Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/830 en 834 WRO19 P02 G01
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Kenmerk: 00 / 830 WRO19 P02 G01

00 / 834 WRO19 P02 G01

U I T S P R A A K

Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank op de verzoeken om een

voorlopige voorziening in de geschillen tussen:

1. [verzoekers] e.a., allen gevestigd te [woonplaats],

2. [verzoekers] e.a., allen wonende te [woonplaats], verzoekers,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Hoogeveen ingevolge artikel 19 van

de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "De

Wieken-West" voor de vestiging van een asielzoekerscentrum (azc) aan de A.G. Bellstraat te

Hoogeveen. Onder toepassing van deze vrijstelling heeft verweerder bij besluit van 27 oktober

2000 bouwvergunning verleend voor het oprichten van dit azc.

Verzoekers hebben hiertegen bij brieven van achtereenvolgens 30 en 31 oktober 2000 bezwaar

gemaakt.

Tevens hebben zij aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het

bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft op 1 november 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden,

gevolgd bij brief van 8 november 2000 door een verweerschrift.

De gemachtigden van verzoekers hebben hiervan een afschrift ontvangen.

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe is in deze gedingen ambtshalve

als partij aangemerkt. De vergunninghouder, het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang

Asielzoekers (het COA), is in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen.

Hiervan is gebruik gemaakt.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 9 november 2000, alwaar verzoekers zijn

verschenen bij gemachtigden respectievelijk mr. [gemachtigde], advocaat te Amsterdam, en mr.

[gemachtigde], advocaat te Assen.

Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden [gemachtigden], respectievelijk wethouder en medewerker van de gemeente Hoogeveen.

Voorts zijn verschenen [gemachtigde] namens het college van gedeputeerde staten van de

provincie Drenthe en [vergunninghouder], medewerkster van het COA.

II. Motivering

Algemeen.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is

ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of

administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in

de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de

betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de

bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar

beslissing in die procedure.

Naar aanleiding van de door verweerder ter zitting geplaatste opmerkingen dat de verzoekers

onder 1, zijnde de aan dan wel in de omgeving van de A.G. Bellsstraat te Hoogeveen gevestigde

ondernemers, niet als belanghebbenden bij onderhavig besluit kunnen worden aangemerkt,

overweegt de president dat er op voorhand geen reden is te twijfelen aan het belang van deze

verzoekers. Voor zover verweerder hierbij heeft betoogd dat de verzoekers niet kunnen worden

ontvangen, omdat de bezwaren die zij aanvoeren geen belangen betreffen die hen persoonlijk

raken, overweegt de president dat de beoordeling van de vraag of een (natuurlijk of rechts-) per-

soon een belanghebbende is niet wordt verbonden aan de door deze persoon aangevoerde

belangen (bezwaren). De president is dan ook van oordeel dat verzoekers in hun bezwaren

kunnen worden ontvangen en daardoor ook in hun verzoek om een voorlopige voorziening.

Ook overigens is er geen beletsel aanwezig geacht om de verzoeken om een voorlopige

voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten.

Bij brief van 9 februari 2000 zijn omwonenden en bedrijven in de buurt van de A.G. Bellstraat te

Hoogeveen door verweerder ge‹nformeerd over de plannen van de mogelijke vestiging van een

azc op het terrein aan de A.G. Bellstraat, waarbij zij zijn uitgenodigd voor een voorlichtingsavond

op 22 februari 2000.

De gemeenteraad van Hoogeveen heeft bij besluit van 9 maart 2000 verklaard dat een bestem-

mingsplan wordt voorbereid voor een terrein te Hoogeveen dat aan de noordzijde wordt begrensd

door de Middenveldweg, aan de oostzijde door de A.G. Bellstraat, aan de zuidzijde door de

Stuifzandseweg, in de zuidwesthoek door een kwekerij en aan de westzijde door de Prilleweg. Dit

besluit is op 16 maart 2000 in werking getreden. De gemeenteraad heeft bij dit besluit tevens

bepaald dat de vrijstellingsbevoegheid ex artikel 19 van de WRO voor dit gebied bij hem ligt.

