Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2000:AA9055

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99 / 735 HOREC P09 G03
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Achtste enkelvoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 99 / 735 HOREC P09 G03

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiser] hodn Bar Dancing Lord Nelson, wonende te [woonplaats], eiser,

en

de burgemeester van de gemeente Coevorden, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser, gericht tegen het besluit van 3 juni 1999 tot sluiting van horeca-inrichting "Lord Nelson" voor de duur van drie maanden, ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 21 september 1999 is namens eiser op 28 oktober 1999 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft bij brief van 31 december 1999 een verweer-schrift ingezonden. In het verweer-schrift heeft verweerder aangegeven dat de op de zaak betrekking hebbende stukken reeds in de zaken met procedurenummers AWB 99/388 WET P07 G07 en 99/555 HOREC P07 G07 (voorlopige voorzieningen) zijn overge-legd. Deze stukken worden bij partijen als bekend veronder-steld.

Partijen hebben afschriften van de overige gedingstukken ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de achtste enkelvoudige kamer van de rechtbank op 9 november 2000, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. N. de Vries. Voor verweerder zijn de heer [gemachtigde] en [gemachtigde] verschenen.

II. Motivering

a. Feiten

Eiser exploiteert Bar Dancing Lord Nelson te Coevorden.

Op 28 mei 1999 heeft de politie Drenthe in deze een onderzoek ingesteld. Daarbij zijn een aantal aanwezigen gehoord en van deze verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt. Blijkens deze processen-verbaal is bij de inval in Bar Dancing Lord Nelson in totaal ongeveer 15 gram cocaïne aangetroffen bij verschillende personen en op verschillende plaatsen.

Ook van het onderzoek als geheel is door een brigadier van politie op 31 mei 1999 proces-verbaal opge-maakt. Daaruit blijkt dat al langere tijd bekend was dat door bezoekers en personeel van Bar dancing Lord Nelson drugs gebruikt werd en dat met name het cocaïnegebruik door de eigenaar, portier, barman en een ander perso-neelslid reden was voor het onderzoek. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat ten tijde van de inval 12 personen in de horecagelegenheid aanwezig waren en dat bij zeven aanwezigen cocaïne werd aangetroffen van in totaal circa 15 gram en dat de bovenverdie-ping - waar blijkens de afdeling bevolking van de gemeente Coevorden niemand staat ingeschreven - is ingericht als gebruikers-ruimte.

Eiser heeft op 2 juni 1999 een reactie gegeven op het voornemen van verweerder om het horecabedrijf tijdelijk te sluiten. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij zich inspant dat geen gebruikers in zijn zaak komen en dat hij niet schuldig is aan de aanwezigheid van cocaïne in zijn bedrijf.

Bij besluit van 3 juni 1999 heeft verweerder meegedeeld dat het horecabedrijf op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden, ingaande 4 juni 1999, wordt gesloten. Ter motivering van dit besluit is gewezen op de bevindingen van het politieonderzoek, waaruit, gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne en de vindplaatsen daarvan, is af te leiden dat er sprake is van een voorraad bestemd voor de handel. Tevens is volgens verweerder gebleken van een ingerichte gebruikersruim-te in het pand. Naar het oordeel van verweerder is eiser als exploitant van de horecagelegenheid hiervoor verantwoordelijk te houden. Ten aanzien van de duur van de sluiting is in dit besluit opgemerkt dat het de bedoeling is de toeloop van potentiële (drugs-)klanten naar het horecabedrijf definitief te verstoren en dat de gemeente Coevorden ter zake nog geen beleid heeft ontwikkeld en om die reden niet tot sluiting voor een jaar is overge-gaan.

Tegen het besluit van 3 juni 1999 is namens eiser op 22 juni 1999 bezwaar gemaakt. Eiser stelt dat hij niet kan voorkomen dat gasten cocaïne bij zich hebben. Eiser geeft in zijn bezwaarschrift voorts aan dat er geen cocaïne is aangetrof-fen op plaatsen waar alleen personeel kan komen en dat de bovenverdie-ping niet tot het bedrijf behoort. Ook meent eiser dat niet is gebleken dat de op de bovenverdieping gevonden voorwer-pen zijn gebruikt voor het (voorbereiden van) gebruik van cocaïne. Volgens eiser wordt er in Bar Dancing Lord Nelson geen drugs verkocht of gedoogd. Hij meent verder dat een sluiting geen zin heeft nu niet blijkt dat sprake is van een toeloop van drugsklan-ten naar Bar Dancing Lord Nelson.

Eiser heeft op 22 juni 1999 de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is op 13 juli 1999 afgewezen, omdat het volgens de president voldoende aanneme-lijk is geworden dat de in artikel 13b van de Opiumwet opgenomen voorwaar-de voor toepassing van bestuursdwang is vervuld en de sluiting voor drie maanden niet oneven-redig is.

