Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2000:AF0167

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
99/32 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat uit het jaarverslag kan worden geconcludeerd dat een substantiële verhoging van het salaris voor de onderneming niet verantwoord is en dat een verandering van werkkring, met een hoger salaris, niet mogelijk is, omdat de specifieke kennis, contacten en dergelijke van de saniet voor de onderneming van vitaal belang zijn.

De rechtbank overweegt dat van de saniet verwacht mag worden dat hij gedurende een looptijd van de schuldsaneringsregeling een maximale inspanning levert om ten behoeve van zijn schuldeisers geld in de boedel te brengen.

Het belang van het bedrijf van zijn zoon is daaraan ondergeschikt. De rechtbank deelt derhalve niet het standpunt van de bewindvoerder dat gelet op het bedrijfsbelang niet gevergd kan worden dat hij omziet naar een betere gesalarieerde betrekking.

De rechtbank acht niet op voorhand uitgesloten dat saniet, gelet op zijn leeftijd, zich op de huidige arbeidsmarkt een beter betaalde baan verwerft, mits hij zich daarvoor voldoende inspant.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs niet verwacht mag worden dat de saniet niet gedeeltelijk aan zijn verplichtingen kan voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beeindiging schuldsanering

Arrondissementsrechtbank te Assen,

Vonnis van de eerste enkelvoudige kamer

Bij vonnis van deze kamer van 11 mei 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

X.,

geboren op ... wonende te P.

1. De gang van zaken

1.1.De rechtbank heeft bij vonnissen van 11 mei 1999 het faillissement van de heer X. (uitgesproken op 9 januari 1996) omgezet in een schuldsaneringsregeling en tevens de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken van zijn echtgenote, mevrouw Y.

1.2. Op 7 april 2000 hebben de sanieten alsmede de bewindvoerder de rechtbank verzocht een datum voor de behandeling van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling vast te stellen, aangezien redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat X. , en Y. geheel of gedeeltelijk aan hun verplichtingen kunnen voldoen. In de schuldsaneringsregeling is nog geen datum voor de verificatievergadering bepaald.

1.3. De rechtbank heeft bij beschikking van 5 september 2000 de datum van de beëindigingszitting bepaald op 26 september 2000.

1.4. Ter zitting van 26 september 2000 heeft de rechtbank de beslissing aangehouden teneinde de bewindvoerder in staat te stellen nader onderzoek te verrichten, en om de sanieten in staat te stellen aan te tonen dat gedurende de toepassing van de saneringsregeling geen nieuwe schulden onbetaald waren gebleven.

1.5. Het verzoek is andermaal behandeld ter zitting van 24 oktober 2000, alwaar zijn verschenen mw. F. Roose namens de bewindvoerder, en de sanieten.

1.6. De rechter-commissaris heeft de rechtbank geadviseerd de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

2. De relevante feiten

2.1. X. , geboren ... , heeft tot het op 9 januari 1996 uitgesproken faillissement in de vorm van een commanditaire vennootschap een reparatiebedrijf in schepen en motoren uitgeoefend aan de ...

2.2. Op 1 januari 1996 is opgericht Z.-B.V., gevestigd aan de ... Enig aandeelhou- der is A. , geboren ..., zoon van X. : X. is directeur van dit bedrijf in scheepsreparaties. Hij verdient het minimumloon.

2.3.X. is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met Y.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge artikel 354 van de Faillissementswet (Fw), derde lid, beëindigt de rechtbank ingeval de terechtzitting is bepaald ingevolge artikel 352 Fw, tweede lid -zoals hier het geval is- de schuldsanering slechts indien redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat de schuldenaar geheel of gedeeltelijk aan zijn verplichtingen kan voldoen en van de omstandigheden als bedoeld in artikel 250 Fw, de onderdelen c, d of e, niet is gebleken.

3.2. De bewindvoerder heeft het jaarverslag over 1999 van Z.-B.V-overgelegd, waaruit blijkt dat het resultaat na belastingen van genoemde BV over 1999 f. 75.912,04 bedraagt. Deze winst is benut om de negatieve algemene reserve aan de passiefzijde van de balans te verlagen tot f. 35.033,40 per 31 december 1999.

3.3. De bewindvoerder heeft aangevoerd dat uit dit jaarverslag kan worden geconcludeerd dat een substantiële verhoging van het salaris voor de onderneming niet verantwoord is en dat een verandering van werkkring, met een hoger salaris, niet mogelijk is, omdat de specifieke kennis, contacten en dergelijke van de heer X. voor de onderneming van vitaal belang zijn.

3.4. De rechtbank overweegt dat van de saniet verwacht mag worden dat hij gedurende een looptijd van de schuldsaneringsregeling een.-maximale inspanning levert om ten behoeve van zijn schuldeisers geld in de boedel te brengen.

Het belang van het bedrijf de zoon van X. (zo dit al niet feitelijk als het bedrijf van A. moet worden aangemerkt) is daaraan ondergeschikt. De rechtbank deelt derhalve niet het standpunt van de bewindvoerder dat gelet op het bedrijfsbelang van X. niet gevergd kan worden dat hij omziet naar een betere gesalarieerde betrekking.

De rechtbank acht, anders dat de heer X. zelf, niet op voorhand uitgesloten dat saniet, gelet op zijn leeftijd, zich op de huidige arbeidsmarkt een beter betaalde baan verwerft, mits hij zich daarvoor voldoende inspant.

3.5. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs niet verwacht mag worden dat de heer X. niet gedeeltelijk aan zijn verplichtingen kan voldoen.

Daar komt nog hij dat de indien het resultaat van de vennootschap zich op een wijze ontwikkelt dat in 1999 het geval is, de rechtbank niet inziet waarom de heer X. zich geen hoger salaris zou kunnen toekennen. Niet valt in te zien waarom versterking van de vermogenspositie van de vennootschap voor zou dienen te gaan boven belangen van de schuldeisers van X.

De rechtbank acht derhalve geen termen voor toewijzing van zijn verzoek aanwezig.

3.6. Voor mevrouw Y. geldt dat zij, ingevolge artikel 313 juncto 63 Fw meedeelt in het lot van haar echtgenoot erg dat ook haar verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet voor inwilliging vatbaar is.

3.7. Mitsdien zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging afwijzen. Op grond van artikel 354 Fw, vierde lid, dient zij een datum voor de verificatievergadering te bepalen.

Beslissingen

De rechtbank:

1. Wijst het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling af.

2. Bepaalt dat de verificatievergadering gehouden zal worden op woensdag 28 februari 2001 te 09.00 uur.

Gewezen door mr J.H. Kuiper, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 31 oktober 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.