Op 28 maart 2000 heeft verweerder besloten een procedure ex artikel 19 in gang te zetten voor

de vestiging van een azc op bovenvermelde lokatie en ingestemd met het voorontwerp-bestem-

mingsplan "Asielzoekerscentrum Hoogeveen". Het COA heeft eveneens op 28 maart 2000 een

bouwaanvraag ingediend voor de vestiging van een azc aan de A.G. Bellstraat.

Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft van 20 april tot 18 mei 2000 gedurende vier weken ter

inzage gelegen.

In de Hoogeveensche Courant van 3 mei 2000 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt

om met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen van het geldende bestem-

mingsplan voor het bouwen van een (permanent) azc aan de A.G. Bellstraat. Omwonenden zijn

hierover door verweerder bij brief van 4 mei 2000 ge‹nformeerd.

Op 9 mei 2000 is een inspraakavond gehouden omtrent het voorontwerp-bestemmingsplan

alsmede omtrent bovengenoemd voornemen.

Namens verzoekers zijn bij brieven van 11 en 17 mei 2000 bedenkingen ingediend bij verweer-

der.

Op 30 mei 2000 heeft verweerder besloten de gemeenteraad van Hoogeveen voor te stellen een

verklaring van geen bezwaar aan te vragen voor het verlenen van de vrijstelling ex artikel 19 van

de WRO. De gemeenteraad heeft op 29 juni 2000 aldus besloten.

Het Drentse Welstandstoezicht heeft geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke

eisen van welstand.

Bij brief van 6 juli 2000 heeft verweerder het college van gedeputeerde staten van de provincie

Drenthe verzocht een verklaring van geen bezwaar te verlenen betreffende de vrijstelling van het

geldende bestemmingsplan voor de vestiging van een azc aan de A.G. Bellstraat. Bij brief van 27

september 2000 heeft voornoemd college de verklaring afgeven, waarbij is ingestemd met de ten

behoeve van deze vestiging noodzakelijke afwijking van het Provinciaal Omgevingsplan (POP).

Verweerder heeft vanaf 19 oktober 2000 het ontwerp-bestemmingsplan "Asielzoekerscentrum

Hoogeveen" ter inzage gelegd.

De gemeenteraad van Hoogeveen heeft op 26 oktober 2000 vrijstelling verleend van het

bestemmingsplan "De Wieken-West". Onder toepassing hiervan heeft verweerder bij besluit van

27 oktober 2000 de gevraagde bouwvergunning verleend.

Standpunten partijen.

Verzoekers ontkennen in dezen dat is voldaan aan de in het kader van de procedure van artikel

19 van de WRO vereiste urgentie. Verzoekers stellen dat vrij snel na het onherroepelijk worden

van het bestemmingsplan "De Wieken-West" nu een andere bestemming aan de onderhavige

lokatie wordt gegeven. Van bedrijventerrein wordt het gewijzigd in een asielzoekersopvanglokatie.

Verzoekers stellen dat er zwaarwegende bezwaren kleven aan deze lokatiekeuze, met name op

het gebied van milieu, waaronder geluidhinder, waarbij verzoekers van mening zijn dat een azc

een geluidsgevoelige bestemming is. In verband hiermee stellen verzoekers ook dat het zeer

twijfelachtig is of het bestemmingsplan, waarop wordt geanticipeerd, onherroepelijk zal worden.

Voorts speelt mee het vervoer van gevaarlijke stoffen op de naast gelegen spoorlijn en de

aanwezigheid van hoogspanningsmasten.

De verzoekers die wonen aan de Stuifzandseweg zijn voorts bevreesd dat deze als een door-

gaande route zal worden gebruikt door bewoners van het azc die naar het centrum van Hoog-

eveen of naar het station gaan, waardoor het kenmerkende karakter van deze weg - als een

rustige weg in een rustige volksbuurt - verloren gaat.

Van de zijde van de ondernemers is voorts aangevoerd dat de revitalisering van het bedrij-

venterrein De Wieken in gevaar komt door de vestiging van het azc op een zichtlokatie. De

vestiging van het azc op een lokatie die eerst was bestemd als uitbreiding van het bedrijventer-

rein beperkt de ondernemers nu in hun bedrijfsactiviteiten en hun uitbreidingsmogelijkheden.

Deze verzoekers menen voorts dat de aanwezigheid van een azc van deze omvang gevolgen

heeft voor de openbare orde en de mogelijkheden van handhaving daarvan. Verzoekers stellen

dat onduidelijk is of en op welke wijze hiernaar is gekeken. Verzoekers zijn van mening dat deze

veiligheidsaspecten worden onderschat.

