Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AA9763

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/76
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Kenmerk: 01 / 76 BOUWB P01 G02

U I T S P R A A K

Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster], zetelende te [woonplaats], verzoekster,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2000 heeft verweerder aan de [vergunninghouder] te [woonplaats] vergun-ning verleend voor het slopen van een woning, winkel en autoboxen op de plaatselijk bekende percelen Alteveerstraat 52 en 54 te Hoogeveen.

Namens verzoekster is bij brief van 9 januari 2001 tegen dit besluit bij verweer-der bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 januari 2001 is namens verzoekster aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit verzoek is bij brief van 11 januari 2001 herhaald c.q. gehandhaafd.

Verweerder heeft bij brief van 19 januari 2001 de gedingstukken alsmede een verweer-schrift ingezonden.

Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 26 januari 2001, alwaar -daartoe ambtshalve opgeroepen- namens verzoekster zijn verschenen [gemachtigden]. Zij hebben het verzoek nader toegelicht.

Voor verweerder zijn verschenen -daartoe ambtshalve opgeroepen- [gemachtigden], medewerkers bouw- en woningtoezicht van de gemeente Hoog-eveen. Zij hebben het standpunt van verweerder nader uiteen gezet.

Tenslotte is -daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen- [vergunninghouder], vergunninghouder, ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht-bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de president de volgende feiten en omstandigheden.

[Vergunninghouder] (verder te noemen: [vergunninghouder]) heeft op 22 november 2000 bij verweerder een aanvraag om een sloopvergunning ingediend voor de sloop van een woonhuis, winkel en autoboxen aan de Alteveerstraat 52 en 54 te Hoogeveen, kadastraal bekend gemeente Hoog-eveen, sectie O, nummer 4673.

In de aanvraag heeft [vergunninghouder] onder meer aangegeven dat op hetzelfde perceel als het te slopen bouwwerk een bestaand bouwwerk zal worden uitgebreid en dat de daartoe vereiste bouwvergun-ning in november-december 2000 zal worden aangevraagd.

Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2000 heeft verweerder de gevraagde sloopver-gunning verleend.

Daartoe heeft verweerder overwogen dat er, het bepaalde in artikel 8.1.6. van de gemeentelijke bouwverordening in aanmerking nemende, geen argumenten zijn om de sloopvergunning te weigeren, zodat deze vergun-ning derhalve dient te worden verleend.

Namens verzoekster is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Standpunten van partijen

Verzoekster hecht veel historische waarde aan -met name- het woonhuis. Dit woonhuis is ook bekend onder de naam 'den Klunderenberg'.

Zij wil dit pand graag behouden als historische meerwaarde voor de gemeente Hoogeveen.

Het is de wens van verzoekster dat het boerderijpand in zijn oorspronkelij-ke oude staat wordt hersteld en wordt ondergebracht in een rijks- of gemeentelijk monument.

Verzoekster geeft aan geen bezwaar te hebben tegen de sloop van het pand op het perceel Alteveerstraat 52.

Tenslotte wijst verzoekster er op dat jaarlijks tijdens de open monumenten-dag bij een rondgang door de gemeente Hoogeveen aandacht wordt besteed aan het boerderijpand op het perceel Alteveerstraat 54.

Ter zitting is namens verzoekster nog gewezen op een met verweerder gemaakte afspraak dat zij omtrent elke bouw- en sloopaanvraag zoals bij verweerder ingediend zal worden geïnformeerd, hetgeen in casu niet is gebeurd.

Verweerder voert aan dat de aanvraag om een sloopvergunning is getoetst aan artikel 8.1.6 van de gemeentelijke bouwverordening, dat twee van de aldaar gestelde voorwaarden worden gewaarborgd door in de sloopvergunning opgeno-men voorwaarden en dat de overige voorwaar-den van artikel 8.1.6 van de gemeentelijke bouwverordening zich niet voordoen.

Verweerder is van mening dat er daarom geen argumenten zijn om de sloopver-gunning te weigeren en dat de sloopvergunning derhalve is verleend.

[Vergunninghouder] heeft ter zitting aangegeven dat het pand door tientallen verbou-wingen en sloopwerk-zaamheden die sedert 1920 hebben plaatsgevonden volledig is veranderd.

Hij is van mening dat thans een perceel grond rest waarop een woning staat zonder karakteristiek achterhuis, waarvan de voormuur is voorzien van stucwerk en waarvan alle andere delen zijn gesloopt/gemoderniseerd. In zijn visie betreft het een totaal geruïneerd pand, daar waar het de cultuurhis-to-rische waarde betreft.

