Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2000:AA8990

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
19.830091-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer : 19.830091-00

uitspraak dd.: 13 december 2000

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ASSEN

STRAFVONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1929,

wonende te [adres verdachte]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op

29 november 2000.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Grollé, advocaat te Hoogeveen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 14 april 2000 te Nieuwlande, gemeente Hoogeveen, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld (een medewerkster van) de Rabobank heeft gedwongen

tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan Rabobank Hoogeveen, kantoor Nieuwlande of aan een derde,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij,

verdachte,

- het bankgebouw, waarin die medewerkster aanwezig was, is binnengegaan,

terwijl zijn gezicht/hoofd (gedeeltelijk) was bedekt met een bivakmuts,

althans een dergelijk voorwerp en/of

- een mes, althans een voorwerp, zichtbaar voor die medewerkster heeft

vastgehouden en/of

- dreigend dat mes/voorwerp op die medewerkster heeft gericht en/of

- die medewerkster dreigend heeft toegevoegd: "Ik wil geld", althans

"En nu geld", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 14 april 2000 te Nieuwlande, gemeente Hoogeveen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Rabobank Hoogeveen,

kantoor Nieuwlande, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen een medewerkster van die rechthebbende(n),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij,

verdachte,

- het bankgebouw, waarin die medewerkster aanwezig was, is binnengegaan,

terwijl zijn gezicht/hoofd (gedeeltelijk) was bedekt met een bivakmuts,

althans een dergelijk voorwerp en/of

- een mes, althans een voorwerp, zichtbaar voor die medewerkster heeft

vastgehouden en/of

- dreigend dat mes/voorwerp op die medewerkster heeft gericht en/of

- die medewerkster dreigend heeft toegevoegd: "Ik wil geld", althans

"En nu geld", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht door de inhoud van deze bewijsmiddelen, waarop de hierna te vermelden beslissing steunt, wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 14 april 2000 te Nieuwlande, gemeente Hoogeveen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een medewerkster van de Rabobank heeft gedwongen

tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan Rabobank Hoogeveen, kantoor Nieuwlande welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte,

- het bankgebouw, waarin die medewerkster aanwezig was, is binnengegaan, terwijl zijn gezicht/hoofd was bedekt met een bivakmuts, en

- een voorwerp zichtbaar voor die medewerkster heeft vastgehouden en

- die medewerkster dreigend heeft toegevoegd: "Ik wil geld", althans "En nu geld";

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID

De rechtbank acht verdachte te dezer zake strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit.

- de omstandigheden waaronder dit is begaan.

- hetgeen de rechtbank is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

- de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 29 april 2000.

- het aanbod van verdachte tot het verrichten van onbetaalde arbeid, bestaande uit werkzaamheden welke voorkomen op de door de Stichting Reclassering Nederland, arrondissementen Assen en/of Zutphen, overgelegde lijst.

- de bereidheid van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissementen Assen en/of Zutphen, verdachte op korte termijn de onbetaalde arbeid te doen verrichten.

De rechtbank heeft overwogen verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan een gedeelte groot drie maanden onvoorwaardelijk.

De rechtbank is op grond van genoemde feiten en omstandigheden echter van oordeel dat in dit geval, mede gezien het door verdachte gedane aanbod, naast het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf aanleiding is voor het opleggen van de straf van onbetaalde arbeid in plaats van de overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

MOTIVERING MAATREGEL

De rechtbank acht de hierna te vermelden inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor de op te leggen maatregel van onttrekking aan het verkeer, aangezien het voorwerpen zijn met behulp waarvan het feit is begaan, terwijl het aan de dader toebehorende mes, dat bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit is aangetroffen kan dienen tot het begaan van een soortgelijk feit, terwijl de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN:

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 27, 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING VAN DE RECHTBANK LUIDT:

verklaart bewezen, dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door verdachte is begaan;

stelt vast, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld;

verklaart verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

een gevangenisstraf voor de tijd van negen maanden;

beveelt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering van het Leger des Heils, zolang deze instelling zulks onder goedkeuring van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissementen Assen en/of Zutphen, nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht;

het verrichten van 140 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van de overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden;

bepaalt dat de arbeid zal bestaan uit werkzaamheden welke voorkomen op de door de Stichting Reclassering Nederland, arrondissementen Assen en/of Zutphen, overgelegde lijst;

stelt de termijn binnen welke de onbetaalde arbeid dient te zijn aangevangen op 3 maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden en stelt de termijn binnen welke de arbeid na aanvang dient te zijn verricht op 9 maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde verrichting van onbetaalde arbeid in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

1 mes, 1 bivakmuts, 1 plastic zak, 1 rol zwarte tape, 1 zwart fietspompje;

gelast de teruggave aan: veroordeelde van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 blauw regenpak, een paar beige schoenen;

gelast de teruggave aan: de Rabobank Hoogeveen, kantoor Nieuwlande van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een videoband;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter en mrs. J.J. Schoemaker en A.M.E. van der Sluijs, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 december 2000.-