Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2000:AA8731

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
29-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/497
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Zevende meervoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerken: 99 / 482 BELEI P11 G02

99 / 487 BELEI P11 G02

99 / 488 BELEI P11 G02

99 / 493 BELEI P11 G02

99 / 494 BELEI P11 G02

99 / 495 BELEI P11 G02

99 / 497 BELEI P11 G02

U I T S P R A A K

In de gedingen tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser sub 1 (zaaknr 99/482),

[eiser], wonende te [woonplaats], gemachtigde mr. O.C. Struif, advocaat te Assen,eiser sub 2 (zaaknr 99/487),

[eisers], wonende te [woonplaats], eisers sub 3 (zaaknr 99/488)

[eiser], wonende te [woonplaats], gemachtigde mw. mr. M.S. Bruggemans, eiser sub 4 (zaaknr 99/493)

[eiseres], gevestigd te [woonplaats], vertegenwoordigd door [maat], eiseres sub 5 (zaaknr 99/494)

[eiseres], gevestigd te [woonplaats], vertegenwoordigd door [gemachtigde], eiseres sub 6 (zaaknr 99/495)

[eisers], wonende te [woonplaats], eisers sub 7 (zaaknr 99/497)

en

het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe, verweerder.

I. Procesverloop

Eisers en eiseressen hebben beroep ingesteld respectievelijk doen instellen tegen het besluit van verweerder van 8 juni 1999.

Verweerder heeft de gedingstukken, voorzien van een verweerschrift, ingezonden.

Op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank het Water-schap Wold en Wieden in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen, van welke gelegenheid het waterschap gebruik heeft gemaakt.

Partijen hebben -voor zover niet door hen ingediend- de beschikking gekregen over een afschrift van de gedingstukken.

De mondelinge behandeling van het beroep is verwezen naar een zitting van een meervoudige kamer.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de zevende meervoudige kamer van de rechtbank op 10 november 2000.

Eiser sub 1 is in persoon verschenen.

Eiser sub 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. O.C. Struif.

Eisers sub 3 zijn in persoon verschenen.

Eiser sub 4 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mw. mr. M.S. Brugge-mans.

Eiseres sub 5 is niet verschenen.

Eiseres sub 6 is verschenen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door de gemach-tigde mr. O.C. Struif.

Eisers sub 7 is zijn in persoon verschenen.

Voor verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [gemachtigde] -na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen-, ambtenaren in dienst van de provincie Drenthe.

Het waterschap Reest en Wieden, zijnde de rechtsopvolger van het waterschap Wold en Wieden, heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], hoofd van de afdeling Onderzoek en planvorming van het waterschap.

Partijen hebben hun standpunt toegelicht en desgevraagd nadere inlichtingen verschaft.

II. Motivering

Feiten

De rechtbank legt de volgende feiten aan haar beslissing ten grondslag en waardeert deze daarbij voorzover dat dienstig is voor die beslissing.

Het bestuur van het Waterschap Wold en Wieden heeft op 30 september 1997 het integraal waterbeheersplan waterschap Wold en Wieden, Drentse deel, (IWBP) vastgesteld. In dit IWBP geeft het waterschap aan hoe het, als waterbeheerder, het strategisch beleid van de rijks- en provincia-le overheid vertaalt in operationeel beleid en beheer van oppervlaktewater en (freatisch) grondwater.

Voor het deelgebied Vledder- en Wapserveense Aa, heeft het bestuur van het waterschap gekozen voor natuurontwikkeling in het brongebied van de Vledder Aa, waarbij het waterschap tot lange-termijn-streefbeeld heeft geformuleerd dat voor het brongebied van de Vledder Aa, na eenmalig ingrijpen, natuurlijke processen zoals kwel, overstroming en begrazing sturend zijn voor de natuur.

Om dit streefbeeld te bereiken wordt in het IWBP een aantal maatregelen aangekondigd. Eén van deze maatregelen is de afdamming van de Tilgrup ten zuiden van de Bosweg. Volgens het plan staat de aanvoer van water uit de Drentse Hoofdvaart via de Tilgrup het bereiken van het Streefbeeld van een zo natuurlijk mogelijk afvoerpatroon in de weg.

