Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:1999:AA3659

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-03-1999
Datum publicatie
10-12-2001
Zaaknummer
98 / 322 WAO P01 G04
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK Arrondissementsrechtbank Assen

Vijfde meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 98 / 322 WAO P01 G04

U I T S P R A A K

In het geding tussen

A en Co accountants, gevestigd te B, eiseres,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), GAK Nederland B.V., kantoor Groningen, verweerder.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen Z te Y.

I. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen tegen het besluit van verweerder van 25 maart 1998. In de kennisgeving van het besluit is vermeld dat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank te Groningen. De rechtbank te Groningen heeft het beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank te Assen, omdat eiseres gevestigd is in Emmen. De enkelvoudige kamer van de rechtbank te Assen heeft het beroep in behandeling genomen.

Z is door de enkelvoudige kamer van de rechtbank aangemerkt als belanghebbende bij de beslissing op het verzoek. Hij heeft desgevraagd medegedeeld als partij aan het geding deel te willen nemen. De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft hem vervolgens als partij aangemerkt.

Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend. Deze zijn in afschrift aan partijen toegezonden.

Eiseres heeft geantwoord op vragen van de enkelvoudige kamer, betrekking hebbend op het belang bij het beroep.

De enkelvoudige kamer heeft de verdere behandeling van het beroep verwezen naar de meervoudige kamer.

Partijen zijn uitgenodigd om op de te houden zitting te verschijnen. Als getuigen voor de zitting zijn opgeroepen mevrouw M. Willemsen, bedrijfsarts van de Arbo Management Groep, en de heer M. Oele, verzekeringsarts van Gak Nederland BV.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 22 december 1998.

Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door A, accountant en belastingadviseur, die is bijgestaan door mr. E. Sportel, advocaat te Emmen.

Voor verweerder is verschenen mr. J. Hettinga, juridisch medewerker van GAK Nederland BV. Z is in persoon verschenen.

De getuigen Oele en Willemsen zijn gehoord. Partijen hebben hun standpunt uiteengezet.

II. Motivering

IIa. achtergrond

Artikel 39a WAO

In artikel 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is een regeling neergelegd ten behoeve van personen met een chronische aandoening, welke eventueel tot gevolg kan hebben dat sprake is van een wisselend vermogen om arbeid te verrichten als gevolg van wisselingen in de gezondheidstoestand. Deze personen hebben weliswaar een chronische aandoening, doch kunnen met die aandoening op zichzelf arbeid verrichten. Omdat bij de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid het soort aandoening op zichzelf geen rol speelt, achtte de wetgever het van belang een regeling in het leven te roepen, welke er toe strekt de kansen van deze personen op het verkrijgen van arbeid te vergroten. Naar het oordeel van de wetgever was er namelijk sprake van dat werkgevers minder geneigd waren dergelijke personen in dienst te nemen of te houden, omdat zij van mening waren dat er sprake is van een verhoogd risico op uitval van die personen. Om de nadelige gevolgen voor de werkgever van een uitval wegens ziekte minder bezwaarlijk te maken, houdt artikel 39a WAO een regeling in die de loondoorbetalingsplicht van de werkgever feitelijk beperkt.

Artikel 39a, eerste lid, WAO luidt als volgt: "Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd".

Werkgever en beroep tegen toekenning van wao-uitkering

Met ingang van 1 januari 1998 is de WAO ingrijpend gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van het stelsel van gedifferentieerde premies (Wet Pemba). De grondslag die dit stelsel kenmerkt, houdt in dat werkgevers meer direct geconfronteerd moeten worden met de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. Als een werkgever niet zelf -maximaal vijf jaar- het risico van betaling van wao-uitkering voor zijn werknemers loopt (eigen risicodrager), wordt de werkgever geconfronteerd met de mogelijkheid dat, als gevolg van instroom van een werknemer in de WAO, de verschuldigde premie (gedurende maximaal vijf jaar) wordt verhoogd. Waar dit stelsel tot gevolg heeft dat toekenning van wao- uitkering doorwerkt naar financiële verplichtingen van de werkgever, heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wet Pemba geoordeeld dat de werkgever er belang bij heeft dat die toekenning rechtmatig is; zij het dat er volgens de wetgever niet altijd een rechtstreeks belang aanwezig zal zijn.

