Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:1999:AA3485

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
12-03-1999
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
97/181 WW P07 G08
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 181
USZ 1999/203 met annotatie van A.C. Damsteegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Vijfde meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 97 / 181 WW P07 G08

U I T S P R A A K

In het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, (GAK Groningen), verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep doen instellen tegen het besluit van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank-en Verzekeringswe zen Groothandel en Vrije Beroepen van 14 januari 1997. Met dit besluit werd het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 oktober 1996, ongegrond verklaard.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (wet van 26 februari 1997, Staatsblad 1997, 96), welk artikel in werking is getreden op 1 maart 1997, geldt dit besluit als een besluit van het Lisv.

In artikel 8, eerste lid, van voornoemde wet is bepaald dat het Lisv bij bestuursrechtelijke procedures in de plaats treedt van de betrokken bedrijfsvereniging, zonder dat daarvoor een betekening nodig is en met overneming van procureur-stelling onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde.

Hieruit vloeit voort dat het Lisv in de onderhavige procedure als verweerder moet worden aangemerkt en bevoegd is vertegenwoordigd. Waar in het vervolg wordt gesproken van verweerder, moet voor het goede begrip echter worden bedacht dat de voor 1 maart 1997 verrichte (proces)handelingen en besluiten zijn verricht respectievelijk genomen, namens het bestuur van de bedrijfsvereniging.

Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

In reactie daarop heeft eiser de gronden van zijn beroep doen aanvullen. Desgevraagd heeft verweerder deze nadere gronden becommentarieerd. Verweerder heeft desgevraagd nadere stukken overgelegd.

De gedingstukken zijn in afschrift aan partijen gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de vijfde meervoudige kamer van de rechtbank op 17 november 1998.

Beide partijen zijn voor deze behandeling opgeroepen.

Eiser is verschenen en werd bijgestaan door mr. J. Keizer, advocaat te Groningen.

Voor verweerder is verschenen mr. J. Hettinga, werkzaam bij Gak Nederland BV.

II. Motivering

1. Feiten

Eiser, geboren op [...] 1965, was sedert 1 maart 1990 werkzaam als seismisch veldmedewerker bij de X te Y. Ten gevolge van een reorganisatie is eiser op 1 augustus 1995 werkloos geworden.

Met ingang van die datum heeft verweerder eiser een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Daarbij is aangegeven dat eiser recht heeft op een loongerelateerde uitkering van maximaal 1 jaar op basis van 45 arbeidsuren per week en dat hij aansluitend recht heeft op maximaal twee jaren vervolguitkering.

Op het inlichtingenformulier over de periode van 26 augustus 1996 tot en met 22 september 1996 maakt eiser melding van het feit dat hem door Randstad Uitzendburo te Z werk, gedurende 40 uur per week, was aangeboden. Eiser heeft dit aanbod geweigerd omdat het werk voor drie weken betrof, hetgeen eiser een te korte periode vond.

Verweerder heeft vervolgens vastgesteld dat het aangeboden werk betrekking heeft op buitenwerk, waarvoor eiser ingeschreven staat bij U te V. Eiser zou te werk worden gesteld bij de afvalverwerking te W. Tenslotte is geconcludeerd dat voor dit werk geen vooropleiding is vereist.

Hierop heeft verweerder bij besluit van 11 oktober 1996 onder meer het volgende aan eiser medegedeeld:

"U ontvangt sedert 01 augustus 1995 een WW-uitkering.

In artikel 24, aanhef en lid 1 onderdeel b, sub 2 is bepaald, dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of te verkrijgen of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.

Als de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24 eerste lid, onderdeel b, sub 2, opgelegd, niet is nagekomen, is de bedrijfsvereniging op grond van artikel 27 lid 2 verplicht om de uitkering blijvend te weigeren over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de bedrijfsvereniging besluiten van het opleggen van een maatregel, als bedoeld in artikel 27 WW, af te zien.

Uit ons ten dienste staande gegevens is gebleken, dat u met ingang van 28 augustus 1996 passende arbeid bij Randstad Uitzendbureau is aangeboden gedurende 40 uren per week. U heeft deze arbeid echter niet aanvaard. In uw geval is de bedrijfsvereniging niet gebleken van het aanwezig zijn van een dringende reden.

Gelet op het bovenstaande is namens het bestuur van de bedrijfsvereniging besloten uw uitkering blijvend voor 40 uren te beëindigen."

