Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2000:AA8733

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/791
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Kenmerken: 00 / 791 en 00 / 833 GEMWT P02 G01

U I T S P R A A K

Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

[verzoekers] beiden wonende te [woonplaats], verzoekers

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft verweerder geweigerd bestuursdwang toe te passen betreffende vijf illegaal geplaatste caravans en de daarbij behorende infrastructuur op het terrein van het recreatiecentrum De Noordster te Dwingeloo.

Bij brief van 31 juli 2000 is namens verzoekers tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 augustus 2000, verzonden op 25 september 2000, heeft verweerder aan het Recreatiecentrum De Noordster ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de openluchtre-creatie (Wor) vergunning verleend voor het houden van een kampeerplaats voor maximaal 460 kampeermiddelen.

Bij brief van 20 oktober 2000 is tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van eveneens 20 oktober 2000 is tevens aan de president van de recht-bank verzocht om terzake van zowel het besluit van 21 juli 2000 als het besluit van 29 augustus 2000 toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 31 oktober 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweer-schrift ingezonden.

Verzoeker en verweerder hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.

[eigenaar], exploitante van het Recreatiecentrum De Noordster, heeft zich als partij in de gedingen gemeld.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting op 23 november 2000, alwaar verzoekers [verzoekers] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. T. ter Brugge, advocate te Groningen.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde [gemachtigde], medewerker van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Welzijn van de gemeente Westerveld.

Namens het Recreatiecentrum De Noordster, vergunninghouder, zijn versche-nen, [directeuren], respec-tievelijk di-recteur van "De Noordster" en algemeen directeur van [eigenaar], bijgestaan door mr. P. van Duiven-voorde, advocaat te Amsterdam.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht-bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten

Verzoekers bezitten sinds geruime tijd recreatiebungalows ("Stille Wille" en "De Foekel") op het terrein van het Receatiecentrum De Noordster, welke zij ook regelmatig gebruiken. Verweerders rechtsvoorganger, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dwingeloo, heeft op 15 december 1989 aan dit recreatiecentrum ingevolge artikel 14, eerste lid, van de (destijds geldende) Kampeerwet een vergunning verleend voor het houden van een kampeer-plaats in de zin van die wet voor maximaal 462 kampeermiddelen.

Op 15 december 1997 heeft [directeur] namens het Recreatiecentrum De Noordster bij verweer-der vergunning aangevraagd voor een kampeerexploi-tatievergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wor.

In januari 2000 heeft verweerder in het huis-aan-huis-blad "De Westervelder" de ontwerp-vergun-ning - ingevolge de Wor - van "De Noordster" gepubliceerd.

Naar aanleiding van vragen van de zijde van verzoekers omtrent de aanleg en inrichting van standplaatsen voor (zes) stacaravans in de buurt van voornoemde recreatiebungalows, heeft verweerder bij brief van 24 mei 2000 de directeur [directeur] van het Recreatiecentrum De Noordster geïnfor-meerd over de in gang gezette procedure ter verkrijging van een exploita-tievergunning ingevolge de Wor en de te volgen planologische procedure ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Verweerder heeft verzocht om indiening van een uitgewerkt plan en er op gewezen dat niet eerder tot plaatsing van de caravans mag worden overgegaan dan nadat eerder genoemde procedures zijn afgerond.

Recreatiecentrum De Noordster heeft naar aanleiding van deze brief een inrichtingstekening bij verweerder ingediend.

Het recreatiecentrum heeft begin juni vijf stacaravans geplaatst.

Op 28 juni 2000 heeft verweerder door publicatie in "De Wester-velder" bekend gemaakt dat aan Recreatiecentrum De Noordster vergunning is verleend als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wor.

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft verweerder geweigerd bestuursdwang toe te passen betreffende vijf illegaal geplaatste caravans en de daarbij behorende infrastructuur op het terrein van het recreatiecentrum De Noordster te Dwingeloo.

Onder intrekking van de publicatie van 19 januari 2000 heeft verweerder in "De Westervelder" van 9 augustus 2000 bekend gemaakt dat een herziene ontwerp-vergunning ingevolge de Wor ten behoeve van het Recreatiecentrum De Noordster ter inzage ligt.

Bij vonnis van de president in het civiele kort geding van 25 augustus 2000 zijn de door verzoe-kers gevraagde maatregelen, onder meer in de vorm van een gebod tot verwijdering van de reeds geplaatste (vijf) stacaravans en een verbod tot het plaatsen en geplaatst houden van de zesde caravan, geweigerd.

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft verweerder ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor vergunning verleend aan het Recreatiecen-trum De Noordster. Dit besluit is bij brief van 25 september 2000 bekend gemaakt. Hiertegen hebben verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt.

