Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2001:AA9261

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
03-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
19.830160-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak dd.: 03 januari 2001

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ASSEN

STRAFVONNIS van de meervoudige kamer in de ter terechtzitting gevoegde zaken van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Hoogeveen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober, 8 november en 20 december 2000.

De verdachte is telkens verschenen en werd telkens bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.

TENLASTELEGGINGEN

De verdachte is ingevolge ter terechtzitting van 4 oktober 2000 gevoegde zaken onder meer bij dagvaarding onder parketnummer 19.830160-00 tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 20 maart 2000 te Assen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer opsporingsambtenaren van Regiopolitie Drenthe heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) dreigend toegevoegd,

- dat de Walther (vuurwapen) van (een van) die opsporingsambtena(a)r(en) niet voldoende zou zijn, wanneer verdachte zijn vuurwapen zou gebruiken en/of

- dat verdachte niet zou schromen om zijn vuurwapen tegen die opsporingsambtena(a)r(en) te gebruiken en/of

- dat die opsporingsambtena(a)r(en) bang zou(den) worden wanneer verdachte zijn wapens zou gaan gebruiken en/of

- dat het de laatste keer was geweest dat verdachte zonder ongelukken door de politie was aangehouden en/of

- dat er een dag zou komen dat verdachte zijn ogen zou sluiten en zou doen wat hij moest doen en/of

- dat verdachte dan zo veel mogelijk schade zou toebrengen aan diegene die hem controleerde en/of lastig viel

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

In de zaak onder parketnummer 19/830160-00 is aan verdachte bedreiging met een levensdelict, gericht tegen een of meer opsporingsambtenaren van Regiopolitie Drenthe, tenlastegelegd.

De bedreigingen zouden zijn geuit nadat verdachte was staande gehouden door verbalisanten. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 20 maart 2000 bevat omtrent de reden van staande houden de volgende passage:

"Op 12 maart 2000, omstreeks 18.34 uur, hielden wij, verbalisanten, op de Oldambtstraat ter hoogte van nummer 5 een personenauto staande. Dit omdat de verzekering van de personenauto verlopen was. In de auto zaten drie mannen van Antilliaanse afkomst. Dit waren de voor ons bekende [namen van de drie mannen]."

Uit het proces-verbaal blijkt verder dat de auto volgens de bestuurder wel verzekerd was. Omdat hij dit niet kon aantonen werd de auto in beslag genomen. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat verdachte diezelfde avond op het politiebureau verscheen en een bewijs van verzekering liet zien, waarna de auto werd meegegeven.

Het eveneens op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 25 mei 2000 vermeldt omtrent de reden van het geven van het stopteken het volgende:

"Op 20 maart 2000 te omstreeks 18.34 uur zagen de collega's (...) dat er met een personenauto gereden werd over de Vaart Zuidzijde in Assen. De auto (...) reed in de richting van Baggelhuizen en in de auto bevonden zich drie personen. Zij zagen dat dit een voor hun bekende auto was en wisten dat deze auto onder andere gebruikt werd door verdachte voornoemd.

Het was hun tevens bekend dat verdachte vermoedelijk in het bezit van een vuurwapen was. Deze informatie was middels een aandachtsvestiging aan het bureau van de politie aan de collega's bekend gemaakt. Verder was bekend dat verdachte antecedenten had voor onder andere poging doodslag en dat hij op 6 mei 1998 met een vuurwapen op een persoon had geschoten in de coffeeshop [naam coffeeshop] te Assen. In verband met het bovenstaande besloten verbalisanten de inzittenden van deze personenauto te controleren en vroegen er een tweede auto voor assistentie bij."

In het proces-verbaal van 25 mei 2000 wordt aan het slot opgemerkt:

"De reden van de controle op de Oldambtstraat was niet het onverzekerd zijn van de auto waarin onder andere verdachte meereed. Dit bleek pas bij de controle. In het proces-verbaal van de collega's (...) staat dit abusievelijk wel vermeld. De reden van de controle staat in het onderhavige proces-verbaal vermeld."

Uit het proces-verbaal van 25 mei 2000 blijkt dat het proces-verbaal van 20 maart 2000, in ieder geval voor wat betreft de reden voor het geven van een stopteken, in strijd met de waarheid is opgemaakt. Een dergelijke handelwijze had als gevolg kunnen hebben dat het recht van de verdachte om de rechtmatigheid van het optreden van opsporingsfunctionarissen door de rechter te laten toetsen gefrustreerd zou worden. Dit gevolg is dankzij het proces-verbaal van 25 mei 2000 - waarin alsnog openheid van zaken werd gegeven - niet ingetreden.

Redenerend vanuit de belangen van de verdachte zou gesteld kunnen worden dat het verzuim hersteld is. Voor de rechtbank vormt dit echter onvoldoende reden om het vormverzuim ongesanctioneerd te laten.

Het belang van een juiste weergave van feiten in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal strekt zich namelijk verder uit dan het verdedigingsbelang in deze concrete zaak. Immers: in het Nederlandse strafprocesrecht spelen processen-verbaal opgemaakt door de politie een belangrijke rol. Volgens artikel 339 jo. 344 Sv kunnen ze als bewijsmiddel worden aangemerkt, hetgeen in de dagelijkse rechtspraktijk ook veelvuldig gebeurt. Resultaten van het opsporingsonderzoek - zoals vermeld in het proces-verbaal - worden in de regel tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet uitvoerig getoetst, door bijvoorbeeld het herhalen van onderzoekshandelingen op de zitting. Zo worden getuigen die bij de politie zijn gehoord in de regel niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting opnieuw gehoord.

Het gegeven dat het proces-verbaal kan worden aangemerkt als bewijsmiddel en het feit dat de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde feiten op de zitting in de regel niet uitvoerig gecontroleerd wordt, maakt dat de politie met de grootst mogelijke zorgvuldigheid haar processen-verbaal dient op te stellen. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het niet zorgvuldig opstellen van een proces-verbaal consequenties moeten worden verbonden. Daar waar die onzorgvuldigheid zo ver gaat dat deze bestaat in het opzettelijk in strijd met de waarheid opstellen van dat proces-verbaal, wordt volgens de rechtbank het belang van een waarheidsgetrouwe weergave van de feiten in het proces-verbaal zozeer miskend dat hierop de zwaarste processuele sanctie dient te volgen die het strafprocesrecht kent, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank zal het openbaar ministerie met betrekking tot parketnummer 19/830160-00 dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.

(………………………………………..)

DE BESLISSING VAN DE RECHTBANK LUIDT:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte onder parketnummer 19.830160-00 parketnummers: 19.820020-00 en 19.830160-00

(...................)

Dit vonnis is gewezen door mr. E. van der Herberg, voorzitter en mrs. H. Wolthuis en J.D. den Hartog, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 03 januari 2001.-