Verzoekers zijn dus, samengevat, van mening dat de onder toepassing van artikel 19 van de

WRO verleende bouwvergunning in rechte niet houdbaar zal blijken te zijn.

Verweerder stelt dat de vrijstelling ex artikel 19 van de WRO en de bouwvergunning procedureel

en materieel op een juiste wijze zijn verleend en dat sprake is van een rechtsgeldige bouwver-

gunning op grond waarvan het COA mag bouwen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de

aan de orde gestelde milieugevoelige kwesties geen belemmering opleveren, waarbij verweerder

meer specifiek met betrekking tot de geluidhinder stelt dat het azc niet als een geluidsgevoelige

bestemming wordt aangemerkt.

Overwegingen.

Ter plaatse van het op te richten azc heeft de grond ingevolge het geldende bestemmingsplan

"De Wieken-West" de bestemming industriële bedrijven. Ingevolge artikel 6 van de bestemmings-

planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bebouwing ten dienste

van industrie, groothandel, ambacht en aan distributie en transport verwante bedrijven met de

daarbij behorende andere werken, tuinen en ontsluitingswegen.

Het bouwplan voor het oprichten van een azc is hiermee in strijd.

Gebleken is dat de bouwaanvraag is ingediend voor 3 april 2000, de datum van inwerkingtreding

van het nieuwe artikel 19 van de WRO. Blijkens het overgangsrecht is op aanvragen die voor

deze datum zijn ingediend het oude artikel 19 van de WRO van toepassing. De president heeft

geconstateerd dat is voldaan aan de formele vereisten voor het volgen van deze anticipatieproce-

dure. In dit verband wordt nog met betrekking tot de door gedeputeerde staten afgegeven

verklaring van geen bezwaar betreffende de afwijking van het POP overwogen dat niet gesteld

kan worden dat de afwijking betrekking heeft op de hoofdstructuur van het plan. De president

heeft hierbij met name in ogenschouw genomen de opsomming op bladzijde 213 van het POP

over wat in ieder geval onder hoofdstructuur wordt verstaan alsmede de van de zijde van

gedeputeerde staten ter zitting gegeven (nadere) toelichting over de in casu aanwezige (geringe)

afwijking, gelet op de grootte van het onderhavige terrein en de mogelijkheden van compensatie

voor een bedrijventerrein (van deze omvang) elders in Hoogeveen. De president concludeert dan

ook dat een herzieningsprocedure van het POP achterwege heeft kunnen blijven.

Met betrekking tot de materiële vereisten voor het volgen van deze procedure wordt het volgende

overwogen.

Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is

de anticipatieprocedure van artikel 19 van de WRO (oud) in beginsel geschikt, indien het gaat om

een bouwplan waarbij zodanige dringende belangen zijn gemoeid dat bezwaarlijk op de afronding

van een bestemmingsplanprocedure kan worden gewacht alvorens dat plan kan worden

verwezenlijkt. Deze procedure kan ook worden gevolgd indien het gaat om een plan dat dermate

geringe planologische effecten heeft, dat om die reden van de belanghebbende bij dat plan niet

kan worden gevergd te wachten op het van kracht worden van het nieuwe bestemmingsplan, mits

de belangen van derden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.

Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regiem, alsmede de uitstraling van het

bouwplan op de omgeving dan wel de ingreep op de bestaande situatie, ingrijpender is, dienen er

ingevolge de jurisprudentie zwaardere eisen te worden gesteld aan de urgentie van de verwezen-

lijking van het bouwplan alsmede aan het planologisch kader waarop vooruit wordt gelopen. Bij

dit planologisch kader gaat het zowel om de inhoud en de reikwijdte van de hierop betrekking

hebbende stukken als ook om het karakter en het gewicht van de besluitvorming die daaromtrent

heeft plaatsgevonden.

Anticipatie is in beginsel mogelijk op basis van een enkele verklaring van de gemeenteraad dat

een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid. Hiervoor is echter geen plaats indien het

gemeentebestuur niet werkelijk voornemens is om (binnen afzienbare tijd) een nieuw planologisch

regiem tot stand te brengen. Dit weegt des te zwaarder naarmate de inbreuk, als hiervoor

omschreven, groter is.

