Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BZ0280

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
237186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van openstaande facturen.

Voldoende aannemelijk dat Hilckmann c.s. door het gebeuren op 6 juli 2012 schade heeft geleden in een omvang die de vorderingen van eiseres, ook al zouden deze geheel vaststaan, kan overschrijden en dat voldoende samenhang bestaat tussen de daaruit voortvloeiende vordering tot schadevergoeding en de verbintenis tot betaling van de gefactureerde vorderingen van eiseres, zodat Hilckmann c.s. tot opschorting bevoegd moet worden geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 237186 / KG ZA 12-654

Vonnis in kort geding van 21 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

eiseres

advocaat mr. dr. D. Coskun LL.M. te Arnhem

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VLEESHANDEL HILCKMANN NIJMEGEN B.V.

gevestigd te Nijmegen

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SLACHTHUIS NIJMEGEN B.V.

gevestigd te Nijmegen

gedaagden

advocaat mr. G.J.G. Olijslager te Nijmegen

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden. Gedaagden zullen Hilckmann en Slachthuis Nijmegen worden genoemd en tezamen als Hilckmann c.s. (vrouwelijk enkelvoud) worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van Hilckmann c.s.

1.2. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 21 december 2012 vonnis gewezen. Hierna zullen de overwegingen van dat vonnis worden gegeven.

2. De feiten

2.1. Hilckmann en Slachthuis Nijmegen maken deel uit van de Hilckmann Groep. Slachthuis Nijmegen exploiteert een slachthuis voor de slacht van varkens en runderen. Hilckmann exploiteert een vleesverwerkingsbedrijf. Slachthuis Nijmegen levert haar diensten aan Hilckmann.

2.2. [eiseres] exploiteert een uitzendbureau en levert sinds eind 2007 uitzendkrachten aan Hilckmann c.s.

2.3. Het aantal uitzendkrachten dat [eiseres] aan Hilckmann c.s. uitleent verschilt van dag tot dag en fluctueerde het afgelopen jaar van circa 100 tot 135 per week.

2.4. Omdat het slecht gaat in de vleesbranche heeft Hilckmann c.s. haar werkzaamheden in mei 2012 gereorganiseerd. In de maanden mei en juni 2012 is er overleg geweest tussen [eiseres] en Hilckmann c.s. over de in de toekomst te hanteren tarieven.

2.5. Op 5 juli 2012 heeft overleg tussen partijen plaats gevonden. Afgesproken is de maandag daarop een voorstel te bespreken tot geleidelijke vervanging van duurdere uitzendkrachten door goedkopere (‘fasering’).

2.6. Op 5 juli 2012 heeft de productiemanager van Hilckmann, de heer [betrokkene], [eiseres] per sms meegedeeld per maandag 9 juli 2012 geen behoefte te hebben aan een viertal uitzendkrachten van [eiseres]. Daarna heeft een aantal telefoongesprekken tussen [eiseres] en [betrokkene] plaatsgevonden.

2.7. Op vrijdagochtend 6 juli 2012 zijn nagenoeg alle uitzendkrachten van [eiseres] niet bij Hilckmann c.s. verschenen. Slechts vijf van hen zijn wel verschenen.

2.8. Dezelfde dag heeft Hilckmann c.s. [eiseres] mondeling laten weten dat zij met ingang van maandag 9 juli 2012 geen uitzendkrachten meer mocht leveren aan Hilckmann c.s..

2.9. Bij brief van 9 juli 2012 heeft de advocaat van [eiseres] Hilckmann c.s. gesommeerd haar uitzendkrachten toe te laten tot de werkzaamheden.

2.10. Op 10 juli 2012 hebben zich circa 90 uitzendkrachten van [eiseres] gemeld bij Hilckmann c.s.. Hilckmann c.s. heeft geweigerd deze uitzendkrachten als uitzendkrachten van [eiseres] toe te laten. Via een ander uitzendbureau waren zij wel welkom.