Tenslotte heeft [vergunninghouder] nog aangevoerd dat door verzoekster nimmer contact met hem is gezocht teneinde te overleggen.

Beoordeling

De president dient in deze de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden de gevraagde sloopvergunning heeft verleend, toege-spitst op het gedeelte van de sloopvergun-ning aangaande het woonhuis (alteveerstraat 54) aangezien verzoekster daartegen bezwaren heeft.

Daartoe overweegt hij het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8 van de Woningwet bevat een door de gemeenteraad vast te stellen bouwverordening onder meer voorschriften omtrent het slopen.

Op grond van artikel 8.1.1, lid 1, van de bouwverordening is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burge-meester en wethouders.

Artikel 8.1.6 van de bouwverordening luidt als volgt:

'Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:

a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaar-borgd;

c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinci-ale of een gemeentelij-ke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorberei-dingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.'

Met verweerder stelt de president vast dat zich in casu geen weigerings-grond als verwoord in artikel 8.1.6 van de bouwverordening voordoet.

Zo zijn ten aanzien van de onder a en b van artikel 8.1.6 verwoorde weigeringsgronden voor-schriften in de sloopvergunning opgenomen.

Daarnaast is uit het verhandelde ter zitting gebleken dat een vergunning ingevolge de Monumen-tenwet 1988, dan wel een provinciale of een gemeente-lijke verordening niet is vereist, aangezien het pand niet de status van monument heeft en -zo is gebleken- ook geen pogingen zijn ondernomen om het pand van deze status te voorzien.

Hieruit volgt dat verweerder in beginsel gehouden was de gevraagde sloop-vergunning te verlenen. Dit kan onder omstandigheden anders zijn wanneer verweerder door het (op dit moment) verlenen van de sloopvergunning in strijd zou hebben gehandeld met één of meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In dit licht moet naar het oordeel van de president het ter zitting namens verzoekster aangedra-gen argument worden verstaan, inhoudende een beroep op de met verweerder gemaakte afspraak dat zij reeds van de aanvraag om een sloopvergunning op de hoogte zou moeten zijn gesteld.

Verweerder heeft ter zitting het bestaan van deze afspraak bevestigd en erkend dat dit in casu fout is gegaan.

De president is van oordeel dat verweerder, door in het onderhavige geval de met verzoekster gemaakte afspraken niet na te komen, onzorgvuldig heeft gehandeld.

Hierbij tekent de president aan dat de gemaakte afspraak, zoals deze ter zitting is geschetst, in het licht van de doelstelling van verzoekster alleszins werkbaar is en wellicht procedures als de onderhavige kan voorkomen.

Uitgaande van de onzorgvuldigheid van verweerders handelen ziet de presi-dent zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of deze onzorgvuldig-heid zover gaat, dat verweerder om die reden (op dit moment) niet tot het verlenen van de sloopvergunning had mogen besluiten.

De president beantwoordt deze vraag ontkennend, nu naar zijn oordeel overleg met verzoekster in een eerder stadium, hetgeen door verzoekster met de met verweerder gemaakte afspraak is beoogd, niet tot een ander resultaat zou hebben geleid.

In dit opzicht acht de president met name redengevend het feit dat 'den Klunderenberg' bij de in het najaar van 1990 gehouden monumenteninventari-satie in de laagste klasse is geplaatst en er geen aanleiding is gezien het pand een rijks- dan wel een gemeentelijke 'monumentenstatus' toe te kennen.

Daarnaast zijn namens verzoekster geen argumenten aangedragen die een bijzondere (bouwkun-dige) status van het pand als zodanig aantonen. Volstaan is met het benadrukken van een aantal historische feiten aangaande 'den Klunderenberg'. Eventuele bijzondere bouwkundige aspecten zijn -zo is ter zitting gebleken- zijdens verzoekster niet onderzocht (bijvoorbeeld door een bezichtiging) en aangevoerd en ook anderszins zijn dergelijke aspecten niet gebleken. Bovendien is duidelijk geworden dat [vergunninghouder] het vaste voornemen heeft om het pand te slopen, zodat overleg in der minne naar alle waarschijnlijkheid niet tot een ander resultaat zou hebben geleid, of alsnog zal leiden.

Alles overziende is de president dan ook van oordeel dat verweerder tot het verlenen van de sloopvergunning heeft kunnen besluiten.

Aangezien er ook overigens geen redenen zijn waarom de houdbaarheid van het bestreden besluit in bezwaar negatief zou moeten worden ingeschat dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

De president ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De president:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, fungerend president en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus, griffier.

mr. W.P. Claus mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op:

typ: jw