Tot 1 januari 1998 werd de werkgever in de nationale wet de toegang tot de bestuursrechter ontzegd voorzover het om de toekenning van wao-uitkering aan de (ex-)werknemer ging. Dit was geregeld in artikel 2a van de WAO. Dit luidde: "Bij een besluit ingevolge deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid is belanghebbende degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft".

Met ingang van 1 januari 1998 is dit artikel vervallen. Sedertdien moet de werkgever voldoen aan het bepaalde in artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om op grond van het bepaalde in artikel 8:1 Awb beroep in te kunnen stellen bij de rechtbank tegen een besluit tot toekenning van wao- uitkering. Artikel 1:2 Awb luidt, voorzover van belang: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken".

Privacy werknemer

De wetgever heeft voorzieningen getroffen in verband met het voorkomen van een schending van de privacy van de werknemer, indien de werkgever gebruik maakt van het recht beroep in te stellen tegen het besluit tot toekenning van wao-uitkering aan de werknemer.

Artikel 88a WAO luidt:

"1. De werkgever heeft slechts recht op inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat, indien de werknemer hiervoor toestemming heeft gegeven.

2. De toestemming wordt schriftelijk gegeven.

3. De toestemming kan te allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.

4. Tijdens het horen in bezwaar of ter zitting van de rechtbank kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken".

Artikel 88c WAO luidt:

"1. Inzage in, dan wel kennisname of toezending van enig stuk, dat medische gegevens bevat, is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever, die arts is.

2. De gemachtigde, die arts is, treedt in de plaats van de werkgever bij:

a. de voorbereiding van een medisch besluit;

b. het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en

c. de behandeling van een bezwaar of beroep; voor zover betrekking hebbend op medische gegevens".

Artikel 88h WAO luidt:

"1. In afwijking van artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats.

2. In de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht wordt mededeling gedaan van het bepaalde in het vorige lid".

IIb. feiten

De rechtbank legt de volgende feiten aan haar oordeel ten grondslag. Z staat sedert jaren in dienstbetrekking tot eiseres. Hij heeft zich voor het eerst op 17 oktober 1992 ziek gemeld met klachten van pijn op de borst. De verzekerings geneeskundige heeft toen geoordeeld dat er geen cardiologische oorzaak kon worden aangewezen en heeft de diagnose gesteld op overspannenheid in verband met drukte en stress op het werk. Na een periode van afwezigheid heeft Z het werk geleidelijk hervat.

Op 21 november 1994 heeft Z zich ziek gemeld. De diagnose is daarbij door de arbodienst gesteld op depressiviteit. Deze is overgenomen door de verzekeringsarts van GAK Nederland BV, nadat deze Z had gesproken op 15 juni 1995. Hij was toen onder psychiatrische behande ling en werkte enkele uren per week op arbeidstherapeutische basis. Hij had geen leidinggevende functie meer en had volgens de verzekeringsgeneeskundige "problemen in de werksfeer".

Terzake van deze arbeidsongeschiktheid heeft de heer Z over de maximumperiode uitkering ingevolge de Ziektewet gekregen. Daarna is hem met ingang van 20 november 1995 een wao-uitkering toegekend. Hij werkte toen 20 uur per week. De inkomsten uit arbeid werden verrekend met de wao-uitkering. De tewerkstelling geschiedde op basis van een door de arbeidsdeskundige O. Labordus uitgewerkt reïntegratieplan.

De verzekeringsarts heeft inlichtingen ingewonnen bij de behandelend psychiater. Deze bevinden zich onder de gedingstukken. De verstrekte inlichtingen hebben geleid tot voortzetting van de uitkering.