Standpunten partijen

Verzoekers stellen dat de plaatsing van de stacaravans in strijd is met het geldende bestem-mingsplan, omdat het bestemmingsplan niet rechtsgeldig is uitgewerkt als bedoeld in artikel 11 van de WRO, en met de Wor. Zij stellen voorts dat een bouwvergunning is vereist.

Verzoekers vragen de president een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende een schorsing van de vergunning ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor alsmede verweerder op te dragen bestuursdwang toe te passen ten aanzien van de vijf reeds geplaatste caravans.

Verweerder stelt dat het toepassen van bestuursdwang achterwege kan blijven, indien een illegale situatie alsnog kan worden gelegaliseerd. Inmiddels is vergunning op grond van de Wor verleend, zodat geen illegale situatie meer aanwezig is. Verweerder wijst erop dat sprake is van continuering van het uit de oude exploitatievergunning overgeno-men maximaal aantal jaarplaat-sen van 50 in de nieuwe exploitatievergunning.

Met betrekking tot het geldende bestemmingsplan en de daarin ten aanzien van onderhavige bestemming opgenomen uitwerkingsverplichting stelt verweer-der dat daarbij een bouwverbod ontbreekt. Voor het plaatsen van de stacaravans op een kampeerterrein is geen bouwvergunning vereist. De toetsing aan het geldende bestemmingsplan dient, aldus verweerder, beperkt te blijven tot de vraag of het gebruik in overeenstemming is met de bestemming, hetgeen volgens verweerder het geval is.

Namens vergunninghouder is het spoedeisend belang betwist, terwijl er voorts op gewezen is dat sprake is van voortzetting van eerder vergunde rechten. Voorts is gesteld dat, gelet op de inmiddels verleende vergunning op grond van de Wor, in ieder geval geen bouwvergunning (meer) is vereist. Vergunninghouder is van mening dat handhavend optreden niet (meer) aan de orde kan zijn, nu er geen strijd (meer) is met wettelijke voorschriften.

Toepasselijke regelgeving

Het Recreatiecentrum De Noordster ligt op gronden die ingevolge het bestemmingsplan "Buiten-gebieden 1971" van de (voormalige) gemeente Dwinge-loo zijn bestemd voor recreatieve doeleinden, aangewezen voor "bebouwing ten dienste van verblijfsrekreatie (KK)". Deze gronden mogen ingevolge artikel 12, eerste lid, van de voorschriften voor wat betreft bebouwing slechts worden gebruikt voor het oprichten en in stand houden van gebouwen, welke naar hun aard slechts kunnen worden bestemd en ingericht als zomerhuisjes met bijbehorende gebouwen ten dienste van de kampeerrecreatie, voor het plaatsen van stacaravans, alsmede per terrein een hoofdgebouw en voor het oprichten en in stand houden van andere bouwwerken, voor zover deze verband houden met de bestemming van deze gronden. Dit dient plaats te vinden overeen-komstig de uitwerking van het bestemmingsplan ingevolge paragraaf 1 van hoofdstuk 11.

In paragraaf 1 is onder artikel 23, eerste lid, van de voorschriften bepaald dat burgemeester en wethouders voor gronden bestemd voor recreatie-ve doeleinden, aangewezen voor "bebouwing ten dienste van verblijfsrekrea-tie c.a (KK)" een of meer uitgewerkte plannen vaststellen.

Blijkens artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wor wordt onder kampeermid-del verstaan: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nacht-verblijf.

In het derde lid van artikel 1 van de Wor is bepaald dat, ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is vereist.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergun-ning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

In artikel 10, eerste lid, van de Wor is bepaald dat een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts kan worden verleend indien (b.) de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

In artikel 39, eerste lid, van de Wor is bepaald dat vergunningen, vrij-stellingen en ontheffingen verleend op grond van de artikelen 14, 21, 22 en 27 van de Kampeerwet gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de artikelen 8 en 13 tot en met 16 van kracht blijven, voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien aanvragen, ingediend in de periode genoemd in het eerste lid, voor vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in artikel 8, ten behoeve van kampeerterreinen waarvoor vergunning, vrijstelling of ontheffing is verleend op grond van de artikelen 14, 21 of 22 van de Kampeerwet, zouden moeten worden geweigerd uitsluitend wegens strijd met een goedgekeurd bestemmingsplan of het ontbreken daarvan, burgemeester en wethouders niettemin de gevraagde vergunning, vrijstelling of ontheffing verlenen. Ten aanzien van een hernieuwde aanvraag volgen burgemeester en wethouders een zelfde handels-wijze.

