Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:CA0717

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
229844
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de man tot verlaging van kinderalimentatie wordt afgewezen. Hoge kinderalimentatie is geen verkapte partneralimentatie. Het feit dat de vrouw slechts een gering inkomen heeft, is geen reden om de kinderalimentatie te verlagen. De vrouw heeft geen verantwoordingsplicht ten aanzien van de besteding van de kinderalimentatie, en er is geen rechtsregel die verbiedt dat de vrouw meeprofiteert van de toename van het gezinsinkomen als gevolg van de kinderalimentatie. Het beroep van de man op Hof den Bosch 14 februari 2012, LJN BV3856 wordt verworpen.

Nu de man zijn draagkracht niet ter discussie heeft gesteld en geen enkele inzage heeft gegeven in zijn toenmalige of huidige financiële situatie, heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat de destijds vastgestelde kinderalimentatie niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: 229844 / FA RK 12-11097

Datum uitspraak: 12 december 2012

beschikking alimentatie

in de zaak van

[verzoeker] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats]

advocaat mr. G. Raap te Almere

tegen

[verweerster] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats]

advocaat mr. drs. L.M.H. Nelissen te Culemborg.

Gezien de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, ingekomen op 16 mei 2012;

- het aanvullend verzoekschrift, ingekomen op 19 juni 2012

- het verweerschrift, ingekomen op 6 juli 2012;

- een brief met bijlagen namens vrouw, ingekomen op 10 oktober 2012;

- een telefaxbrief met bijlagen namens de man, ingekomen op 15 oktober 2012.

Gehoord ter terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2012:

- de man, bijgestaan door mr. Raap voornoemd;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Nelissen voornoemd.

Overwegende

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke relatie is beëindigd in 2008.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2009 is bepaald dat de man met ingang van 1 november 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [naam kind 2] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 600,-- per kind per maand, alsmede een bedrag van € 100,-- per kind per maand als bijdrage in de kinderopvang en nog een extra bedrag van € 400,-- per kind per jaar.

De man verzoekt thans de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de hij ten behoeve van voormelde minderjarigen met ingang van 15 mei 2012 zal betalen € 350,-- per kind per maand. Daarnaast verzoekt de man de rechtbank tevens te bepalen dat voor de periode tot 15 mei 2012 geldt dat hetgeen hij tot dan aan kinderalimentatie heeft voldaan en tot aan dat moment geen alimentatie voor de kinderen meer aan de vrouw verschuldigd is. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man primair aangevoerd dat de door hem te betalen kinderalimentatie indirect dient te worden gezien als zijnde partneralimentatie.

De man verwijst daarvoor naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14-02-2012 LJN: BV3856.

Subsidiair meent de man dat de behoefte aan kinderalimentatie wordt beperkt tot de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van 2008, zijnde € 600,-- per kind per maand

De vrouw heeft tegen het verzoek van de man gemotiveerd verweer gevoerd. Zij is van mening dat er aan de zijde van de man geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. In die zin meent de vrouw dan ook dat de man ter zake van zijn gedane verzoek en aanvullend verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel zijn verzoeken dienen te worden afgewezen.

De ontvankelijkheid

Het enkele feit dat de man opnieuw is getrouwd en uit dit huwelijk een kind is geboren levert een wijziging van omstandigheden op als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De man is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.

De behoefte aan kinderalimentatie

De rechtbank overweegt als volgt.

De behoefte van het kind wordt bepaald aan de hand van de Tabel, behorend bij het rapport “Kosten van kinderen ten behoeve van de vaststelling van kinderalimentatie”.

Bepalend voor de behoefte van het kind aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, in casu 2008.

Dit inkomen is ook na het verbreken van de relatie de maatstaf. Het kind moet in beginsel niet slechter af zijn na en door de verbreking van de relatie tussen zijn ouders.

Verhoging van het inkomen van een ouder voor zover dit hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het verbreken van de relatie behoort in beginsel wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien de relatie zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Voor het geval het inkomen van een ouder het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen.