In het voorjaar van 1996 heeft eiseres aan de verzekeringsarts doen weten dat Z de in het reïntegratieplan gestelde doelen in de verste verten niet benaderde en dat niet alleen Z problemen had maar ook het kantoor van eiseres, omdat dit maar een beperkte personeelsomvang heeft. Sedertdien is er geen wezenlijke verbetering in de verhouding tussen eiseres en Z opgetreden. Z is een toenemend aantal uren gaan werken en het arbeidsongeschiktheidspercentage is een aantal malen gewijzigd, laatstelijk is het gesteld op 15-25 met ingang van 1 maart 1997. Daarna is bij besluit van 22 april 1997 de wao-uitkering ingetrokken met ingang van 1 juni 1997, omdat er volgens verweerder sprake was van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit besluit is echter bij een later genomen besluit ingetrokken met de bedoeling de wao-uitkering voort te zetten naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25. Er is geen beroep ingesteld tegen deze besluiten door Z. Eiseres heeft evenmin beroep ingesteld. Volgens het toen geldende artikel 2a WAO was dit ook niet mogelijk.

Op 20 mei 1997 is Z opgenomen in het ziekenhuis met een hartinfarct. Hij is ziekgemeld bij eiseres en het GAK Nederland BV.

Eiseres heeft in verband met de financiële lasten, die uit de nieuwe ziekmelding voortvloeien een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 39a WAO. De arbo-arts mevrouw M. Willemsen heeft zich hier achter gesteld.

Verweerder heeft in verband hiermee advies gevraagd aan de verzekeringsarts M. Oele. Deze heeft geconcludeerd: "er is wel sprake van doorloop, maar geen sprake van de wet Amber". Hij heeft daartoe een vergelijking gemaakt van de toestand van de heer Zijlstra op 20 mei 1997 ten opzichte van de toestand op de dag van toekenning van de wao-uitkering.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 20 oktober 1997 beslist: - dat de arbeidsongeschiktheid van Z met ingang van 20 mei 1997 is toegenomen van 15-25% arbeidsongeschikt naar 80-100%; - dat deze toename niet voortvloeit uit dezelfde oorzaak als waarvoor de heer Z uitkering ontvangt; - dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 39a WAO en dat er dus een wachttijd van 52 weken geldt voordat de wao-uitkering kan worden verhoogd.

Z heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft verzocht de uitkering met ingang van 20 mei 1997 te verhogen op grondslag van een arbeidsongeschiktheidsper centage van 80-100%.

Dit bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 25 maart 1998. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Z heeft berust in het besluit. De weigering om artikel 39a WAO toe te passen is blijkens de kennisgeving van dit besluit als volgt gemotiveerd: "Aan u is met ingang van 20 november 1995 een arbeidson geschiktheidsuitkering toegekend..........Op basis van de medische gegevens en hetgeen u als bezwaar naar voren heeft gebracht wordt door onze bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat de toename van arbeidsongeschiktheid op 20 mei 1997 niet uit dezelfde ziekte-oorzaak voortkomt als waarvoor u sedert 20 november 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Uw verzoek om herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage moet dan ook worden afgewezen".

Verweerder heeft twee verschillende kennisgevingen van het besluit verstuurd: een naar eiseres en een naar Z. Beide kennisgevingen bevatten evenvermelde motivering. In de kennisgeving aan eiseres is bovendien vermeld dat deze niet de motivering bevat voorzover deze berust op medische gegevens betreffende Z. Deze zijn opgenomen op een afzonderlijke bijlage. Z zal om toestemming worden gevraagd om de bijlage aan eiseres te verstrekken.

Nadat Z als partij tot het geding was toegelaten zijn de medische gegevens, op basis van de eerder door hem aan Gak Nederland BV gegeven toestemming, aan eiseres verstrekt. Z heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld dat dit in overeenstemming is met zijn wil, omdat hij geen geheimen heeft voor zijn werkgeefster en omdat zij eenzelfde doel nastreven.

Voor de aanvang van de behandeling ter zitting heeft Z om dezelfde redenen ook ingestemd met een behandeling van het beroep in tegenwoordigheid van eiseres, voorzover daarbij zijn medische gegevens aan de orde zouden (kunnen) komen. Daarop is door de rechtbank besloten het bepaalde in artikel 88h WAO buiten toepassing te laten.

