Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY8412

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
228342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Griffierecht niet tijdig betaald na verwijzing van de zaak van de sector kanton naar de sector civiel. Geen processuele consequenties ex art. 128 lid 6 Rv. De zaak wordt inhoudelijk beoordeeld en de vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 228342 / HA ZA 12-240

Vonnis van 19 december 2012

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat mr. S.T.W. Verhaagh te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TED'S PARTY PALACE B.V.,

gevestigd te Oss,

gedaagde,

advocaat jhr. mr. W. van der Meer de Walcheren te Maartensdijk.

Partijen zullen hierna [eiser] en TPP genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juni 2012

- akte van [eiser]

- akte niet dienen TPP ter rolle van 24 oktober 2012.

Daarna is vonnis bepaald.

De motivering van de beslissing

1. [eiser] heeft bij dagvaarding, aangebracht bij de sector kanton van deze rechtbank, locatie Nijmegen, de onderhavige vorderingen tegen TPP ingesteld. Mr. Van der Meer de Walcheren heeft zich in de procedure bij de kantonrechter voor TPP gesteld.

2. Bij vonnis van 6 april 2012 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard van het onderhavige geschil kennis te nemen en de zaak verwezen naar de rolzitting van de rechtbank Arnhem, sector civiel, van 9 mei 2012. Na voormeld tussenvonnis heeft mr. Van der Meer de Walcheren zich op de rolzitting van 12 september 2012 als advocaat gesteld voor TPP. Ingevolge artikel 8 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende TPP te zorgen dat het door - als gevolg van bovenbedoelde verwijzing - verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien zou zijn bijgeschreven op de bankrekening van de rechtbank. Die termijn liep af op 10 oktober 2012 maar is, om administratieve redenen, nader gesteld op 6 november 2011.

3. Mr. Van der Meer de Walcheren heeft niet bestreden dat betaling van het griffierecht niet (tijdig) is gedaan.

4. In de Memorie van Toelichting op artikel 8 Wgbz (kamerstukken 31758) staat, voor zover van belang:

“Indien een zaak door de kantonrechter wordt verwezen naar een kamer binnen hetzelfde gerecht die niet tot de sector kanton behoort, is er in de meeste gevallen te weinig griffierecht betaald. De griffierechten die worden geheven bij de sector kanton van de rechtbank liggen lager dan de griffierechten die worden geheven bij andere sectoren. De gedaagde en de verweerder zijn bij de kantonrechter geen griffierecht verschuldigd (…).

In het eerste lid is daarom bepaald dat, indien uit de tabel blijkt dat een hoger bedrag aan griffierecht dient te worden geheven, het griffierecht van elke eiser, dan wel elke verzoeker wordt verhoogd. Daarnaast zal van elke verschenen gedaagde, die bij de kantonrechter nog geen griffierecht verschuldigd was, alsnog griffierecht worden geheven (…).

De eiser en de gedaagde zijn de verhoging van het griffierecht verschuldigd vanaf de dag waarop de zaak ter rolle dient bij de rechter naar wie de zaak is verwezen. De verzoeker en de verweerder zijn de verhoging van het griffierecht verschuldigd vanaf de beslissing tot verwijzing. De betalingstermijn is steeds vier weken.

Indien het griffierecht niet tijdig is voldaan, gelden er in dit geval geen processuele consequenties. Ik heb er om de volgende redenen vanaf gezien om dit te regelen. De procedure is op het moment van de naheffing al aangevangen. Indien de verdere behandeling van de zaak afhankelijk zou worden gesteld van de tijdige betaling van de griffierechtverhoging, zou dit de zaak te veel onderbreken en vertragen. Dit neemt niet weg dat de griffier indien partijen na het verstrijken van de betalingstermijn in gebreke blijven met de betaling van de verhoging van het griffierecht, over zou kunnen gaan tot de invordering van het griffierecht door middel van een door hem uit te vaardigen dwangbevel (artikel 30)”.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe, dat de te late betaling van het alsnog verschuldigd geworden griffierecht door mr. Van der Meer de Walcheren niet de processuele consequenties heeft van artikel 128 lid 6 Rv. Dat betekent dat de zaak moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond en als een procedure op tegenspraak moet worden behandeld.

6. In het tussenvonnis van 6 april 2012 heeft de kantonrechter beslist dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet is te duiden als arbeidsovereenkomst, maar als een overeenkomst van opdracht. Na verwijzing heeft [eiser] bij akte zijn stellingen en vorderingen daaraan aangepast. Hij heeft thans gevorderd TPP te veroordelen aan hem te betalen de bedragen van € 32.200,-- en € 1.965,66, te vermeerderen met rente.

7. [eiser] heeft bij laatstbedoelde akte het eerder door TPP bij de kantonrechter gevoerde verweer, dat TPP de overeenkomst met [eiser] heeft moeten ontbinden vanwege een aantal ernstige tekortkomingen aan de zijde van [eiser], gemotiveerd weerlegd. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat en waarom hij aanspraak kan maken op het volledige loon tot het tijdstip waarop de overeenkomst van opdracht zou eindigen, zulks op grond van artikel 7:411 lid 2 BW.

8. TPP heeft op dit een en ander niet meer gereageerd, hoewel zij daartoe de gelegenheid heeft gehad. Aan haar is ter rolle van 24 oktober 2012 akte niet dienen verleend.

Daarom moet als onvoldoende gemotiveerd weersproken worden aangenomen dat [eiser] niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met TPP en dat TPP die overeenkomst met [eiser] ten onrechte met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. Voor een bewijsopdracht op dit punt is daarom geen plaats. TPP heeft de omvang van het door [eiser] gevorderde volledige loon gedurende de tijd dat de overeenkomst tussen partijen liep, evenmin gemotiveerd weersproken. De vordering zal daarom worden toegewezen.

9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal TPP in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt TPP tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.200,-- (zegge: tweeëndertigduizend tweehonderd euro), te vermeerderen de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 9 augustus 2011 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt TPP tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.965,96 (zegge: duizend negenhonderd vijfenzestig euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 9 augustus 2011 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt TPP in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot:

- € 90,81 wegens explootkosten,

- € 71,-- wegens griffierecht en

- € 750,-- wegens salaris advocaat,

waarvan het bedrag van € 90,81 aan de griffier van de rechtbank dient te worden voldaan, en waarvoor een nota aan gedaagde wordt toegestuurd,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

Coll.: ED