De rechtbank verwerpt het primaire standpunt van de man, kort gezegd inhoudend dat de kinderalimentatie moet worden verlaagd omdat het huidige bedrag indirect moet worden bezien als zijnde tevens partneralimentatie, waarbij de man zich beroept op de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14-02-2012 LJN: BV 3856 om de volgende redenen. In de eerste plaats betreft de situatie in genoemde uitspraak een geheel andere dan de onderhavige. Bij die beslissing was er sprake van een gezinssituatie waarbij de ouders van de minderjarige nooit hebben samengewoond. In de onderhavige procedure is zulks wel het geval, immers onweersproken is door de vrouw aangevoerd dat de relatie van partijen 11 jaar heeft stand gehouden, waarbij zij met de kinderen als gezin onder een dak hebben samengeleefd, waardoor de kinderen ook daadwerkelijk zijn opgegroeid in de welstand van partijen gezamenlijk.

Voorts valt niet in te zien dat de kinderen van partijen als gevolg van hun uiteengaan met een lagere behoefte genoegen zouden moeten nemen en dus benadeeld zouden worden, enkel vanwege het feit dat de vrouw slechts een gering inkomen heeft. Indien partijen immers niet uiteen gegaan waren of wanneer de kinderen bij de man waren verbleven, zou de behoefte ook niet naar beneden zijn bijgesteld.

De stelling van de man dat de kinderalimentatie verlaagd moet worden omdat hij geen onderhoudsplicht jegens de vrouw heeft, terwijl de man het aannemelijk vindt dat de vrouw thans wel meeprofiteert van de kinderalimentatie gelet op de hoogte van haar eigen inkomen, snijdt evenmin hout. De vrouw is niet verplicht om te verantwoorden waaraan zij de kinderalimentatie besteedt. Er is ook geen rechtsregel die verbiedt dat de vrouw meeprofiteert van de toename van het gezinsinkomen als gevolg van de kinderalimentatie. Afgezien hiervan, en daargelaten het feit dat de man zich baseert op vermoedens, heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij de kinderalimentatie wel degelijk ten behoeve van de kinderen uitgeeft, zoals hoge oppaskosten, een auto voor het halen en brengen van de kinderen, fietsen, een laptop en allerlei andere kosten die ook partijen gewoon waren te maken. De rechtbank concludeert dan ook dat van een verkapte partneralimentatie geen sprake is.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat het standpunt van de man implicaties heeft die in strijd komen met de uitgangspunten van de Wet Werk en Bijstand (verder WWB). Indien de vrouw in de toekomst in de bijstand zou komen, is haar bijstandsuitkering onsplitsbaar en wordt bij het door de gemeente te plegen bijstandsverhaal op de man ook niet gesplitst in een deel ten behoeve van de kinderen en een deel ten behoeve van de vrouw. De door de man te betalen kinderalimentatie telt dan volledig mee bij de berekening van het gezinsinkomen van de vrouw, aangezien de wetgever bij de WWB uitgaat van de solidariteitsgedachte waarbij de gezinsleden delen in door hen te ontvangen inkomsten. Vermindering thans van de kinderalimentatie in de door de man gewenste zin beperkt de hoogte van een mogelijk bijstandsverhaal in de toekomst en wentelt op die wijze een deel van de onderhoudsplicht van de man af op de publieke middelen. Dat is in strijd met het wettelijk beginsel dat een bijstandsuitkering een subsidiaire verstrekking is.

Gelet op al het voorgaande wordt het primaire standpunt van de man verworpen.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de man overweegt de rechtbank hetvolgende. Gelet op HR 4 februari 2000, NJ 2000, 213 heeft de rechter bij een vastgestelde wijziging van omstandigheden de vrijheid de alimentatie ex nunc opnieuw vast te stellen. De rechtbank ziet daartoe echter geen aanleiding. De man heeft zijn draagkracht niet ter discussie gesteld en heeft op geen enkele wijze inzage gegeven in zijn financiële situatie ten tijde van het uiteengaan van partijen, noch in zijn huidige financiële situatie. Dat brengt met zich mee dat niet valt te beoordelen of het inkomen van de man lager dan wel hoger is dan het gezinsinkomen ten tijde van het verbreken van de relatie. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de destijds vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Aan de maximale behoeften van kinderen volgens het Tremarapport is de rechtbank niet gebonden, bovendien kent ook het Tremarapport de mogelijkheid om met bijzondere kosten rekening te houden bij het bepalen van de behoefte van kinderen. Aldus worden de verzoeken van de man afgewezen.

De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn, rechter, in tegenwoordigheid van R. van den Berg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.