Geoordeeld moet worden dat de uitstraling dan wel inbreuk op de omgeving groot moet worden

geacht alsmede dat de inbreuk op het bestaande planologische kader groot is. Het gaat immers

om een azc voor (ruim) 800 asielzoekers, bestaande uit wooneenheden, een school, een

gezondheidszorgvoorziening, kantoren, buitenterreinen, e.a., kortom een veelomvattend plan, en

dat op een lokatie die bestemd is voor bedrijven. Hier tegenover staat dat aannemelijk kan

worden geacht dat de urgentie in dezen groot is. Anders dan van de zijde van verzoekers is

aangevoerd, kan niet van het COA worden verlangd dat zij langer dan strikt noodzakelijk is

gebruik maakt van de thans bestaande gedoogsituatie met betrekking tot het (tijdelijke) centrum

aan de Fokkerstraat. Gelet voorts op het grote aantal op te vangen asielzoekers, zoals ter zitting

uiteen gezet, is de noodzaak van een nieuw (permanent) centrum voldoende aannemelijk

geworden.

Geoordeeld wordt dat de grote inbreuk op het bestaande planologische kader voorts wordt

gecompenseerd door het inmiddels ter visie gelegde ontwerp-bestemmingsplan "Asielzoekerscen-

trum Hoogeveen".

Gelet op de - in de jurisprudentie van de ABRS ontwikkelde - planologische beoordeling dient te

worden geconcludeerd dat onderhavig besluit deze beoordeling in zoverre kan doorstaan. Echter,

wanneer onder toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning wordt

verleend, dient voorts te worden beoordeeld of er wettelijke belemmeringen zijn die het gebruik

van deze vrijstelling in de weg staan. In dit verband wordt met betrekking tot de eisen van de Wet

geluidhinder het volgende overwogen.

In meerdere algemene maatregelen van bestuur is ter uitvoering van de Wet geluidhinder een

opsomming gegeven van geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, waarvoor ter bestrij-

ding van geluidsoverlast door wegverkeer, spoorwegverkeer, vliegverkeer en industrielawaai

eisen worden gesteld over het geluidsniveau.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een azc niet in de hiervoor bedoelde

(limitatieve) opsommingen wordt genoemd en dat voorts een woongelegenheid binnen een azc

niet als een woning kan worden aangemerkt, waardoor de geluidseisen van de Wet geluidhinder

en de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur voor geluidsgevoelige objecten niet

van toepassing zijn.

De president kan zich met dit standpunt niet verenigen. De president is van oordeel dat het

begrip "azc" niet meer is dan een verzamelnaam waaronder diverse functies vallen, die dienen

ten behoeve van de opvang van asielzoekers. Dat dit begrip niet in de limitatieve opsomming van

de hier bedoelde algemene maatregelen van bestuur voorkomt, is - blijkens ook hetgeen hierna is

overwogen - niet relevant.

In artikel 1 van de Wet geluidhinder is bepaald dat in het kader van deze wet en de daarop

berustende bepalingen onder een woning wordt verstaan een gebouw dat voor bewoning wordt

gebruikt of daartoe is bestemd.

In het onderhavige geval moet worden geoordeeld dat een aantal gebouwen op het toekomstige

azc-terrein aan de A.G. Bellstraat te Hoogeveen straks door asielzoekers wordt gebruikt als

woning. Een aantal gebouwen op dit terrein bevat - blijkens de bouwtekeningen - meerdere

woonunits, die elk voor zelfstandige bewoning zijn geschikt (met kook-, was-, toilet-, slaap- en

verblijfsgelegenheden) en ieder een eigen op- dan wel ingang hebben. De asielzoekers die in de

toekomst op dit terrein tijdelijk verblijven, waarbij de duur van de tijdelijkheid verschillend zal zijn

en waarschijnlijk vari‰rend van enkele weken tot - in uitzonderlijke gevallen - meer dan twee

jaren, zullen - in gezinsverband dan wel met meerdere individuen samen - in deze woongebou-

wen woonachtig zijn. Gedurende die periode zal de desbetreffende asielzoeker zijn (voor dat

moment) permanente verblijf (huisvesting) hebben op het azc-terrein in een van de woonunits. De

president is van oordeel dat hier moet worden gesproken van woningen als bedoeld in de

hiervoor weergegeven omschrijving. Dat een gebouw meerdere woonunits omvat doet aan deze

conclusie niet af, omdat ook op de reguliere woningmarkt mensen kunnen worden gehuisvest in

een flatgebouw, dat meerdere "woonunits" telt.