Beide getuigen hebben ter zitting verklaard dat het door Z doorgemaakte hartinfarct niet aan één bepaalde oorzaak kan worden geweten. Er is dus geen exclusief verband met de depressieve klachten. Vast staat volgens hen dat het infarct niet van de ene op de andere dag ontstaat en dat het infarct al langer in potentie aanwezig moet zijn geweest in verband met factoren als familiaire predispositie, verhoogd cholesterolgehalte en verhoogde bloeddruk, schadelijke gevolgen van roken en stress. Dit moet op 1 maart 1997 geleid hebben tot een dichtslibbing van de kransslagader van tenminste 60%. Dit ligt tegen de kritieke fase aan. Volgens de getuige Oele is aannemelijk dat Z op 1 maart 1997 geschikt was voor tal van soorten arbeid, doch niet voor arbeid waarin stress, als een voor het ontstaan van een hartinfarct negatieve factor, aanwezig is.

IIc standpunt partijen

Eiseres bestrijdt het besluit van 25 maart 1998 integraal. In het beroepschrift is onder andere aangevoerd dat het besluit aan een motiveringsgebrek lijdt omdat het niet de medische gegevens bevat. Omdat die gegevens in de loop van de beroepsprocedure ter beschikking van eiseres zijn gekomen, heeft eiseres dit standpunt verlaten onder de voorwaarde dat de beslissing over de toepassing van artikel 39a WAO "inhoudelijk" getoetst wordt. Eiseres heeft desgevraagd aangegeven belang te hebben bij het beroep, omdat bij een toekenning van wao-uitkering aan Z er feitelijk geen reden meer is voor betaling van loon aan A, voorzover dit niet hoger is dan de wao- uitkering. Deze loonbetalingsplicht is verzekerd, maar komt voor f 50.000,- als eigen risico voor rekening van eiseres, terwijl het leggen van een claim onder bepaalde voorwaarden een toename van de verzekeringspremie tot gevolg heeft. Aen eiseres waren het er al over eens dat voormelde loonbetalingsplicht bestaat en derhalve is eiseres daaraan naar de regels van het burgerlijk recht gebonden. Eiseres acht het niet in overeenstemming met de wet om artikel 39a WAO niet toe te passen: er is sprake van uitval wegens ziekte welke in een causaal verband staat met de klachten van depressiviteit, die al tijdens de wao-uitkering bestonden. Eiseres heeft verzocht het besluit te vernietigen en te bepalen dat artikel 39a WAO door verweerder moet worden toegepast.

Z heeft zich achter het standpunt van eiseres gesteld. Hij ziet een duidelijk oorzakelijk verband tussen de klachten tijdens de wao-uitkering en het hartinfarct.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet kan worden ontvangen. Het belang dat eiseres nastreeft is het tegenovergestelde van het belang in verband waarmee artikel 2a WAO is vervallen. Kort gezegd komt het er op neer dat dit artikel is vervallen om de werkgever de mogelijkheid te geven in rechte een toekenning van wao- uitkering te bestrijden, terwijl eiseres met het beroep die toekenning juist beoogt. De plicht tot loondoorbetaling vloeit bovendien niet voort uit het besluit van verweerder, zodat niet is voldaan aan het vereiste van een rechtstreeks belang. Subsidiair is door verweerder aangevoerd dat onder het in artikel 39a WAO opgenomen begrip "uitkering wordt genoten" moet worden verstaan "uitkering is toegekend" en dat dus de toestand ten tijde van de uitval wegens het hartinfarct moet worden vergeleken met de toestand bij aanvang van de uitkering.

IId overwegingen

IId.1 privacy werknemer a. het verstrekken van medische gegeven aan de werkgever

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 88 c WAO voor het verstrekken van de door verweerder bij het besluit betrokken medische gegevens van A, aan eiseres.

b. openbare behandeling

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een geval waarin een werknemer procedeerde over zijn recht op wao-uitkering, beslist dat het bepaalde in artikel 88h WAO zich niet verdraagt met artikel 6 EVRM, indien dit er toe leidt dat categorisch een openbare behandeling van een geschil omtrent het recht op wao- uitkering wordt uitgesloten (CRvB 25 februari 1998, RSV 1998/106). In de lijn van deze uitspraak, acht de rechtbank artikel 6 EVRM ook van toepassing op het door eiseres (de werkgever) aanhangig gemaakte geschil over de toekenning van wao-uitkering aan Z (werknemer). Enerzijds omdat Z als partij aan het geding deelneemt en -evenals eiseres- de rechtmatigheid van het besluit bestrijdt, anderzijds omdat het besluit als gevolg van het stelsel van premiedifferentieatie invloed heeft op de hoogte van de door eiseres te betalen wao- premie.