De Tilgrup heeft thans een belangrijke functie in de wateraanvoer en -afvoer.

In het plan wordt een aantal compenserende maatregelen voorgesteld voor de landbouwgebieden die thans voor hun wateraanvoer op de Tilgrup zijn aangewezen; voor het gebied rond Zorgvlied wordt geconstateerd dat geen alternatieve aanvoerroute mogelijk is. Als compenserende maatregel wordt aangekondigd dat een schaderegeling zal worden opgesteld.

Bij besluit van 19 maart 1998 heeft verweerder het IWBP goedgekeurd. Tegen dit besluit hebben onder meer eisers sub 2 en sub 3 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 15 maart 1998 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om over de beroepen te oordelen.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het IWBP voor zover betrekking hebbende op de afdamming van de Tilgrup louter van indicatieve aard is zodat dat niet op rechtsgevolg gericht is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voor de daadwerkelijke realisering van dit gedeelte van het IWBP nog uitvoeringsbesluiten genomen dienen te worden die wederom volledig door verweerder zullen worden getoetst.

Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben eisers sub 3 beroep aangetekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarop tot op heden nog niet is beslist.

Ter uitvoering van het IWBP heeft het college van dijkgraaf en heemraden een ontwerpplan opgesteld tot de aanleg en de verbetering van waterstaatswerken in het brongebied Vledder Aa.

Het plan voorziet in het afdammen van de Tilgrup, het hermeanderen van de Tilgrup vanaf de afdamming tot aan de instroom van de Vledder Aa, het dempen van watergangen, met name in de "vork" tussen Vledder Aa en Tilgrup, die hun functie voor aan- en afvoer van water verliezen, het verontdiepen van de watergangen in het gebied Zorgvlied, het verlengen van de Tilgrup (noordelijk gedeelte) naar de Leemdijk en aldaar een gemaal bouwen, een tijdelijk gemaal ten behoeve van de Oude Willem, de Slingegrup inrichten voor wateraanvoer, de kwasloot plaatselijk verbreden en drie opvoergemaaltjes plaatsen en tenslotte een schaderegeling. Nadat het plan gedurende een maand ter inzage is gelegd en binnen die maand een voorlichtingsbijeenkomst en een hoorzitting is gehouden, alsmede een aantal zienswijzen is ingebracht, is op 13 april 1999 de reactienota vastgesteld. Op 11 mei 1999 is het plan door het verenigd college van hoofdingelan-den van het waterschap Wold en Wieden vastgesteld, waarbij de schaderegeling is verruimd.

Bij het thans bestreden besluit van 8 juni 1999 heeft verweerder het besluit van 11 mei 1999 goedgekeurd.

Standpunten van partijen

Bij het weergeven van de standpunten van partijen zal de rechtbank terwille van de overzichtelijk-heid voor partijen de grieven van de eisende partijen en het verweer van verweerder per eisende partij weergeven, ondanks het feit dat verschillende eisers en eiseressen dezelfde grieven naar voren hebben gebracht.

Het betreft de navolgende grieven en verweren.

Eisers sub 1:

a. - de afwatering en het huidig peil is niet gegarandeerd;

b. - de afvoer richting Witte Wijk is een onzekere factor omdat de afvoer richting Meppel onzeker is.

Verweerder is van mening dat het waterschap geen garanties kan geven ten aanzien van het peil, waarbij evenwel het waterschap zich er voor inspant het peil in stand te houden. Met betrekking tot de lozingsmogelijkheden op de Witte Wijk stelt verweerder dat het te realiseren gemaal een capaciteit zal krijgen die bepaald wordt door de huidige, voor het gebied geldende, landbouwkundige normen. Daarnaast wordt de afvoercapaciteit van de Drentsche Hoofdvaart vergroot en kan extra water afgevoerd worden via de provincie Groningen.