Eiser heeft bezwaar doen maken tegen dit besluit. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn bezwaren mondeling toe te lichten.

Bij besluit van 14 januari 1997, het thans bestreden besluit, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Standpunten partijen

Standpunt eiser

Namens eiser is aangevoerd dat er geen sprake is van verwijtbaarheid, nu eiser er niet van op de hoogte was dat het niet aanvaarden van werk consequenties zou kunnen hebben voor zijn WW-uitkering. Daaromtrent was eiser voorafgaand aan de bestreden beslissing niet geïnformeerd. Eerst ter gelegenheid van het inleveren van zijn werkbriefje in januari 1997 heeft eiser van verweerder een uitvoerige brief ontvangen waarin de wetswijzigingen van augustus 1996 en de gevolgen daarvan uiteen zijn gezet. Was eiser dit destijds bekend geweest dan zou hij het hem aangeboden werk nooit hebben geweigerd. Voorts wordt door gemachtigde van eiser betwist of sprake was van weigering van passende arbeid, nu niet van eiser verlangd kan worden dat hij genoegen neemt met een functie waarvoor geen enkele scholing nodig is en die gekwalificeerd kan worden als vuil en onaangenaam werk. Daarbij is de vraag gesteld of verweerder zich - bij de beoordeling van de vraag of de aangeboden arbeid kan worden aangemerkt als passend - terecht heeft gebaseerd op de richtlijn "passende arbeid bij werkloosheid". Naar de mening van eisers gemachtigde impliceert de toekenning van regelgevende bevoegdheid aan de minister ingevolge de Wet BMTI dat eerdergenoemde richtlijn niet langer kon worden gehanteerd. Bovendien had verweerder nog nader onderzoek dienen te verrichten met betrekking tot de overige aspecten van het aangeboden werk, alvorens geconcludeerd kon worden dat het werk voor eiser passend zou zijn.

Eisers gemachtigde heeft voorts naar voren gebracht dat uit artikel 27, tweede lid, van de WW - waar gesproken wordt van weigering over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd - is af te leiden dat de duur van de weigering van uitkering gerelateerd behoort te worden aan de duur van het aangeboden werk.

Namens eiser is verder betoogd dat de blijvend gehele weigering van zijn uitkering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Naar de mening van eiser kan de wetgever niet bewerkstelligen dat toetsing aan dit beginsel achterwege kan blijven. In dit verband heeft hij gewezen op het bepaalde in artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht, alsmede op artikel 6 van het EVRM en artikel 11 Bupo (bedoeld zal zijn artikel 14).

Tenslotte acht eiser een dringende reden aanwezig, die zich verzet tegen het opleggen van een maatregel. In dit verband is er op gewezen dat eiser door het opleggen van de maatregel zonder bron van inkomsten is geraakt.

Standpunt verweerder

Verweerder stelt dat eiser op de hoogte behoorde te zijn van de wetswijziging per 1 augustus 1996 en de gevolgen daarvan. Hierover is eiser onder meer op 1 augustus 1996 door GAK Nederland BV geïnformeerd.

Het feit dat eiser stelt niet op de hoogte te zijn gebracht van de gevolgen van zijn gedraging doet naar de mening van verweerder aan de mate van verwijtbaarheid van de gedraging niet af.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de wet bij weigering van passend werk dwingend voorschrijft dat de uitkering blijvend geheel dient te worden geweigerd. Voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel acht verweerder geen ruimte aanwezig. Ter toelichting op de proportionaliteit van de maatregel is overigens naar voren gebracht dat eiser door het weigeren van werk van korte duur kansen voor het verkrijgen van meer werk voorbij laat gaan. Onder verwijzing naar eisers vooropleiding en de duur van de werkloosheid, heeft verweerder het aangeboden werk passend geacht. Nader onderzoek is niet nodig geoordeeld. Verweerder heeft verder opgemerkt dat de aanwezigheid van een dringende reden niet is gebleken.

3. Toepasselijke regelgeving

Vastgesteld wordt dat op de onderhavige zaak de WW, zoals deze sedert 1 augustus 1996 ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet boeten en maatregelen sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 248, hierna: Wet boeten) luidt, van toepassing is.

In artikel 24, aanhef en lid 1 onderdeel b, sub 2 van de WW is, voorzover van belang, bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.