Nadat eiser op 18 augustus 1999 in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren mondeling voor de Commissie voor de rechtsbescherming toe te lichten, van welke mogelijkheid hij in het bijzijn van zijn gemachtigde gebruik heeft gemaakt, heeft de commissie verweerder geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. De commissie is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat er gelet op de hoeveelheid in het horecabedrijf aangetrof-fen cocaïne sprake is van een voor de handel bestemde voorraad. De commissie heeft daarbij in overweging genomen dat de personen bij wie de cocaïne is aangetroffen tot de vaste klantenkring behoorden en bovendien incidenteel werkzaamheden voor het bedrijf verrichtten. Naar het oordeel van de commissie heeft eiser gehandeld in strijd met de Opiumwet en heeft de burge-meester in redelijkheid kunnen besluiten tot sluiting voor drie maanden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie en de uitspraak van de president van de rechtbank, het bezwaarschrift ongegrond verklaard en geweigerd eiser een vergoeding toe te kennen voor schade en kosten juridische bijstand.

b. Standpunten partijen

Eiser stelt dat uit de processen-verbaal is gebleken dat in het café geen drugs werden verkocht, verstrekt of afgeleverd. Dat, gelet op de meer dan gebruikelijke hoeveelheid die bij een persoon is gevonden, in theorie kan worden aangenomen dat deze persoon een hoeveelheid cocaïne voor de handel bij zich had, brengt niet mee dat die handel vanuit het café plaatsvond. Eiser wist niet dat de personen drugs op zak hadden en de door de politie gehoorde getuigen hebben aangege-ven dat geen drugs werd gebruikt in het café, laat staan verkocht of verhandeld. Volgens eiser is het proces-verbaal van bevindingen van brigadier [politiebeambte] in hoge mate suggestief en staat het bol van de geruchten waarvoor geen bewijs is aangedragen. Eiser geeft aan dat hij nooit is gewaarschuwd en dat de opgelegde sluiting voor drie maanden disproportioneel is.

Verweerder stelt dat bij een van de regelmatige bezoekers een hoeveelheid cocaïne is aangetrof-fen die ruim de gebruikelijke hoeveelheid voor eigen gebruik overtreft en dat op basis van het aanwezig zijn van een dergelijke hoeveelheid kan worden aangenomen dat het bestemd is voor de handel. Voorts heeft verweerder gesteld dat een van de aanwezigen heeft gezegd regelmatig op de bovenverdieping te verblijven en daar cocaïne te gebruiken. Verder wijst verweerder op het feit dat bij diverse - tot de vaste klantenkring behorende - mensen en op diverse plaatsen cocaïne is gevonden en dat dit eiser als exploitant/beheerder is aan te rekenen. Volgens verweerder is algemeen bekend dat het horecabedrijf de aangewezen plaats is om harddrugs te verkrijgen.

Beoordeling

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, dat op 21 april 1999 in werking is getreden, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toeganke-lijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig.

Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort, zo volgt uit artikel 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt. Van deze mogelijkheid, die feitelijk neerkomt op sluiting van de desbetref-fende inrichting, heeft verweerder in de onderhavige zaak gebruik gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar dateren van na de inwerkingtreding van artikel 13b van de Opiumwet, zodat verweerder dat artikel, bij gebreke van overgangsrecht, in de genoemde besluiten terecht als grondslag heeft vermeld. De rechtbank zal allereerst dienen te beoordelen of voldaan is aan de voorwaar-den van artikel 13b van de Opiumwet. Pas indien hiervan sprake is, komt de rechtbank toe aan de vraag of verweer-der van zijn uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voortvloeien-de bevoegdheid een redelijk gebruik heeft gemaakt.

Vaststaat dat Bar Dancing Lord Nelson een voor het publiek toegankelijke ruimte is als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Eveneens staat vast dat de bij Bar Dancing Lord Nelson aangetrof-fen cocaïne een middel is als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet. Dit betekent dat slechts beoordeeld dient te worden of de aangetroffen cocaïne gericht was op verkoop, levering of verstrekking.

Uit de processen-verbaal die zijn gemaakt van de verhoren van de ten tijde van de inval in Bar Dancing Lord Nelson aanwezige personen blijkt dat in totaal ongeveer 15 gram cocaïne is aange-troffen bij verschillende personen en op verschillende plaatsen. Zo is bij drie personen één pakketje aangetroffen, zijn bij één persoon drie pakketjes aangetroffen en zijn bij één persoon 11 zakjes en een zakje met dertien puntjes aangetroffen. Verder werd, zo blijkt uit de processen-verbaal, cocaïne aangetroffen in een jasje gelegen in het magazijn (twee pakketjes), op de grond (een flesje) en achter de bar in een handtas (onder meer 2 pakketjes).