Eiser sub 2:

a. - het afdammen van de Tilgrup is in strijd met artikel 1 van de Waterschapswet en de primaire taak van het waterschap;

b. - de afdamming van de Tilgrup is in strijd met het Provinciaal Omgevings Plan (POP) omdat het POP het deelgebied Zorgvlied aanmerkt als landbouwgebied;

c. - de maatregelen zijn in strijd met het convenant Verdrogingsbestrijding, omdat alleen na overeenstemming met betrokkenen maatregelen kunnen worden uitge-voerd; van overeenstemming met betrokkenen is geen sprake;

d. - het bestreden besluit is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijk-heid niet tot het bestreden besluit had mogen komen; er wordt geen rekening gehouden met landbouwbelangen; vervangende wateraanvoer is mogelijk; de uitgangspunten voor de schaderegeling zijn onjuist; beregening uit grondwater is voor weiland niet toegestaan, hierdoor ontstaat eveneens schade.

Verweerder:

ad a. - de wet bevat geen definitie van het begrip waterstaatkundige werken; de door de waterschappen uitgevoerde taak omvat ook de zorg voor natuurwaarden, waarbij de concrete invulling daarvan afhankelijk is van de aan gebieden toegekende gebiedsfunctie; het voormalig Provinciaal waterhuishoudingsplan bepaalt dat voor het watersysteem van de Vledder en Wapserveense Aa natuurontwikkeling als hoofddoelstelling geldt;

ad b. - het POP gaat uit van grondgebonden landbouw op bedrijfseconomische grondslag, maar tegelijkertijd wordt de instandhouding van natuur- en landschapswaarden en de cultuurhistorische hoofdstructuur nagestreefd; aanvoer van oppervlaktewater is geen recht dat gekoppeld is aan een functieduiding; de aanvoer is afhankelijk van de verenigbaarheid met andere belangen;

ad c: - in het convenant wordt gestreefd naar oplossing van het verdrogingsprobleem en dat maatregelen ter bestrijding daarvan geen aantoonbare effecten mogen hebben voor de overige gebruikers; wanneer deze nadelen niet zijn te voorkomen vindt compensatie plaats; overigens is het convenant niet in rechte afdwingbaar;

ad d: - de landbouwkundige gebruiksmogelijkheden van het deelgebied Zorgvlied worden niet aangetast; de relatief beperkte schade wordt ruimhartig gecompenseerd; uitdroging wordt voorkomen door het verontdiepen van watergangen; een alterna-tieve wateraanvoer is niet mogelijk en haalbaar; de schaderegeling is gebaseerd op de landelijk gebruikte HELP-methodiek; het grondgebruik is over de jaren 1996 tot en met 1999 geïnventariseerd en voorgelegd aan alle grondgebruikers; waar nodig zijn voorgestelde wijzigingsvoorstellen verwerkt; in januari 1999 werden het plan en de schaderegeling toegelicht en besproken; alle eigenaren waren hiervoor uitgenodigd; eiser beschikt over een vergunning voor het beregenen van grasland uit oppervlaktewater; voor zo ver schade ontstaat voorziet de schaderegeling in een vergoeding daarvan.

Eisers sub 3:

a. - door het wegvallen van wateraanvoer zal het bedrijf schade ondervinden;

b. - door provinciale staten zijn verwachtingen gewekt dat de aanvoer van oppervlakte-water verzekerd zou zijn;

c. - er is geen schaderegeling overeengekomen met het bedrijf of met de NLTO;

d. - de schaderegeling is niet in de begroting opgenomen.

Verweerder:

ad a. - schade als gevolg van het wegvallen van de wateraanvoer voor ingelanden die een vergunning hebben voor beregening uit oppervlaktewater wordt beoordeeld in het kader van de intrekking van de beregeningsvergunning; schade zal vergoed worden en deze kan benut worden voor de overschakeling naar beregening uit grondwater;

ad b. - in het waterhuishoudingsplan uit 1993 is aangegeven dat de wateraanvoer via de Tilgrup komt te vervallen, maar dat naar alternatieve aanvoermogelijkheden wordt gezocht; onderzoek heeft uitgewezen dat voor Zorgvlied geen alternatief mogelijk is; verwachtingen kunnen niet zijn gewekt;

ad c. - individuele overeenkomsten zijn niet gesloten omdat het besluit voor het gehele gebied Zorgvlied in een zeer gunstige schaderegeling voorziet;

ad. - de kosten van de schaderegeling vormen onderdeel van de projectbegroting.