2.11. [eiseres] heeft in een eerder kort geding – kort weergegeven – veroordeling van Hilckmann c.s. gevorderd tot voortzetting van de overeenkomst tussen partijen en een verbod aan Hilckmann c.s. het door [eiseres] uitgeleende personeel zelf te benaderen. In die procedure heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 6 augustus 2012 de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Daartoe is in dat vonnis geoordeeld dat Hilckmann c.s. gerechtigd was de duurovereenkomst per direct te beëindigen.

2.12. [eiseres] heeft (spoed)appel ingesteld tegen het vonnis van 6 augustus 2012.

2.13. Bij afzonderlijke brieven van 10 september 2012 heeft [eiseres] Hilckmann c.s. gesommeerd tot betaling van openstaande bedragen van € 25.075,98 (welk bedrag ziet op facturen met de nummers 21713, 21722, 21729 en 21730) en € 32.675,85 (welk bedrag ziet op facturen met de nummers 21671, 21715, 21724, 21731 en 21732).

2.14. Bij brief van 13 september 2012 heeft Hilckmann c.s. [eiseres] bericht dat ten aanzien van Hilckmann de facturen van week 27, nummer 21731 ad € 1.105,75 en nummer 21732 ad € 29.086,85, en ten aanzien van Slachthuis Nijmegen de facturen van week 27, nummer 21729 ad € 853,94 en nummer 21730 ad € 22.740,45, nog open staan. De betaling van deze facturen heeft Hilckmann c.s. vervolgens opgeschort totdat [eiseres] de door Hilckmann c.s. op 6 juli 2012 beweerdelijk geleden schade heeft vergoed.

2.15. Na daartoe verleend verlof van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] medio september 2012 voor een bedrag van respectievelijk € 40.000,- en € 30.000,- conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Hilckmann c.s. op rekeningen bij de ABN AMRO N.V..

Dit beslag heeft geen doel getroffen.

2.16. Bij vonnis van 21 september 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [eiseres] tot betaling van ruim € 487.000,- door Hilckmann c.s. als voorschot op schadevergoeding afgewezen. Daartoe is onder meer het volgende overwogen:

4.2. [eiseres] legt in dit kort geding aan haar vordering ten grondslag dat Hilckmann ten onrechte de duurovereenkomst van partijen met onmiddellijk ingang heeft opgezegd.

Die kwestie is op zichzelf al aan de orde geweest in het eerdere kort geding tussen partijen (zaakgegevens: 232159 / KG ZA 12-391). Dat hoeft er niet aan in de weg te staan dat in een later kort geding, zoals het onderhavige, de kwestie nogmaals wordt voorgelegd. Echter in het onderhavige kort geding is niet gebleken dat [eiseres] voor haar stelling dat de overeenkomst niet met onmiddellijke ingang beëindigd mocht worden, andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dan in het eerdere kort geding. Nu aldus in de onderhavige procedure heeft te gelden dat de vraag of Hilckmann de overeenkomst mocht beëindigen zoals zij heeft gedaan, reeds aan de hand van het aangevoerde feitencomplex is beoordeeld bij vonnis van 6 augustus 2012, is het niet aan de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding om een nieuw oordeel hierover te geven op basis van dezelfde feiten en omstandigheden. Anders zou dit kort geding als een soort verkapt hoger beroep van het vonnis van 6 augustus 2012 fungeren en daartegen verzet zich het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Die herbeoordeling hoort dan ook thuis in de lopende appelprocedure.

4.3. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat er gezien het reeds eerder uitgesproken oordeel dat Hilckmann gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen thans geen aanleiding is om aan te nemen dat in de bodemprocedure die [eiseres] wil starten, geoordeeld zal worden dat Hilckmann de overeenkomst van partijen niet per direct had mogen opzeggen en Hilckmann in verband daarmee tot schadevergoeding zal worden veroordeeld. Aldus staat de aard van de vordering van [eiseres] onvoldoende vast. Maar ook de omvang ervan kan niet voldoende worden vastgesteld. Zonder nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich niet leent, kan aan de hand van de stukken die [eiseres] over de omvang van de door haar gestelde schade in het geding heeft gebracht, geen betrouwbare prognose gegeven worden van het in de bodemprocedure vast te stellen schadebedrag, veronderstellenderwijs aangenomen dat daarin geoordeeld zal worden dat Hilckmann schadeplichtig is jegens [eiseres]. Bij dit alles komt nog, nu het hier om een geldvordering in kort geding gaat, dat er rekening gehouden moet worden met het restitutierisico. Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat het financieel niet goed met haar gaat. Ook dat staat toekenning van een voorschot op schadevergoeding in de weg. De slotsom is dan ook dat het door [eiseres] gevorderde zal worden afgewezen.