Artikel 88h WAO strekt tot bescherming van de privacy van A. Nu de door artikel 88h WAO verboden openbare behandeling de privacy van Z niet aantast en er derhalve geen sprake is van een samenloop van artikel 6 EVRM met een andere bepaling van tenminste gelijke orde, leidt artikel 6 EVRM, als hogere norm dan artikel 88h WAO, tot de beslissing dat het verbod van artikel 88h WAO niet van toepas sing is. De rechtbank heeft het gehele onderzoek ter zitting dan ook met open deuren behandeld in aanwezigheid van de gemachtigden van eiseres en verweerder, die niet de hoedanigheid van arts bezitten.

IId.2 belanghebbende; opvatting verweerder

De rechtbank is van oordeel dat uit de jurisprudentie over het belanghebbendevereiste van artikel 8:1 juncto 1:2 Awb niet de voorwaarde kan worden afgeleid dat men slechts belanghebbende is bij het instellen van beroep, indien men met het beroep een belang nastreeft dat door de wetgever ten grondslag is gelegd aan een bepaalde wettelijke regeling, waarop het bestreden besluit is gegrond (specialiteitsbeginsel). De CRvB heeft in de uitspraak van 7 mei 1998, TAR 1998/119, als volgt overwogen: "... dat de vraag of de belangen waarin appellante beschermd wil worden deel uitmaken van de belangen die bij het aan de orde zijnde besluit moeten worden afgewogen, geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of appellante belanghebbende is". Het daartoe strekkende verweer wordt dan ook verworpen.

Verweerders opvatting, inhoudend dat eiseres slechts wordt getroffen omdat Z een werknemer van eiseres is en dat bijgevolg niet zou worden voldaan aan het vereiste rechtstreekse causale verband tussen het besluit van verweerder en het daardoor getroffen zijn van eiseres, wordt eveneens verworpen, omdat deze stelling berust op een onjuiste weergave van de wijze waarop het bestreden besluit gevolgen voor eiseres heeft. De rechtbank is, anders dan verweerder, namelijk van oordeel dat Z en diens hoedanigheid van werknemer geheel buiten de (rechts)verhouding staat, waarvoor het bestreden besluit gevolgen heeft (naast de gevolgen in andere verhoudingen).

Die (rechts)verhouding betreft de verhouding van eiseres met een particuliere verzekeraar. Eiseres heeft een contract gesloten met een particuliere verzekeraar, op grond waarvan eiseres een bepaalde dekking heeft tegen schade die door eiseres geleden wordt als gevolg van de verplichting om loon te betalen bij ziekte van een van de werknemers. Aangezien de dekking niet de eerste f 50.000,- aan schade betreft, heeft iedere verplichting van eiseres om loon te betalen bij ziekte van een van de werknemers, invloed op de financiële situatie/vermogenspositie van eiseres.

Omdat die verplichting niet bestaat voorzover recht op wao- uitkering bestaat, heeft de weigering om aan Z wao-uitkering te betalen rechtstreeks gevolg voor de financiële situatie van eiseres; dat wil zeggen zonder dat eiseres of wie dan ook nog enige handeling hoeft te verrichten.

Om deze reden wordt eiseres aangemerkt als beroepsgerechtigde belanghebbende (artikel 8:1 Awb).

De rechtbank merkt nog op dat artikel 6:13 Awb niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van eiseres, nu het eiseres op grond van het nationale recht niet was toegestaan bezwaar te maken tegen het besluit in primo van 20 oktober 1997.

IId.3 werknemer als partij

De rechtbank heeft gebruik gemaakt van de in artikel 8:26 Awb aan de rechtbank verleende bevoegdheid om een belanghebbende in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen, door Z als partij toe te laten tot het geding. De rechtbank is hiertoe overgegaan, ook al had Z zelf de mogelijkheid beroep in te stellen tegen het besluit. De toelating is in overeenstemming met de door de wetgever voorziene driepartijen-gedingen in het kader van de Wet Pemba en is geschied nadat een nieuw feit was opgetreden als gevolg van het instellen van het beroep door eiseres.