In artikel 24, lid 3, van de WW is bepaald dat als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e.

In artikel 27, lid 2, van de WW is bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b onder 2 opgelegd, niet is nagekomen, de bedrijfsvereniging de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

Krachtens het vijfde lid van artikel 27 van de WW kan de bedrijfsvereniging besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4. Overwegingen

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht in bezwaar heeft gehandhaafd de blijvend gehele weigering voor 40 uren per week van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de WW in verband met het niet accepteren van het hem aangeboden werk.

Passend werk?

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de (inwerkingtreding van de) wet Boeten geen beletsel voor verweerder tot hantering van de richtlijn "Passend werk bij werkloosheid" (hierna: de Richtlijn) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als richtsnoer bij de beoordeling of sprake is van passend werk. Uit de wet noch de parlementaire geschiedenis daarvan is af te leiden dat enige wijziging op dit punt wordt beoogd. Veeleer is aan te nemen dat beoogd wordt aan te sluiten bij de tot dat moment gehanteerde criteria met betrekking tot het begrip passende arbeid.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of het aangeboden werk voor eiser passend is, heeft gewezen op zijn opleiding, de omstandigheid dat het werk buiten moest worden verricht, alsmede op het feit dat eiser reeds een jaar werkloos was.

Voor de omstandigheden van dit geval kan naar het oordeel van de rechtbank met verweerders beoordeling worden ingestemd.

De rechtbank merkt hierbij op dat in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat, juist in een situatie waarin aan de weigering passende arbeid te aanvaarden buitengewoon grote gevolgen zijn verbonden, een uitvoeringsinstelling nauwkeurig dient te onderzoeken of de betreffende arbeid als passend is aan te merken. Niettemin acht de rechtbank het in casu ingestelde onderzoek niet ontoereikend. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser in bezwaar en in het beroep steeds heeft aangegeven dat hij het werk in verband met de korte duur heeft geweigerd. Tijdens de bezwaarfase en in het beroepschrift is verder slechts aangegeven dat het werk niet passend is te achten in verband met de aard van het werk. Daarbij is gewezen op eisers vooropleiding en de aard van het voorheen door hem verrichte werk. Eerst ter zitting is namens eiser opgemerkt dat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of het aangeboden werk ook overigens - meer in het bijzonder is gedoeld op de hoogte van de beloning - als passend is aan te merken.

Nu (er op het eerste gezicht) geen aanleiding bestond te twijfelen aan de passendheid van het aangeboden werk, waar het betreft de hoogte van de beloning, en van de kant van eiser met betrekking tot dit punt aanvankelijk geen opmerking is gemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in zijn onderzoekstaak is tekort geschoten.

Met verweerder wijst de rechtbank er verder op dat blijkens vaste jurisprudentie criteria als aard van het werk, beloning en reisduur ruimer dienen te worden geïnterpreteerd al naar gelang het werkloosheidsrisico voor de betrokkene hiertoe aanleiding geeft. Voorts acht de rechtbank nog van belang dat in de Richtlijn wordt aangegeven dat de tijdelijkheid van het werk geen belemmering is om het werk als passend aan te merken. Eerder mag van een betrokkene een flexibeler opstelling worden gevraagd dan wanneer het gaat om vast werk.

Uitgaande van deze criteria concludeert de rechtbank dat de in geding zijnde werkzaamheden -ongeschoold buitenwerk - voor eiser, mede gelet op de duur van zijn werkloosheid, passend zijn te achten.

Informering

Eiser heeft betwist dat hij ten tijde van de in werkingtreding van de Wet Boeten door verweerder is geïnformeerd omtrent de gevolgen van deze wet. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat, zelfs indien de bewuste brief hem niet heeft bereikt, de gevolgen van de wet Boeten ook hun werking voor hem hebben. De wet is immers (voor zover hier van belang), na bekendmaking op de voorgeschreven wijze, op 1 augustus 1996 in werking getreden. De rechtbank acht in dit verband van belang dat, verweerder bij het opleggen van de litigieuze maatregel enkel toepassing heeft gegeven aan de wet.

Redactie artikel 27 van de WW

Met verweerder oordeelt de rechtbank dat de redactie van artikel 27 van de WW geen ruimte laat voor de lezing dat de omvang van de weigering van de uitkering gerelateerd is aan de duur van het geweigerde werk. Met de zinsnede weigering 'over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen' wordt tot uitdrukking gebracht dat de maatregel moet worden toegesneden op de urenomvang van het werk en niet op de duur van het werk.