2.17. [eiseres] heeft Hilckmann c.s. bij dagvaarding van 2 oktober 2012 betrokken in een bodemprocedure tot vergoeding van schade die zij stelt te lijden als gevolg van het besluit van Hilckmann c.s. om (min of meer) per direct geen uitzendkrachten meer in te schakelen via [eiseres]. Tevens heeft [eiseres] betaling van een bedrag van € 32.675,85 en € 25.075,98 aan openstaande facturen gevorderd van Hilckmann respectievelijk Slachthuis Nijmegen. Hilckmann c.s. heeft op 28 november 2012 geconcludeerd voor antwoord. Op 24 januari 2013 staat de comparitie na antwoord gepland bij deze rechtbank.

2.18. Bij brief van 9 december 2012 heeft de advocaat van [eiseres] Hilckmann c.s. gesommeerd om tot betaling van € 25.974,60 en € 33.458,74 over te gaan.

2.19. Na daartoe verleend verlof van de voorzieningenrechter heeft Hilckmann c.s. op 13 december 2012 ten laste van [eiseres] conservatoir beslag gelegd onder zichzelf en onder elkaar op al hetgeen zij aan [eiseres] verschuldigd zijn (ten bedrage van in totaal € 96.000,- en € 40.000,-).

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter

I. Hilckmann veroordeelt tot het betalen van een bedrag van € 33.458,74 aan openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding,

II. Slachthuis Nijmegen veroordeelt tot het betalen van een bedrag van € 25.942,60 aan openstaande facturen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding,

III. Hilckmann c.s., hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, en

IV. Hilckmann c.s., hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van de gelegde beslagen, met de verplichting dat Hilckmann c.s. de nakosten ad € 131,- en de wettelijke handelsrente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij deze niet binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis heeft betaald.

3.2. Hilckmann c.s. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] vordert in dit kort geding betaling van openstaande facturen. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2. Hilckmann c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en heeft daartoe gesteld dat wat betreft Slachthuis Nijmegen de aan de vordering ten grondslag gelegde bedragen niet overeenstemmen met de door Slachthuis Nijmegen van [eiseres] ontvangen facturen, dat [eiseres] onjuiste, hogere uurtarieven aan Hilckmann c.s. heeft gefactureerd, dat bepaalde volgens [eiseres] openstaande facturen reeds zijn voldaan door betaling en/of verrekening en tot slot dat Hilckmann c.s. gerechtigd is tot opschorting van haar betalingsverplichtingen en tot verrekening met de vorderingen die zij op [eiseres] heeft uit hoofde van door [eiseres] verschuldigde proceskosten en schadevergoeding wegens wanprestatie en onrechtmatige daad van de zijde van [eiseres].

4.3. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat het restitutierisico voldoende is afgedekt door de toezegging van [eiseres] om in geval van veroordeling tot betaling van Hilckmann c.s binnen zeven dagen na het desbetreffende vonnis een een ABN/Amro en/of Rabo-bankgarantie te zullen doen stellen volgens het model van de Nederlandse Vereniging van Banken, waarna eerst tot betaling hoeft te worden overgegaan.

4.4. Het spoedeisend belang is gegeven met de op zichzelf niet weersproken mededeling van [eiseres] als gevolg van liquiditeitstekort niet meer te kunnen voldoen aan haar financiële verplichtingen, zodat zij een vonnis in de bodemprocedure niet meer kan afwachten.

4.5. Ervan uitgaande dat de gefactureerde vorderingen van [eiseres] althans gedeeltelijk voldoende vaststaan heeft Hilckmann c.s. aangevoerd dat het wegblijven van het personeel op 6 juli 2012 haar dusdanige schade heeft berokkend dat zij bevoegd is de betaling van de facturen op te schorten in afwachting van verrekening daarvan met haar aanspraken op schadevergoeding. Die schade heeft zij voorlopig begroot op € 104.517,-.