Uit het proces-verbaal dat van het totale onderzoek is opgemaakt blijkt voorts dat ten tijde van de inval bij meer dan de helft van de aanwezigen cocaïne werd aangetroffen van in totaal ongeveer 15 gram. Vermeld wordt dat in een handtas, toebehorend aan een personeelslid, een glazen flesje met cocaïne, een pakketje cocaïne en een snuifkoker is aangetroffen, dat in een kast achter de bar twee pakketjes cocaïne werden aangetroffen en dat in het magazijn een jas werd aangetrof-fen met vier pakketjes cocaïne.

Hoewel de feiten uit de verschillende processen-verbaal niet geheel overeenkomen, staat volgens de rechtbank wel vast - en zulks wordt door partijen ook niet betwist - dat bij in ieder geval één van de bezoekers een hoeveelheid cocaïne is aangetrof-fen die ruim de gebruikelijke hoeveel-heid voor eigen gebruik overtreft. In dit verband wijst de rechtbank er op dat uit de door deze persoon afgelegde verklaring blijkt dat hij 6 gram cocaïne bij zich had, terwijl de gebruikelijke hoeveel-heid voor eigen gebruik 0,5 gram bedraagt. Aange-nomen kan dan ook worden dat deze hoeveel-heid bestemd was voor de verkoop, levering of verstrekking als bedoeld in artikel 13b van de Opium-wet. Deze conclusie is, blijkens de brief van 1 februari 2000, ook getrokken door de officier van Justitie. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de hier bedoelde hoeveel-heid in porties (11 zakjes en een zakje met dertien puntjes) was verdeeld, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook een aanwijzing inhoudt dat het ging om een voorraad bestemd voor de handel.

Verdere aanwijzingen dat sprake is van het aanwezig zijn van cocaïne voor de handel acht de rechtbank gelegen in de omstandigheid dat de cocaïne op meerdere plaatsen in Bar Dancing Lord Nelson is aangetroffen en dat de cocaïne onder meer is gevonden bij mensen die gerekend

kunnen worden tot de zeer vaste klantenkring.

Gelet op het vooroverwogene acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat er in het Bar Dancing Lord Nelson cocaïne aanwezig was gericht op verkoop, aflevering of verstrekking als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Dat, zoals door de gemachtigde van eiser ter zitting is gesteld, de onderhavige feiten niet tot een strafrechtelijke vervolging hebben geleid, maakt dit oordeel niet anders. De seponering vindt zijn grondslag, zo blijkt uit de stukken, in de omstandig-heid dat een andere dan de strafrechtelijke weg is aangewezen, te weten de hier aan de orde zijnde bestuursrechtelijke weg. Een dergelijke benaderingswijze is in overeenstem-ming met de bedoeling van de wetgever, blijkende uit de wetsgeschiedenis behorende bij de Wet van 18 maart 1999 tot wijziging van de Opiumwet (Stb. 1999, 167).

Nu voldaan is aan de in artikel 13b van de Opiumwet gestelde voorwaarden was verweerder bevoegd tot toepassing van bestuursdwang over te gaan. Aangezien het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid dient beoordeeld te worden of verweerder hiervan een redelijk gebruik heeft gemaakt door tot een onmiddellijke sluiting voor drie maanden over te gaan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ten tijde hier in geding terzake nog geen beleid tot stand had gebracht. Verweer-der heeft ter zitting aangegeven dat gekozen is voor de kortst mogelijke periode om het beoogde doel - de toeloop van potentiële drugsklanten naar het horecabedrijf definitief te verstoren - te bereiken. Verweerder heeft voorts aangegeven dat ingevolge het huidige beleid een sluiting voor een jaar zou zijn opgelegd.

De rechtbank meent dat gelet op de aard en de ernst van de onderhavige feiten en het met de sluiting beoogde doel de opgelegde sluiting voor drie maanden niet onevenredig is. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de geconstateerde feiten eiser zijn aan te rekenen, nu hij als exploitant van Bar Dancing Lord Nelson een zekere verantwoordelijkheid voor de gang van zaken draagt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van zijn bevoegd-heid tot het toepassen van bestuurs-dwang in redelijkheid gebruik gemaakt. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuurs-recht te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Evenmin is er aanleiding verweerder te veroorde-len tot vergoeding van de (eventueel) door eiser geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek ex artikel 8:73 van de Awb af.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belangheb-bende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroep-schrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzen-ding van de uitspraak door de grif-fier.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. T.F. Bruinenberg, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobé, griffier.

mr. L.M. Tobé mr. T.F. Bruinenberg

Afschrift verzonden op:

typ: JO