Evenredigheid

De rechtbank onderschrijft eveneens het oordeel van verweerder dat bij de toepassing van artikel 27, tweede lid, van de WW geen plaats is voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De wet geeft dwingend aan dat de maatregel van blijvend gehele weigering moet worden opgelegd, indien er sprake is van weigering van passend werk. De rechtbank stelt dan ook vast dat het hier gaat om een strikt gebonden bevoegdheid. Voor bestuur en rechter is op dit punt geen nadere toetsing aan het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogelijk.

Voor het antwoord op de vraag of toetsing aan artikel 6 EVRM voor eiser in dit opzicht (enige) soelaas kan bieden, acht de rechtbank van beslissende betekenis of de litigieuze maatregel behoort te worden aangemerkt als een criminal charge.

Bij beantwoording van de vraag of de onderhavige maatregel moet worden aangemerkt als een "criminal charge" in de zin van artikel 6 EVRM is van belang de uitleg van dat begrip door het Europese Hof voor de rechten van de mens (verder: EHRM), zoals daarvan onder meer blijkt uit de arresten van 21 februari 1984 (NJ 1988, nr. 937 Öztürk) en van 24 februari 1994 (NJ 1994, nr. 496 Bendenoun). Uit vermelde jurisprudentie van het EHRM blijkt dat van belang is de aard van de overtreding ("nature of the offence") en de aard en zwaarte van de straf ("nature and degree of severity of the penalty").

Het moet gaan om een algemene regeling waarvan het doel zowel afschrikwekkend als punitief is ("a general rule, whose purpose is both deterrent and punitive"). Verder mag de maatregel niet bedoeld zijn als geldelijke compensatie voor schade maar in wezen als een bestraffing om de overtreder van recidive af te houden ("not as a pecuniary compensation for damage but essentially as a punishment to deter reoffending"). Voorts is van belang jurisprudentie van de CRvB met betrekking tot de premieboete (zie bv. de uitspraak d.d 11 maart 1992, RSV 92, 150) en uitspraken van die Raad d.d. 21 december 1993 (RSV 1994, nr. 132). In laatstgenoemde uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat een sanctie in de zin van artikel 27 van de WW (zoals die gold voor 1 augustus 1996) wegens - onder meer - het overtreden van de inlichtingenplicht geen "criminal charge" is.

Deze criteria toepassend op de hier in geding zijnde norm - het nalaten aangeboden passende arbeid aanvaarden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgen - overweegt de rechtbank als volgt.

Aard van de norm

Bij de beoordeling van dit aspect acht de rechtbank (met name) van belang:

- dat voornoemde norm is gericht op het voorkomen van het verzekerd risico en het beperken van de schade. In zoverre heeft deze norm (in overwegende mate) een privaatrechtelijk equivalent; - dat voornoemde norm slechts kan gelden voor diegene die een beroep doet op de sociale zekerheidswetgeving: het niet trachten te voorkomen of trachten te beperken van het verzekerd risico is alleen te sanctioneren binnen de verzekeringsrelatie.

Gelet op deze elementen beoordeelt de rechtbank de aard van de norm als (overwegend) privaatrechtelijk.

Aard van de sanctie

Van belang bij de typering van de sanctie is de vraag of de sanctie een punitief (bestraffend en preventief) dan wel reparatoir karakter heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet-verstrekken van een uitkering in verband met het niet voldoen aan de voorwaarden gericht op het voorkomen van het sociale risico in beginsel aan te merken als reparatoir, in die zin dat compensatie dient plaats te vinden van de schade die het werkloosheidsfonds lijdt door een onnodig voortgezet beroep op een uitkering ingevolge de WW. Dat de sanctie feitelijk veel verder kan reiken dan enkel compensatie acht de rechtbank op zich zelf van onvoldoende gewicht om haar als punitief aan te merken.

De rechtbank acht in dit verband mede van belang dat blijkens de parlementaire geschiedenis de wetgever met de sanctie geen bestraffing heeft beoogd. Voorts oordeelt de rechtbank dat de door de wetgever mede beoogde preventieve werking van de hoogte van de sanctie niet behoeft te verhinderen dat de sanctie als reparatoir wordt aangemerkt.