Overwegingen

Met betrekking tot het in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang, overweegt de president dat verzoekers in dezen niet elk (spoedeisend) belang kan worden ontzegd, maar dat van grote urgentie of zwaarwegende belangen in dit verband geen sprake is. Hierbij is overwogen dat aannemelijk is geworden dat de stacaravans in deze periode tot eind maart 2001 niet worden verhuurd en verzoekers alleen bij verblijf in hun recreatiebungalows vanaf 1 november tot het voorjaar uitsluitend in weekends en schoolvakanties in hun belangen worden geraakt door het hebben van uitzicht op de stacaravans. Desalniettemin kan er toch aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien sprake is van besluiten, waarvan met een grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat deze in rechte niet kunnen worden gehandhaafd. Naar het oordeel van het president is hiervan geen sprake. Hiertoe heeft de president het volgende overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige caravans kampeermid-delen zijn in de zin van de Wor. Voorts staat niet ter discussie dat de overgangsregeling van artikel 39 van de Wor in casu niet (meer) van toepassing is, nu de aanvraag van het Recreatiecentrum De Noordster is ingediend na het verstrijken van de twee jaren genoemd in dit artikel.

Het geschil spitst zich toe op de beant-woording van de vraag of verweerder ingevolge de Wor een exploitatievergun-ning heeft kunnen verle-nen, zonder dat de bestem-ming recreatieve doeleinden door verweerder overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 van de bestem-mingsplanvoor-schriften is uitgewerkt.

-Naar het oordeel van de president heeft verweerder op goede gronden aan het Recrea-tiecentrum De Noordster een exploitatievergun-ning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wor verleend, nu "de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitslui-tend (...) als kampeer-terrein is aangewezen" (artikel 10, eerste lid, sub b, van de Wor). Uit de parlemen-taire geschiedenis van de Wor heeft de president niet anders kunnen afleiden dan dat de als kampeer-terrein bedoelde gronden ingevolge het geldende bestemmingsplan als zodanig een positieve bestemming dienen te hebben en dat gemeente omtrent de invulling hiervan meer vrijhe-den zijn gegeven dan onder de inmiddels vervallen Kampeerwet.

Nu het terrein van het Recreatiecentrum De Noordster sinds jaar en dag als kampeerterrein in gebruik is en eveneens - in ieder geval sinds het huidige bestemmingsplan en blijkens de toelichting hiervan ook daarvoor - in het kader van de WRO is bestemd voor recreatieve doeleinden (ver-blijfsrecreatie), is daarmee voldaan aan het doel en de strekking van artikel 10, eerste lid, sub b, van de Wor. Een uitwerkingsverplichting van de geldende bestemming - die in casu betrekking heeft op de bebouwing van het terrein - doet niet af aan de reeds bij het bestemmingsplan zelf gegeven recreatieve bestemming, en kan dus niet (tevens) worden gezien als een nader vereiste voor de mogelijke toepassing van artikel 10 van de Wor. Gelet op het systeem van de Wor, waarbij met name wordt verwezen naar artikel 1, derde lid, juncto artikel 8, eerste lid en artikel 10, eerste lid, sub b, is de conclusie dan ook gerechtvaar-digd dat verweerder de exploitatievergun-ning kon verlenen. Anders dan verzoekers menen is voor de plaatsing van de stacaravans onder deze omstandigheden geen bouwvergun-ning vereist (artikel 1, derde lid, van de Wor).

Een verplichting tot het toepassen van bestuursdwang is hiermee dus van de baan.

De in artikel 8, eerste lid, juncto artikel 10, eerste lid, van de Wor, aan verweerder gegeven bevoegdheid laat niettemin ruimte open voor een afweging van de belangen van verzoekers tegenover de belangen van het recreatiecentrum, met name gericht op de inrichting van het terrein. Daarbij staat niet zozeer het maximum aantal kampeermiddelen ter discussie - dat aantal is al sinds geruime tijd niet gewijzigd - doch wel de uit de thans gerealiseerde plaatsing van vijf caravans voor verzoekers beweerdelijk voortvloeiende hinder en uitzichtverlies. In het kader van de herover-weging zal verweerder zich hierover nader dienen uit te laten, waarbij de mogelijkheid bestaat dat ter zake voorschriften aan de vergunning worden verbonden. De president ziet hierin op voorhand evenwel geen reden te verwachten dat de exploitatie-vergunning alsnog zal worden geweigerd.

Uit het vorenstaande volgt derhalve dat er geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding voor een proceskostenveroorde-ling van verweerder.

III. Beslissing

De president:

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, fungerend president en uitgesproken in het

openbaar op 30 november 2000

door mr. J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. J.S. van der Kolk

Afschrift verzonden op:

typ: mh