Eiser sub 4:

het overgaan naar beregening uit grondwater is niet zonder meer mogelijk, omdat dit water te koud is en te veel ijzer bevat; de schaderegeling is onvoldoende afgestemd op de bijzondere positie; bij een afkoopsom blijven de schade-effecten voor de lange termijn bestaan; er is niet onderzocht of er een bron is die voldoende water biedt;

Verweerder:

eiser beschikt over een vergunning voor het onttrekken van oppervlaktewater; bij het intrekken van die vergunning zal eiser schadeloos worden gesteld, waarbij verschil in waterkwaliteit een van de grondslagen is voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding.

Eiseres sub 5:

a. - de afwatering en het huidig peil is niet gegarandeerd;

b. - de lozing in de Witte Wijk is een onzekere factor omdat bij calamiteiten de afvoer richting Meppel onzeker is.

Verweerder:

zie reactie onder eiser sub 1.

Eiseres sub 6:

a. - de verslechtering van het landbouwkundig voorzieningenniveau en de wijze van uitvoering van waterhuishoudkundige werken staan op gespannen voet met het Convenant Verdrogingsbestrijding; er bestaat wel een technisch alternatief voor wateraanvoer, maar met de kosten daarvan is in het project geen rekening gehouden;

b. - de schaderegeling is niet aan individuele landbouwers voorgelegd, noch in over-eenstemming met de landbouwers vastgesteld; het is onduidelijk of de schaderege-ling, gebaseerd op een modelberekening, een realistisch beeld kan geven van de schade op bedrijfsniveau;

c. - op grond van de MINAS-systematiek zijn beregeningsmogelijkheden essentieel; omschakeling naar beregening uit grondwater stuit op teelttechnische problemen en op verhoging van produktiekosten; veehouderijbedrijven hebben geen mogelijk-heden om op onttrekking van grondwater over te gaan.

Verweerder:

ad a. - wanneer verdroging of vernatting optreedt worden alle compenserende maatrege-len geïnventariseerd; voor het gebied Zorgvlied is financiële compensatie het enige alternatief; een alternatieve aanvoer van oppervlaktewater is niet realistisch; een ander traject zal ook een natuurgebied doorsnijden, hetgeen strijdig is met die functie; het aanleggen van een buisleiding is gelet op de daarmee gepaard gaande kosten vanuit een oogpunt van maatschappelijke lasten niet rendabel;

ad b. - de schaderegeling is voorgelegd aan de betrokken ingelanden; aan de hand van de Help-methodiek, waarop de schaderegeling is gebaseerd kan per bedrijf de schade worden bepaald; degenen die een vergunning hebben voor de beregening uit oppervlaktewater en wiens vergunning zal worden ingetrokken zullen schade-loos gesteld worden bij intrekking van de vergunning; daarbij zal ook het verschil in waterkwaliteit worden betrokken;

ad c. - in verband met mogelijke consequenties van de MINAS-systematiek is een evaluatiemoment opgenomen; de schaderegeling wordt binnen vijf jaar geëvalu-eerd; wanneer op dat moment een berekeningsmethode beschikbaar is, die rekening houdt met de effecten van de MINAS-regelgeving en volgens die methode een hogere schade wordt berekend, wordt het verschil uitbetaald; voor veehouderij-bedrijven voorziet de schaderegeling in de vorm van een afkoopsom.

Eisers sub 7:

a. - publicatie en terinzagelegging hebben niet plaatsgevonden volgens de daarvoor geldende voorschriften;

b. - niet alle ingebrachte bedenkingen zijn beantwoord;

c. - de waterstand die kan worden verwacht is niet bekend; van de zijde van het waterschap zijn geen mededelingen gedaan; onduidelijk is of rekening is gehouden met de mogelijkheid van klimaatsverandering;

d. - vernatting van het natuurgebied is niet zonder meer te realiseren met behulp van verhoging van de waterstand; het bosperceel ligt twee tot drie meter hoger dan het land van eiser;

e. - het deelgebied Oude Willem is ten onrechte aangegeven als te verwerven gebied; de huidige agrarische functie blijft dus bestaan;

f. - het dempen van de watersloot aan de noordzijde van het perceel leidt tot water-overlast;

g. - de bermsloten zijn niet berekend op verwerking van doorstromend water; uitwer-king ten koste van de bestaande bermen levert problemen op met de huidige aanplant en de voortuin van de woning zal in niet geringe mate worden verkleind; er zou niet worden onteigend, terwijl dat thans wellicht wel het geval is;

h. - overigens wordt verwezen naar de ingebrachte bedenkingen.