IId.4 rechtmatigheid besluit

De rechtbank komt toe aan een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Onder verwijzing naar de -voldoende- duidelijke tekst van artikel 39a WAO ("uitkering wordt genoten"), oordeelt de rechtbank dat die tekst in gevallen van herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage in neerwaartse zin, niet uitgaat van een vergelijking van de oorzaak van het intreden/toenemen van arbeidsongeschiktheid -binnen de vijfjaarstermijn- met de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid, welke tot de toekenning van de uitkering heeft geleid; doch van een vergelijking met de oorzaak van arbeidsongeschiktheid welke op de dag, voorafgaand aan de neerwaartse herziening rechtens aanwezig moet worden geacht. Het standpunt van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen in strijd met de tekst van de wet, doch ook met de -met die tekst corresponderende- strekking van artikel 39a WAO in gevallen van herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage in neerwaartse zin. Deze strekking komt er op neer, dat een zekere compensatie wordt geboden voor onzekerheden over de gezondheidstoestand op de dag van verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage, zodat werkgevers niet de stelling betrekken dat er sprake is van een medische problematiek, die in de weg staat aan het in dienst nemen van de betreffende persoon, ondanks de verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage en het daarmee uitgesproken oordeel dat sprake is van arbeidsgeschiktheid. Duidelijk moge zijn dat de wetgever in dit verband niet het oog kan hebben gehad op de medische toestand die bij de toekenning bestond; en daardoor ook in een ver verleden kan liggen.

Dit voert de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van verweerder strijdig is met de wet.

De rechtbank dient te beslissen of de onjuiste wetstoepassing gevolgen dient te hebben voor het besluit. Vast staat dat de op 20 mei 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid ligt binnen vijf jaar na de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 maart 1997. Beslissend is derhalve of geoordeeld moet worden dat de op 20 mei 1997 ingetreden arbeidsongeschiktheid van Z voortvloeit uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid waarvoor uitkering werd genoten op de dag voorafgaande aan de herziening op 1 maart 1997.

De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken en in het bijzonder uit de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen af, dat Z reeds op die dag leed aan een geheel van afwijkingen, dat tot het infarct op 20 mei 1997 heeft gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat niet met zekerheid gezegd kan worden of dit complex van afwijkingen tot arbeidsongeschiktheid leidde, voordat het infarct optrad. Uit de verklaring van de getuigen leidt de rechtbank af dat dit in wezen nooit met zekerheid is vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van artikel 39a WAO meebrengt dat die onzekerheid niet voor rekening van Z en eiseres mag worden gelaten. Dit artikel beoogt immers bescherming te bieden bij onzekerheden over het vermogen om arbeid te verrichten in verband met ten tijde van de herziening van de uitkering bestaande aandoeningen, als daarna -binnen vijf jaar- arbeidsongeschiktheid intreedt. Dit geldt ook indien pas achteraf blijkt van dergelijke aandoeningen. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand worden gelaten. Nu er geen andere verhindering was om Z met ingang van 18 juni 1997 wao-uitkering toe te kennen dan voortvloeiend uit artikel 39a WAO, zal de rechtbank de zaak afdoen. Daarbij is de rechtbank, gezien de gedingstukken en gehoord de verklaringen van de getuigen, van oordeel dat Z toen nog als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

Voor de veroordeling in de proceskosten van eiseres gaat de rechtbank uit van twee punten en van een waardering van de zaak op zwaar. De veroordeling in de proceskosten van Z beperkt zich tot zijn reiskosten.

III. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat Z met ingang van 18 juni 1997 recht op uitkering ingevolge de WAO heeft naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van eiseres gevallen ten bedrage van f. 2.148,72 (bestaande uit f. 2.130,- zijnde rechtsbijstandkosten en f. 18,72 zijnde reiskosten) en in de reiskosten van Z ten bedrage van f. 12,48 bepaalt dat het Lisv deze kosten, alsmede het griffierecht ad f. 420,- dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. A.H.J. Lennaerts, voorzitter, mr. P.G. Wijtsma en mr. M.W. de Jonge, rechters

en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 1999

door mr. A.H.J. Lennaerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.

mr. A. Verweij mr. A.H.J. Lennaerts

Afschrift verzonden op:

typ: sf.