4.6. In een geval waarin nog bewijslevering of een afzonderlijke procedure moet volgen voordat (de omvang van) de tegenvordering vaststaat van een partij die zich, teneinde de mogelijkheid van latere verrekening open te houden, op een opschortingsrecht beroept, zal de rechter bij de beoordeling of de opschorting gerechtvaardigd is, mogen volstaan met een voorshands oordeel omtrent (de omvang van) die tegenvordering. Het feit dat de mogelijkheid bestaat dat de gestelde tegenvordering achteraf een andere omvang blijkt te hebben dan de rechter die over dit verweer heeft te oordelen, aannemelijk heeft geacht, brengt niet mee dat het beroep op een opschortingsrecht op die enkele grond geen stand kan houden (HR 21 september 2007, LJN: BA9610).

4.7. Vaststaat dat er op 6 juli 2012 vrijwel niemand van [eiseres] bij Hilckmann c.s. op het werk is verschenen. Daarmee is op zichzelf een tekortkoming in de uitvoering van de tussen partijen bestaande contractuele relatie gegeven. Tussen partijen was immers niet afgesproken dat er bijna niemand zou verschijnen. [eiseres] heeft aangevoerd dat Hilckmann c.s. haar op de vroege ochtend van 6 juli niet heeft gemaand althans de mogelijkheid heeft geboden om alsnog uitzendkrachten te sturen. In dat verband heeft Hilckmann c.s. een aantal schriftelijke verklaringen in het geding gebracht, waaruit volgt dat er wel overleg is geweest, ook later op de dag. Die verklaringen, die voor een groot deel niet zijn gestandaardiseerd, vanuit een wisselend perspectief zijn geschreven en elkaar niet tegenspreken, zijn door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd weersproken. [eiseres] heeft op haar beurt weliswaar ook verklaringen in het geding gebracht, maar deze zien niet op de communicatie en de gebeurtenissen op 6 juli, maar op de dagen daarna. Op grond daarvan hoefde Hilckmann c.s. geen hoop te koesteren dat er alsnog via [eiseres] voldoende personeel voor die dag zou gaan binnendruppelen. Bij dit alles wordt nog daargelaten de vraag of Hilckmann c.s. al niet bij het niet verschijnen van het personeel aan het begin van de werkdag voor een voldongen feit stond, in die zin dat het proces daardoor dusdanig stagneerde dat er in ieder geval op dat moment niet meer te verhoeden schade ontstond.

4.8. Aldus is, voorshands geoordeeld, voldoende aannemelijk dat Hilckmann c.s. door het gebeuren op 6 juli 2012 schade heeft geleden in een omvang die de vorderingen van [eiseres], ook al zouden deze geheel vaststaan, kan overschrijden en dat voldoende samenhang bestaat tussen de daaruit voortvloeiende vordering tot schadevergoeding - die Hilckmann c.s. binnen het kader van dit kort geding, in ieder geval tot de bedoelde omvang, voldoende heeft onderbouwd - en de verbintenis tot betaling van de gefactureerde vorderingen van [eiseres], zodat Hilckmann c.s. tot opschorting bevoegd moet worden geoordeeld.

4.9. Daarmee is de toewijsbaarheid van de vorderingen van [eiseres] in het kader van de onderhavige procedure hoogst onzeker geworden en zijn die vorderingen daarmee dus niet toewijsbaar. Deze kwestie staat op zichzelf los van de vragen die in de eerdere twee tussen partijen gevoerde kort gedingen ter beoordeling voorlagen, te weten of de opzegging door Hilckmann c.s. van de contractuele relatie recht- of regelmatig was en of de daaraan door [eiseres] verbonden vordering tot schadevergoeding toewijsbaar was.

4.10. De vorderingen zullen dus worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hilckmann c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 1.789,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.605,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Hilckmann c.s. tot op heden begroot op € 2.605,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst op 21 december 2012. De overwegingen waarop dit vonnis stoelt zijn afzonderlijk vastgelegd op 7 januari 2013.