Verweerder:

ad a. - het plan heeft van 18 februari 1999 tot 19 maart 1999 ter inzage gelegen; op 4 maart 1999 is een voorlichtingsbijeenkomst gehouden, waarvan de eigenaren per brief persoonlijk op de hoogte zijn gesteld;

ad b. - de beantwoording van de bedenkingen is goed gemotiveerd en op zorgvuldige wijze geschied;

ad c. - zolang in het deelgebied Oude Willem landbouwkundig grondgebruik bestaat blijft de ontwatering gehandhaafd; het plan voorziet in een definitieve inrichting van waterlopen die zorgdragen voor voldoende drooglegging van gebouwen en wegen en in een afvoer onder vrij verval naar de Vledder A en derhalve niet onder bemaling van het tijdelijk te realiseren gemaal; gezien de hoge ligging van de Oude Willem zijn bij eventuele klimaatsveranderingen geen problemen te verwachten;

ad d. - onderzoek heeft uitgewezen dat het verhogen van peilen of het dempen van waterlopen aanzienlijk bijdraagt aan de verhoging van de grondwaterstand; daarbij is rekening gehouden met voldoende drooglegging van gebouwen, wegen en kampeerterreinen;

ad e. - de verwerving van gronden geschiedt op vrijwillige basis; de huidige agrarische functie blijft bestaan;

ad f. - het waterschap zorgt voor voldoende drooglegging; bezien zal worden of de genoemde waterloop kan worden gedempt; goed overleg met betrokkene staat daarbij voorop;

ad g. - bermsloten worden aangepast voor de afvoer van water; de nadere uitvoering wordt bepaald bij de besteksvoorbereiding; overleg met betrokkenen zal daarbij plaatsvinden met als doel een oplossing te realiseren die de instemming heeft van beide partijen; wanneer dat niet lukt zal op grond van artikel 12 van de Waterstaat-wet een oplossing worden gerealiseerd; dat kan betekenen dat bepaalde verande-ringen aan het perceel geduld zullen moeten worden.

Overwegingen

Onder verwijzing naar het in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 juni 2000 (ARB 2000 nr 408), overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 148 van de Waterschapswet (Wsw) bepaalt: "Buiten de bij de wet aangewezen besluiten zijn, voorzover zulks bij reglement is bepaald aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten slechts onderworpen de besluiten van het waterschapsbestuur die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing en de besluiten van dat bestuur tot de aanleg en verbetering van waterschapswerken door het waterschap".

Ingevolge artikel 149 Wsw, eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten het besluit van het water-schapsbestuur slechts gedeeltelijk goedkeuren of aan dat besluit goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Onder een besluit wordt volgens artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshan-deling.

Tegen een besluit kan ingevolge artikel 8:1 Awb een belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank.

Volgens artikel 8:2 aanhef en onder c Awb zijn van beroep op de rechtbank uitgesloten besluiten, inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

Artikel 151, eerste lid Wsw luidt: In afwijking van artikel 8:2, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep worden ingesteld tegen een besluit van Gedeputeerde Staten inzake goedkeuring.

Artikel 7:1, eerste lid, onder b Awb bepaalt dat alvorens een beroep op de administratieve rechter kan worden ingesteld eerst bezwaar gemaakt moet worden, tenzij het een besluit betreft dat aan goedkeuring is onderworpen.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 11 mei 1999, waarbij het plan door het verenigd college van hoofdingelanden is vastgesteld, de goedkeuring behoeft van het college van Gedeputeerde Staten.

Het besluit van het college van Gedeputeerde Staten heeft tot rechtsgevolg dat het waterschap tot uitvoering van de in het plan neergelegde maatregelen mag overgaan, zodat het bestreden besluit een besluit is in de zin van de Awb.