De door verweerder ter zitting ingenomen stelling dat hier niet gesproken kan worden van

woningen, omdat de woonunits niet aan de daarvoor ingevolge het Bouwbesluit gestelde

(technische) eisen voldoen, kan evenmin aan het vorenstaande iets afdoen. Het gegeven dat een

gebouw of een gedeelte daarvan niet aan de eisen omtrent afmetingen en aanwezige vertrekken

voldoet, kan geen afbreuk doen aan de feitelijke bewoning van een gebouw of een gedeelte

daarvan, dat bovendien voor zelfstandige bewoning is ingericht.

Het vorenstaande betekent dat de woonunits op het toekomstige azc-terrein als woningen in de

zin van de Wet geluidhinder moeten worden aangemerkt, waarvoor de ingevolge de algemene

maatregelen van bestuur gestelde geluidseisen gelden, zowel voor het geluidsniveau binnen als

buiten. Nu door alle partijen niet wordt ontkend dat het buiten-geluidsniveau voor de woongebou-

wen op het onderhavige azc-terrein wordt overschreden, betekent dit dat de Wet geluidhinder in

dezen een belemmerende factor opwerpt voor de vrijstelling onder gebruikmaking waarvan de

bouwvergunning is verleend. Hoewel op gemeentelijk en provinciaal niveau reeds - in de

voorbereiding - overeenstemming is bereikt over het toekomstige planologische kader, is het

bepaald niet ondenkbaar dat de hier geconstateerde strijd met de Wet geluidhinder eveneens

belemmerend kan werken in de in gang gezette bestemmingsplanprocedure. Hierdoor heeft het

toekomstig planologisch kader, waarop is geanticipeerd, een wankele status.

Blijkens artikel 49 van de Woningwet maakt voor het indienen van bezwaar en het instellen van

beroep de door de gemeenteraad verleende vrijstelling deel uit van de door verweerder afgege-

ven bouwvergunning. Nu hiervoor is geconstateerd dat aan deze vrijstelling een gebrek kleeft,

heeft dit consequenties voor de daaraan verbonden bouwvergunning.

In het hiervoor overwogene ziet de president voldoende aanleiding voor een schorsing van deze

bouwvergunning. De overige aangevoerde bezwaren worden dan ook verder buiten beschouwing

gelaten. Het is niet ondenkbaar dat verweerder, gelet op het aangevoerde belang bij realisering

van het azc, bij zijn besluitvorming op de ingediende bezwaren het hier geconstateerde gebrek

zal willen herstellen - bijvoorbeeld door het nemen van verdergaande geluidswerende maatrege-

len, het aanvragen en verkrijgen van een ontheffing of door het in verband met het vliegtuiglawaai

maken van afspraken omtrent vliegroutes en -frequenties -. Hierin ziet de president dan ook

aanleiding de duur van de schorsing te beperken tot zes weken na afgifte van de besluiten op de

bezwaren.

Onder deze omstandigheden is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die

verzoekers in verband met de behandeling van hun verzoeken hebben moeten maken. Deze

kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zowel voor verzoekers

onder 1 als voor verzoekers onder 2 bepaald op f 1.420,-- als proceskosten. Van overige kosten

is niet gebleken.

III. Beslissing

De president:

I. wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe en schorst de verleende bouwver-

gunning;

II.bepaalt dat de schorsing voortduurt tot zes weken na de bekendmaking door verweerder van

de besluiten op bezwaar;

III.veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers ten bedrage van tweemaal f 1.420,--;

IV.bepaalt dat verweerder de door verzoekster betaalde griffierechten dient te vergoeden ten

bedrage van f 450,-- (betreffende verzoekers genoemd onder 1) en van f 225,-- (betreffende

verzoekers genoemd onder 2);

V. wijst de gemeente Hoogeveen aan als de rechtspersoon die de onder III en IV genoemde

bedragen dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, president en uitgesproken in het

openbaar op 16 november 2000

door mr. J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. J.S. van der Kolk

Afschrift verzonden op:

typ: jw