Zwaarte van de sanctie

De rechtbank stelt vast dat het feitelijk effect van de sanctie erg groot kan zijn. De omvang van de benadeling kan in het niet vallen bij de omvang van de sanctie.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze (mogelijke) disproportionaliteit tussen benadeling en sanctie op zich onvoldoende om aan te nemen dat de sanctie om die reden is aan te merken als een criminal charge. De rechtbank wijst in dit verband nog op eerdergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (RSV 1994,132). Deze raad heeft ter zake overwogen dat de omvang en het effect van de weigering afhankelijk zal zijn van factoren die op hun beurt geheel in de sfeer liggen van het ingevolge de WW verzekerde risico. Zo zal het eindigen van de werkloosheid door werkhervatting tevens een einde maken aan het effect van een dergelijke sanctie.

De rechtbank concludeert op grond van vorenstaande overwegingen dat, gelet op de te onderscheiden aspecten in hun onderlinge samenhang bezien, de gewraakte sanctie niet is aan te merken als een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM (of artikel 14 Bupo).

De in deze artikelen neergelegde procedurele waarborgen gelden dus niet ten aanzien van het opleggen van onderhavige maatregel en de vraag of de rechter aan deze artikelen de bevoegdheid kan ontlenen om in afwijking van de wettekst te beoordelen of de voorgeschreven maatregel evenredig is en of er wellicht geen of een andere maatregel op zijn plaats is, kan dientengevolge in het midden worden gelaten.

De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat de toetssteen die de CRvB voor de inwerkingtreding van de Wet Boeten bij beoordeling van sancties steeds plachtte te hanteren - voor het onderhavige geval er op neer komend dat de blijvend - (vrijwel) gehele weigering, bezien in het licht van de omvang en de duur van de resterende uitkering, niet onevenredig mag zijn met de aard en ernst van de benadeling - door de wetgever is prijsgegeven ten gunste van een uniform en herkenbaar sanctieregime. Een 'tussenstap', zoals naderhand opgenomen voor de situatie van verwijtbare werkloosheid (bestaande uit een verlaging van het uitkeringspercentage naar 35 gedurende 26 weken), is niet gecreëerd voor de situatie waarin wordt nagelaten passende arbeid te aanvaarden, dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid te verkrijgen. Eiser wordt derhalve geconfronteerd met een door de wetgever bewust in het leven geroepen zeer streng alles of niets-systeem, waarbij de taak van het bestuur en de rechter zijn geminimaliseerd. Waar het betreft de toepassing van artikel 27, tweede lid, van de WW ziet de wetgever de WW alleen als inkomenscompensatie voor die gevallen dat iemand geheel buiten zijn schuld een beroep moet doen op die WW. De wetgever acht de maatregel van volledige weigering aangewezen en evenredig, zodra een betrokkene terzake enig verwijt valt te maken.

Dringende reden

Tenslotte heeft eiser nog betoogd dat in casu sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 27, vijfde lid, van de WW, op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van het opleggen van onderhavige maatregel. De rechtbank merkt dienaangaande allereerst op, dat uit de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat het niet de bedoeling is van de wetgever om langs deze weg alsnog toetsing aan het evenredigheidsbeginsel mogelijk te maken. Zo wordt in de Nota naar aanleiding van het nader verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 23 909, nr. 12, pagina 13) door de regering opgemerkt dat "de mogelijkheid om af te zien van voormelde maatregel wegens dringende redenen alleen aan de orde is, indien de omstandigheden die met zich brengen dat voor betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden optreden indien de maatregel zou worden opgelegd, op zichzelf niets met de oorzaak en de verwijtbaarheid van de werkloosheid te maken hebben." Blijkens de memorie van antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 1995-196, 23 909, nr. 114b, pagina 16) is de regeling bedoeld voor gevallen waarin "toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard", waarbij als voorbeeld gegeven wordt financiële redenen en immateriële omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat in casu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden - niet gelegen in de oorzaak en mate van verwijtbaarheid van de werkloosheid - die verweerder hadden moeten nopen tot het aannemen van een dringende reden om van toepassing van de maatregel af te zien.

III. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, mr. T.F.Bruinenberg en mr. E. de Witt, rechters

en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 1999 door mr. H.C.P. Venema,

in tegenwoordigheid van A. Visser-Bok, griffier.

w.g. A. Visser-Bok w.g. H.C.P. Venema

Afschrift verzonden op: typ: av