Gelet op het bepaalde in artikel 151, eerste lid Wsw blijft het bepaalde in artikel 8:2 aanhef en onder c Awb, ongeacht het rechtskarakter van het plan, waaraan bij het bestreden besluit goedkeuring is gehecht, buiten werking, zodat in samenhang met het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, onder b Awb beroep op de rechtbank openstaat.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit in stand kan blijven. Daarbij merkt de rechtbank op dat gelet op het feit dat de Waterschapswet geen materiële eisen stelt aan besluiten van waterschapsbesturen en verweerder, indien goedkeuring van die besluiten vereist is, slechts mag toetsen aan het recht en het algemeen belang, de rechterlijke toets ook terughoudend dient te zijn.

Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de vraag beantwoord dient te worden in hoeverre Gedeputeerde Staten in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat geen sprake is van strijd met het recht of het algemeen belang.

De rechtbank beantwoord deze vraag grotendeels bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Anders dan eiser sub 2 meent, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de door de waterschappen uit te voeren taak niet los gezien kan en mag worden van andere door de overheid te behartigen beleidsterreinen. Een goed waterbeheer zal rekening dienen te houden met functies, die in het kader van de ruimtelijke ordening of natuurbeheer aan gebieden is toegekend.

De verschillende eisende partijen hebben voorts aangevoerd dat het bestreden besluit genomen is in strijd met het POP en het Convenant Verdrogingsbestrijding. Daarnaast wordt bestreden dat er geen alternatieve mogelijkheden voor wateraanvoer zijn en dat de schaderegeling enerzijds onvoldoende is en anderzijds niet afzonderlijk met de betrokken partijen een schaderegeling is getroffen.

De rechtbank deelt verweerders standpunt inzake het POP, het Convenant Verdrogingsbestrijding en het ontbreken van alternatieve wateraanvoer.

Met betrekking tot het POP overweegt de rechtbank dat het gebied Zorgvlied blijkens de bij het POP behorende functiekaart is gelegen in zone II. Daarnaast kent het gebied de aanduiding hydrologisch aandachtsgebied.

Blijkens de doelstelling staat voor het gebied de uitoefening van grondgebonden landbouw op bedrijfseconomische grondslag voorop, waarbij tevens gestreefd wordt naar het instandhouden van de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorische hoofdstructuur. Voor de hydrologi-sche aandachtsgebieden geldt dat waterhuishoudkundige ingrepen beperkt zijn of bijzondere aandacht vergen. Meer in het bijzonder regelt het POP in het gebiedsgerichte deel (hoofdstuk E) onderwerpen die een nadere uitwerking zijn van de algemene uitgangspunten, zoals hierboven aangegeven. Blijkens dit onderdeel geldt als doelstelling voor het gebied West, waarbinnen Zorgvlied is gelegen, het bereiken van en zodanige afstemming tussen landbouw en natuur dat beide functies duurzaam kunnen worden ingevuld. Daarnaast wordt grote betekenis toegekend aan het beekdal Vledder Aa, waarbij een functieverandering van landbouw naar natuur plaats-vindt.

Door het afsluiten van de Tilgrup wordt laatstgenoemde ontwikkeling bereikt.

Weliswaar heeft deze maatregel gevolgen voor het gebied Zorgvlied, maar de rechtbank is van oordeel daarmee niet gezegd kan worden dat daarmee in strijd wordt gehandeld met het POP. De landbouwkundige functie van het gebied blijft op zich gehandhaafd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de huidige maatregelen gekozen zijn uit een aantal tegen elkaar afgewogen alternatieven. Daarbij zijn die alternatieven vanuit de verschillende gezichtspunten beoordeeld. Alles tegen elkaar afwegende is het onderhavige alternatief in de huidig voorgestelde maatrege-len uitgewerkt. Uiteraard had ook een andere keuze gemaakt kunnen worden, maar niet gezegd kan worden dat de huidige keuze niet in redelijkheid gemaakt had mogen worden.

Strijd met het verdrogingsconvenant kan evenmin worden aangenomen. Nog daargelaten welke juridische status aan het convenant gegeven dient te worden, bepaalt het convenant dat, indien andere maatregelen falen, compensatie met geld of grond plaatsvindt.

