopolitie heeft door te weigeren eisers schade te vergoeden een onrechtmatige daad jegens hem gepleegd, omdat die weigering in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer tegenover eiser betaamt en die ook door overheidsorganen zoals Regiopolitie in acht moet worden genomen.

3.5. De rechtbank leest in de stellingen van Regiopolitie een beroep op eigen schuld van eiser.

Voorzover Regiopolitie heeft bedoeld dat eiser geen aanspraak kan maken op (volledige) schadevergoeding omdat hij zichzelf aan het gevaar dat hij gewond zou worden heeft blootgesteld doordat hij zich naar [A] begaf in plaats van zich in andere richting van het plein te verwijderen, komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Het lag gezien vanuit de positie van eiser niet voor de hand dat de overvallers in de richting van de (voor eiser zichtbaar opgestelde) politie zouden vluchten; de mogelijkheid dat zij zouden vluchten in de richting van het straatje waar eiser juist was uitgekomen was niet uitgesloten, zodat de keuze van eiser om zich bij de politie in veiligheid te brengen zo al niet voor de hand liggend was, dan toch een keuze was waarvan hem rechtens geen verwijt gemaakt kan worden.

Er is dan ook geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht van Regiopolitie te verminderen.

De gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar.

3.6. Regiopolitie heeft tevens gesteld dat eiser zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zijn vorderingen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot daarop moeten worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn schade vooralsnog niet behoefde te specificeren en nader te onderbouwen, omdat allereerst de aansprakelijkheid van Regiopolitie moest worden vastgesteld. Nu dat is gebeurd, zal eiser in de gelegenheid worden gesteld in elk geval zijn tot nu toe geleden schade nader te onderbouwen bij conclusie, nu Regiopolitie de omvang van de schade wegens gebrek aan onderbouwing heeft betwist. Indien inmiddels een medische eindtoestand is bereikt zou wellicht in plaats van een voorschot meteen eisers totale schade kunnen worden vastgesteld.

Regiopolitie zal uiteraard kunnen reageren op eisers nadere onderbouwing.

BESLISSINGEN

De rechtbank:

1. Verwijst de zaak naar de rol van de eerste enkelvoudige kamer van dinsdag 13 maart 2001 voor het nemen van een nadere conclusie door eiser, waarin deze in elk geval zijn tot dusverre geleden schade dient te onderbouwen, zoveel mogelijk gestaafd door schriftelijke bewijsstukken (ambtshalve peremptoir).

Regiopolitie zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren bij antwoord nadere conclusie.

2. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Gewezen door mr. A. Rombouts-Nieuwstraten, bijgestaan door mr. E.H.G. Kwakman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 13 februari 2001, en door de rechter en de griffier voornoemd ondertekend.

Typ: LB

Coll: