Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:1998:AA3563

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
06-05-1998
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
98/192 BELEI t/m 98/198 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekers hebben in Nederland verzocht om toelating als vluchteling. In afwachting van de beslissing op hun verzoek hebben zij huisvesting en een uitkering op grond van de Regeling opvang asielzoekers toegewezen gekregen. In die zogenoemde ROA-woningen wonen zij reeds enige jaren. Hun verzoeken tot toelating als vluchteling in Nederland zijn afgewezen. Vervolgens is de procedure tot verwijdering uit Nederland in gang gezet. Hierbij is van belang dat verzoekers niet beschikken over de benodigde documenten om van Nederland naar China te kunnen reizen. Zij zijn aangewezen op een door de Chinese ambassade af te geven laisser-passer. Laisser-passer-aanvragen zijn afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1998/176 met annotatie van F. Vernimmen-de Jong

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Assen

Kenmerk:

98 / 192 BELEI P05 G07

98 / 193 BELEI P05 G07

98 / 194 BELEI P05 G07

98 / 195 BELEI P05 G07

98 / 196 BELEI P05 G07

98 / 197 BELEI P05 G07

98 / 198 BELEI P05 G07

U I T S P R A A K

Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

A, B, C, D, E, F, G, verzoekers,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meppel, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Verzoekers hebben beroep doen aantekenen tegen verweerders besluiten van 4 december 1997. Tevens hebben zij, bij schrijven van 20 maart 1998, de president van deze rechtbank verzocht terzake van deze besluiten een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder is door de griffier in kennis gesteld van het verzoek.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden, alsmede een verweerschrift. Deze zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers gezonden.

Beide partijen hebben nog nadere stukken in het geding gebracht, en daarvan afschriften aan de wederpartij gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 april 1998.

Verzoekers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door J.W.R. van Tilborg, werkzaam bij INLIA Foundation.

Voor verweerder zijn verschenen, mw. A.S. Hoek en mw. A.J.M. Knol, werkzaam bij de gemeente Meppel, en mr R.J.M. van den Tweel, advocaat te Den Haag.

In de uitnodiging voor de zitting is gewezen op de bevoegdheid van de president om uitspraak in de hoofdzaak te doen.

II. Motivering

a. Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De president acht zich bevoegd, acht het verzoek ontvankelijk en is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening.

b. Feiten

Verzoekers zijn afkomstig uit China. Zij hebben in Nederland verzocht om toelating als vluchteling. In afwachting van de beslissing op hun verzoek hebben zij huisvesting en een uitkering op grond van de Regeling opvang asielzoekers (verder: ROA) toegewezen gekregen in Meppel. In die zogenoemde ROA-woningen wonen zij reeds enige jaren. Hun verzoeken tot toelating als vluchteling in Nederland zijn afgewezen. Vervolgens is de procedure tot verwijdering uit Nederland in gang gezet. Hierbij is van belang dat verzoekers niet beschikken over de benodigde documenten om van Nederland naar China te kunnen reizen. Zij zijn aangewezen op een door de Chinese ambassade af te geven laisser-passer.

Op 13 juni 1996 heeft verweerder besloten bij de beëindiging van ROA voorzieningen van rechtmatig verwijderbare documentloze asielzoekers het zogenoemde stappenplan van het Ministerie van Justitie te volgen (zie onder c2 van deze uitspraak).

Verzoekers hebben in september 1995 (A, B en D) en november 1995 (G, F, en C) een laisser-passer aangevraagd bij de Chinese ambassade. Van E is niet bekend of en wanneer hij een laisser-passer heeft aangevraagd. Mogelijk heeft hij dit in 1994 reeds gedaan.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (hierna: IND) heeft op 22 maart 1996 aan de vreemdelingendienst Hoogeveen laten weten dat de Chinese ambassade voor C geen laisser-passer heeft afgegeven. De IND heeft op 3 juni 1996 aan de vreemdelingendienst Steenwijk laten weten dat de laisser-passer aanvragen van A en B onvolledig zijn ingevuld en heeft gevraagd de laisser-passer aanvragen, voorzien van de juiste informatie, zo spoedig mogelijk retour te zenden. Eveneens op 3 juni 1996 heeft de IND aan de vreemdelingendienst Hoogeveen laten weten dat de laisser-passer aanvragen van G, F en D onvolledig zijn ingevuld en heeft gevraagd de laisser-passer aanvraag, voorzien van de juiste informatie, zo spoedig mogelijk retour te zenden. De IND heeft de betreffende informatie van de Chinese ambassade ontvangen. Bij geen van de verzoekers heeft de ambassade aangegeven welke informatie ontbreekt c.q. welke informatie niet correct is. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat dit de gebruikelijke gang van zaken is.

In september 1996 (B, G, F, E, D) oktober 1996 (A) en mei 1997 (C) heeft de Vreemdelingendienst (VD) een onderhoud met verzoekers gehad. Bij dat onderhoud heeft de ambtenaar van de VD verzoekers conform het stappenplan een zogenoemd formulier BRV 1 uitgereikt, waarin onder meer wordt uitgelegd dat bij gebrek aan medewerking de ROA-voorzieningen worden beëindigd. Naar aanleiding van dit onderhoud heeft de Vreemdelingendienst aan verweerder via een zogenoemd formulier BRV 3 laten weten dat verzoekers weigeren een BRV 2/D41 te ondertekenen/in te vullen en daarmee geen bereidheid blijken te geven tot het doen van stappen ter verkrijging van een reisdocument. Tenslotte heeft de Vreemdelingendienst verweerder laten weten dat verzoekers is aangezegd Nederland te verlaten.

Bij besluiten van 15 juli 1997 heeft verweerder aan verzoekers laten weten dat de verstrekkingen in het kader van de Regeling Opvang Asielzoekers (ROA) per 1 augustus 1997 zullen worden beëindigd en dat zij 7 dagen de tijd krijgen om hun woningen in Meppel te verlaten. Verzoekers zijn niet gehoord voorafgaande aan deze besluiten en hebben ook anderszins geen gelegenheid gehad hun zienswijzen ten aanzien van de voorgenoemde besluiten naar voren te brengen.

Verzoekers hebben op 30 juli 1997 bezwaar doen maken tegen verweerders besluiten van 15 juli 1997. Bij schrijven van 2 september 1997 zijn de gronden van het bezwaar ingediend.

In het kader van de behandeling van hun bezwaar zijn verzoekers op 16 oktober 1997 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoekers zijn niet in persoon verschenen op de hoorzitting; zij hebben zich laten vertegenwoordigen door onder meer de heer Van Tilborg.

Bij besluiten van 4 december 1997 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers onge- grond verklaard. Ter motivering van de besluiten is verwezen naar het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Meppel.

Verzoekers hebben bij schrijven van 13 januari 1998 beroep doen instellen tegen verweerders besluiten van 4 december 1997. De gemachtigde van verzoekers heeft op 3 februari 1998 de gronden van het beroep ingediend.

Bij schrijven van 20 maart 1998 heeft de gemachtigde van verzoekers de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen terzake van verweerders besluiten van 4 december 1997.

c. Beoordeling

c.1 beoordelingskader

Verzoekers hebben de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Ter beantwoording van de vraag of die voorziening dient te worden toegewezen, moet allereerst de houdbaarheid van het door verweerder met de bestreden besluiten beoogde gevolgen worden ingeschat. Daartegen dient te worden afgewogen, het belang van verzoekers bij het treffen van de gevraagde voorziening. Daarbij geldt dat naarmate de houdbaarheid van verweerders besluiten negatiever wordt ingeschat, aan het belang van verzoekers bij het treffen van een voorziening meer gewicht toekomt. Gelet op de vorenomschreven toetsing, zal de president zich bij zijn beoordeling van de houdbaarheid van de besluiten niet richten op eventuele gebreken van de bestreden besluiten die voor de rechtbank waarschijnlijk aanleiding zouden kunnen zijn toepassing te geven aan het bepaalde in artkel 6:22 Awb, of voor een (formele) vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen van de besluiten.

c.2 toepasselijke regelgeving en beleid

In artikel 15, eerste lid, van de Regeling opvang asielzoekers (ROA) is bepaald dat de gemeente verplicht is opvang te bieden aan asielzoekers ten aanzien van wie de minister aan de gemeente een daartoe strekkend verzoek heeft gericht, tot ten hoogste een aantal asielzoekers dat gelijk is aan het aantal in het kader van een overeenkomst als bedoeld in artikel 14 door de gemeente beschikbaar te stellen opvangplaatsen.

In artikel 15, tweede lid, van de ROA is bepaald dat de opvang de volgende verstrekkingen omvat:

a. woonruimte;

b. een toelage voor persoonlijke uitgaven;

c. een verzekering tegen ziektekosten alsmede een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid;

d. betaling van buitengewone kosten;

e. sociaal- culturele activiteiten.

In artikel 15, derde lid, onder c van de ROA is bepaald dat de opvang van een asielzoeker, indien het een asielzoeker betreft voor wie een last tot uitzetting is gegeven en die ingevolge een daartoe strekkende mededeling van de plaatselijke politie Nederland moet verlaten, in elk geval eindigt op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge die mededeling dient te verlaten.

De staatssecretaris van Justitie heeft op 24 oktober 1994 aan de colleges van B&W een brief geschreven waarin zij hen verzoekt mee te werken aan de uitvoering van een op 12 november 1993 door de Ministerraad genomen besluit. Dit besluit houdt in dat verstrekkingen aan uitgeprocedeerde documentloze asielzoekers die weigeren mee te werken aan het verkrijgen van vervangende reis- en identiteitspapieren worden beëindigd.

De uitvoering van het besluit van de Ministerraad kan, aldus de Staatssecretaris, gebeuren volgens een stappenplan. In een besluit van verweerder van 13 juni 1996, inhoudende dat zal worden overgegaan tot beëindiging van de ROA-verstrekkingen aan verzoekers, heeft verweerder aangegeven uitvoering te zullen geven aan dit stappenplan. Uitgangspunt van het stappenplan is dat de betrokkene alleen van de ROA-voorzieningen gebruik kan blijven maken, indien hij medewerking verleent aan het verkrijgen van de benodigde reisdocumenten. Voor personen van de Chinese nationaliteit houdt dat in het invullen van een zogenoemd formulier D 41/3.

Bij de circulaire van 3 juli 1997 is het genoemde stappenplan vervangen door een nieuw stappenplan met grotendeels dezelfde strekking. Dat stappenplan is onderverdeeld in 2 trajecten: het ene traject (traject A) geeft de stappen weer die tot de vaststelling kunnen leiden dat de betrokken vreemdeling weigert medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde documenten; het andere traject (traject B) geeft de stappen weer die de gemeente, dan wel het COA dient te nemen nadat is vastgesteld dat de betrokken asielzoeker medewerking weigert te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde documenten.

Traject A houdt in hoofdzaak in dat de Vreemdelingendienst op schrift stelt welke onderzoeksactiviteiten zij heeft ondernomen en toelicht waarom zij op grond van deze activiteiten tot de conclusie is gekomen dat de betrokken vreemdeling medewerking heeft geweigerd, en voorts dat de Vreemdelingendienst deze 'vaststelling' alsmede de beschikbare last tot uitzetting doorstuurt naar de gemeente waar de betrokkene woont.

Traject B houdt, voor zover voor de beoordeling van de onderhavige zaken van belang, onder meer het volgende in:

- De gemeente gaat na of het onderzoek van de Vreemdelingendienst voldoende zorgvuldig is geweest om vast te kunnen stellen dat medewerking is geweigerd. Als de gemeente van mening is dat het onderzoek van de Vreemdelingendienst zorgvuldig is geweest, dan stelt de gemeente de betrokkene in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen en informeert hem over zijn situatie en vooruitzichten.

- De gemeente neemt de beschikking tot beëindiging van de opvangvoorzieningen. De beschikking moet zorgvuldig zijn voorbereid en moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit laatste houdt in dat moet worden nagegaan of zich bijzondere, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan in het individuele geval de betrokken vreemdeling toch aanspraak moet blijven houden op opvangvoorzieningen.

- De gemeente reikt aan de betrokken vreemdeling een beschikking tot beëindiging van de opvangvoorzieningen uit; de vreemdeling wordt verzocht de woning te verlaten, waarbij hem een verklaring ter ondertekening wordt voorgelegd.

- De gemeente blijft de kosten van levensonderhoud doorbetalen, totdat de woning kan worden ontruimd.

c.3 overwegingen

De president ziet geen aanleiding direct uitspraak te doen in de hoofdzaken.

Verweerder voert in navolging van de Staatssecretaris van Justitie het beleid dat de voorzieningen, nadat een last tot uitzetting is gegeven, niet worden beëindigd indien de zogenoemde laisser-passer van de betrokken asielzoeker op het vastgestelde tijdstip (nog) niet beschikbaar is, terwijl betrokkene wel medewerking verleent om die reisdocumenten te verkrijgen.

Aan de besluiten van verweerder ligt de vaststelling ten grondslag dat verzoekers geen medewerking verlenen aan het verkrijgen van genoemde reisdocumenten, terwijl er overigens geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de ROA voorzieningen te blijven verstrekken. Doorslaggevend voor deze vaststelling door verweerder is de vaststelling door de Vreemdelingendienst (VD) dat eisers geen medewerking verlenen. De VD heeft verweerder via een zogenoemd BRV 3 formulier van die vaststelling op de hoogte gesteld.

Van de zijde van verzoekers is aangevoerd dat zij altijd bereid zijn geweest medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de vereiste reisdocumenten en dat zij dat ook nu nog zijn. Verzoekers bestrijden de vaststelling van de VD.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 22 september 1997, nr. N01.96.0899, dient verweerder de mededeling van de VD dat geen medewerking wordt verleend, slechts "marginaal te toetsen". De ABRS heeft overwogen dat indien conform het stappenplan een reisdocument is aangevraagd en de betrokken ambassade weigert die te verstrekken, omdat betrokkene niet op basis van de door hem opgegeven informatie kon worden getraceerd, verweerder dit gegeven in beginsel als een indicatie kan zien dat de betrokkene medewerking weigert. Dit zou in de visie van de ABRS anders kunnen zijn, indien bijvoorbeeld op grond van door de betrokkene overgelegde gegevens of anderszins gebleken feiten en omstandigheden, er aanleiding is tot twijfel omtrent de juistheid van de mededeling van de VD. In dat geval kan verweerder zich niet zonder meer op de mededeling van de VD baseren.

Naar het oordeel van de president brengen de eisen die moeten worden gesteld in het kader van de zorgvuldigheid die een bestuursorgaan bij het voorbereiden en nemen van een besluit in acht moet nemen met zich mee dat het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat het onderzoek door de VD naar de relevante feiten en gedragingen op juiste wijze heeft plaats gevonden. Onderdeel van die toetsing is tevens of het advies concludent is, dat wil zeggen of het advies logischerwijs voortvloeit uit de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Om dat te kunnen beoordelen dient duidelijk te zijn om welke feiten en omstandigheden het gaat en op welke wijze die zijn vastgesteld.

In dat kader is het zogenoemde stappenplan van belang. Een van de uitgangspunten bij het tweede stappenplan is dat de VD gemotiveerd en toegelicht op papier zet welke onderzoeksactiviteiten zij heeft ondernomen en dat de VD toelicht waarom zij, gelet op deze activiteiten, tot de vaststelling komt dat de betrokkene medewerking heeft geweigerd. Dit vloeit overigens, zoals voren overwogen, naar het oordeel van de president reeds voort uit de eisen van de in acht te nemen zorgvuldigheid.

In de onderhavige gevallen heeft de VD via het zogenoemde formulier BRV 3 in met name september en oktober 1996 aan verweerder bericht, dat de betrokkenen weigeren een BRV 2/D41 te ondertekenen/in te vullen en daarmee "geen bereidheid blijken te geven" tot het doen van stappen ter verkrijging van een reisdocument.

Na ontvangst van deze formulieren is door verweerder aanvankelijk geen actie ondernomen om conform het stappenplan te komen tot een beslissing omtrent de beëindiging van de ROA voorziening op grond van het bepaalde in artikel 15, derde lid, aanhef en onder c. Wel hebben enkele andere ontwikkelingen rond verzoekers plaats gevonden die onder meer hebben geleid tot hun verplaatsing naar het Verwijdercentrum te Ter Apel en daarna de terugkeer naar de ROA woningen. Bij brief van 23 mei 1997 is aan verweerders gemachtigde bericht dat verzoekers in het stappenplan zullen worden opgenomen.

Verweerder heeft vervolgens de VD mondeling verzocht om een schriftelijke verantwoording van de vaststelling dat verzoekers weigerachtig zijn. Dit heeft geleid tot het proces-verbaal d.d. 17 juni 1997 van dhr. Bonte. In dit proces-verbaal heeft hij onder meer gesteld:

"... Al deze Chinezen meldden zich op de daarvoor bestemde dag, en werden gevraagd of ze Nederland wilden verlaten of dat ze zelf een reisdocument wilden aanvragen. Al deze personen weigerden dit, waarna ze schriftelijk werd medegedeeld dat ze Nederland binnen 7 dagen dienden te verlaten. Ook het desbetreffende formulier weigerden ze te ondertekenen. (BRV 2 ingevolge het stappenplan)...."

Verweerder heeft vervolgens op basis van dit proces-verbaal en na dossieronderzoek ter plaatse bij de VD, de aangevallen besluiten genomen. Bij de mondelinge behandeling van de verzoeken heeft verweerder desgevraagd gesteld dat aan de vaststelling door de VD dat verzoekers weigerachtig zijn, alleen de overgelegde stukken ten grondslag liggen. In het dossier van de VD heeft verweerder geen proces-verbaal aangetroffen van het gesprek dat door de ambtenaar van de VD met de verzoekers, al of niet individueel of groepsgewijs, is gevoerd in september/oktober 1996. Ook zijn geen aantekeningen betreffende dat gesprek aangetroffen. Voorts bevatten de dossiers geen afschriften van aan verzoekers ter nadere invulling en/of ondertekening voorgelegde A41 en BRV 2 formulieren.

Dit brengt de president tot de volgende conclusie. Verweerder heeft aan de besluiten tot beëindiging van de ROA voorzieningen van verzoekers een proces-verbaal ten grondslag gelegd, dat is opgemaakt op verzoek van verweerder. Gelet op het verrichte dossieronderzoek door verweerder en gelet op het verhandelde ter zitting heeft ook verweerder daarbij het volgende kunnen vaststellen. Voor de beantwoording van de vraag van verweerder aan de betreffende ambtenaar, om alsnog op papier te zetten hoe de vaststelling dat verzoekers weigerachtig waren tot stand is gekomen, heeft de betrokken ambtenaar vrijwel zeker moeten putten uit zijn geheugen. De ambtenaar beschikte alleen over de in een standaard vorm gegoten mededeling dat de Chinese ambassade van mening is dat de gegevens van de betrokkenen niet voldoende en/of niet juist zijn ingevuld en over het door de ambtenaar zelf ingevulde BRV 3 formulier van negen maanden eerder.

Niet is gebleken dat verweerder zelf een nader onderzoek heeft verricht naar de in het proces-verbaal opgenomen feiten en omstandigheden. Verweerder heeft deze ook niet geverifieerd bij verzoekers zelf door verzoekers bijvoorbeeld de gelegenheid te geven hun zienswijze kenbaar te maken op het voorgenomen besluit tot beëindiging van de voorzieningen.

Gelet ook op de weinig gedetailleerde inhoud van het voornoemde proces-verbaal van 17 juni 1997, is de president van oordeel dat aan de inhoud van dat proces-verbaal slechts beperkte betekenis kan worden toegekend, waar het betreft de beoordeling van de vraag op grond van welke feiten en omstandigheden is geconcludeerd dat verzoekers weigerden medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de benodigde reispapieren.