Het besluit waaraan gedeputeerde staten goedkeuring hebben gegeven voorziet in een compen-serende schade regeling. Dien-aangenaande merkt de rechtbank op dat een algemene schadere-ge-ling is getroffen, gebaseerd op een landelijk geaccepteerde methode, aan de hand waarvan per bedrijf de schade kan worden bepaald. De rechtbank is van oordeel dat over het algemeen een dergelijke regeling aanvaardbaar moet worden geacht. Desalniettemin kunnen zich omstan-digheden voordoen die zodanig zijn dat zij niet vervat kunnen worden onder een algeme-ne regeling.

In dit verband wijst de rechtbank op hetgeen eiser sub 4 naar voren heeft gebracht. Het grondgebruik van eiser sub 4 is, zoals ook ter zitting uitdrukkelijk naar voren is gebracht, zodanig dat de schaderegeling hierin niet voor-ziet.

Niet uitgesloten moet worden geacht dat ook bij andere betrok-kenen bepaalde omstandigheden zich (kunnen) voordoen, die het noodzake-lijk maken af te wijken van de algemene regeling. Gelet op het feit dat in de ontworpen schaderegeling geen mogelijkheden zijn opgenomen die rekening houden met bijzonde-re omstan-digheden, is de rechtbank van oordeel dat gedeputeer-de staten in redelijkheid niet tot goedkeuring van het besluit van 11 mei 1999 hebben kunnen overgaan, althans voor wat betreft het gedeelte van het besluit dat ziet op de goedkeu-ring van de schadere-geling, voorzover daarin niet is voorzien in een hardheidsclausule. Dat bij de intrekking van de beregeningsvergunningen apart de mogelijk te ondervinden schade wordt betrokken doet aan het vorenstaande niet af.

De rechtbank kan eisers niet volgen in de stelling dat er een alternatief voor wateraanvoer naar het gebied Zorgvlied bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen het bedoelde alternatief -gelet op de daarmee gepaard gaande kosten- niet realistisch is.

Met betrekking tot het deelgebied Oude Willem is de rechtbank van oordeel dat het plan voldoende waarborgen bevat voor een voldoende drooglegging. In ieder geval kan niet staande worden gehouden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de in het plan vervatte maatregelen strijdig zouden zijn met het recht of algemeen belang.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de afvoer naar de Witte Wijk.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het plan niet in strijd is met het recht of het algemeen belang, behoudens ten aanzien van de schaderegeling, voor zover deze niet voorziet in een hardheidsclausule.

Met betrekking tot eiseres sub 6 merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat door het bestreden besluit eiseres in het door haar te behartigen algemene en collectieve belang wordt getroffen, zodat eiseres sub 6 niet aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid van de Awb.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wordt als volgt beslist.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van eisers sub 1, 2, 3, 4, 5 en 7 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor wat betreft het gedeelte dat betrekking heeft op de schaderegeling en uitsluitend voor zover daarin niet is voorzien in een hardheidsclausule;

- verklaart eiseres sub 6 niet ontvankelijk.

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eisers gemaakte proceskosten, aan te geven als volgt:

eiser sub 1 ¦ 9,= wegens reiskosten, eiser sub 2 ¦ 1.420,= wegens kosten van rechtsbij-stand (twee te honoreren proceshandelingen, wegingsfactor 1) en ¦ 31,= wegens reiskosten, eisers sub 3 ¦ 16,50 wegens reiskosten, eiser sub 4 ¦ 1.420,= wegens kosten van rechtsbijstand en ¦ 6,= wegens reiskos-ten en eisers sub 7 ¦ 28,80 wegens reiskos-ten;

- bepaalt dat de Provincie Drenthe deze bedragen, alsmede het griffierecht ad ¦ 1800,= in totaal aan eisers sub 1,2,3,4,5,en 7 dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit dient te geschieden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de Raad van State binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van deze uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. H.J. ter Schegget, voorzitter en mrs. A.T. de Kwaasteniet en J.H. Kuiper, rechters, en in het openbaar uitgesproken op

door mr. H.J. ter Schegget, in tegenwoordigheid van mr. W.P. Claus als griffier,

mr. W.P. Claus mr. H.J. ter Schegget

Afschrift verzonden op:

typ: JO