In dat kader acht de president onder meer van belang dat bij het stappenplan dat specifiek geldt ten aanzien van Chinezen, het zogenoemde formulier BRV 2 in het geheel geen rol speelt. Alleen het A41 formulier is relevant en juist dat wordt niet genoemd in het proces-verbaal.

Voorts acht de president ook van belang het na de vorengenoemde uitspraak van de ABRS van 22 september 1997 tot stand gekomen advies van de commissie Van Dijk van 15 januari 1998 en de dat rapport onderschrijvende reactie van de Staatssecretaris van 23 maart 1998. In het rapport wordt de nadruk gelegd op de vereiste actieve houding van de asielzoeker en wordt tevens gesteld dat het oordeel van de Chinese ambassade over de vraag of de betrokkene volledige en juiste informatie heeft verstrekt volledig los moet worden gezien van de inspanningsverplichting die de asielzoeker heeft.

Dit betekent dat het belangrijk is om precies te weten waar de conclusie dat de betrokken asielzoeker weigerachtig is, op is gebaseerd. Als de asielzoeker bijvoorbeeld op de mededeling namens de Chinese ambassade dat onvoldoende c.q. onvolledige gegevens zijn verstrekt, reageert met de stelling dat hij niet weet wat aan de aanvraag mankeert en bereid is dezelfde aanvraag met dezelfde informatie opnieuw te ondertekenen, kan gelet op het in het rapport van de commissie Van Dijk neergelegde standpunt, niet zonder meer daaruit de conclusie worden getrokken dat de betrokkene weigert mee te werken. Hij is immers bereid de aanvraag opnieuw in te zenden en de weigerachtigheid zou alleen kunnen worden afgeleid uit de stelling van de Chinese ambassade dat de aanvraag onvoldoende was ingevuld.

Ook los van dit voorbeeld vloeit naar het oordeel van de president uit het zorgvuldigheidsbeginsel voort dat verweerder moet kunnen verifiëren op basis van exact welke handelingen c.q. mededelingen van de betrokkene is geconcludeerd dat hij weigerachtig is om mee te werken.

Het vorenoverwogene brengt de president tot de voorlopige conclusie dat verweerder op basis van de overgelegde gegevens zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vaststelling van de VD op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Voorts is de president van oordeel dat verweerder gelet op het vorenoverwogene zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekers in de periode septem- ber/oktober 1996 weigerden mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde (vervangende) reis- en identiteitsdocumenten. De president acht het gelet hierop waarschijnlijk dat de rechtbank in de hoofdzaken de beroepen gegrond zal verklaren en de betreffende besluiten zal vernietigen, zonder het in stand laten van de rechtsgevolgen van die besluiten.

Gelet op het voor verzoekers grote belang bij voortzetting van de ROA-voorzieningen en nu namens verzoekers met nadruk is gesteld dat zij bereid waren, zijn en zullen blijven om mee te werken aan hun uitzetting, ziet de president voldoende aanleiding voorlopige voorzieningen te treffen.

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekers. Deze worden met toepassing van het Besluit proceskosten vastgesteld op f 3.195,- aan kosten van rechtsbijstand en f 18,- aan reiskosten per verzoeker. Bij de berekening van de kosten van rechtsbijstand is uitgegaan van 2 punten, meer dan 4 samenhangende zaken, dus factor 1,5, en de wegingsfactor zwaar (factor 1,5).

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De president:

- schorst de besluiten 4 december 1997;

- bepaalt dat verweerder de ROA voorzieningen van verzoekers voortzet tot 6 weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken.

- veroordeelt verweerder in de kosten aan de zijde van verzoekers gevallen ten bedrage f 3.321,- (f 3.195,- kosten van rechtsbijstand en f 18,- aan reiskosten per verzoeker), en bepaalt dat de gemeente Meppel deze kosten, alsmede het griffierecht ad f 210,- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter

en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 1998

door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. A.T. de Kwaasteniet

Afschrift verzonden op:

typ: ams