Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY8349

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
233728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil over nakoming vaststellingsovereenkomst samenhangend met gebruik van uitrit: niet-naleving cameraverbod, niet-naleving afspraken over parkeren en niet meewerken aan levering strook grond. Zaak naar de rol voor uitlating.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 233728 / HA ZA 12-644

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers in conventie

verweerders in reconventie

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar

tegen

[gedaagden]

gedaagden in conventie

eisers in reconventie

advocaat mr. J. Zandberg te Zevenaar

De partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van 27 april 2012 (zaak-/rolnummer 221249 / HA ZA 11-1371), waarna de zaak op 13 juni 2012 is doorgehaald

- de akte wijziging van eis van [eiser] c.s., na heropening van de zaak onder het onderhavige zaak- en rolnummer

- de antwoordakte van [gedaagde] c.s.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s. zijn buren. Hun beider percelen met daarop hun woningen liggen aan de voet van een dijk, waarop de openbare weg is gelegen. Tussen de woningen bevindt zich een met klinkers bestraat stuk grond dat uitmondt op die dijk (hierna: de uitrit). De grens tussen de percelen loopt in de lengte door de uitrit. Aan de zijde van [eiser] c.s. is de afstand van de hoeken van hun woning tot die grens 2,29 m (achter) en 2,64 m (voor), aan de zijde van [gedaagde] c.s. 6,75 m (achter) en 4,37 m (voor).

2.2 Zowel [gedaagde] c.s. als [eiser] c.s. hebben aan de achterzijde van hun percelen een garage, die via de uitrit bereikbaar is. De garages zijn aaneengebouwd. De garage van [eiser] c.s. bevindt zich aan de voorzijde ervan ongeveer 30 cm op de grond van [gedaagde] c.s.

2.3 Tussen partijen bestonden en bestaan meerdere punten van geschil samenhangend met het gebruik van de uitrit. In het kader van een door [eiser] c.s. tegen [gedaagde] c.s. aangespannen kort geding hebben partijen op 12 november 2010 de volgende vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst):

“Partijen, hierna te noemen “[eiser] en “[gedaagde]”, zijn ter beslechting van hun geschil het volgende overeengekomen.

Overwegingen:

a. Tussen partijen is een geschil ontstaan over het gebruik van de erven bij hun woningen en de in- /uitrit tot die erven.

b. [eiser]s stelt dat zij een erfdienstbaarheid van uitweg heeft ten laste van het erf van [gedaagde]. Dan wel dat (een deel van) de oprit van [gedaagde] deel uitmaakt van een buurweg die [eiser] mag gebruiken; [gedaagde] bestrijdt dit.

c. Ter beslechting dit geschil zijn partijen het volgende overeengekomen.

Artikelen

1. [eiser] doet blijvend afstand van deze mogelijke rechten van buurweg voorzover deze zien op het erf van [gedaagde] dat gelegen is op meer dan een meter van de huidige grens van de erven van partijen.

2. [eiser] zal zich daarenboven jegens [gedaagde] en zijn opvolgers onder algemene titel niet beroepen op rechten op de beweerde buurweg en erfdienstbaarheden.

3. [eiser] en [gedaagde] zullen ieder bij verkoop van hun woning de kopers op deze regeling wijzen.

4. [gedaagde] zal op zijn kosten betonnen banden (doen) aanbrengen op zijn oprit tegen de grens tussen de beide erven. Deze banden zullen tussen de 5 en 6 cm hoger zijn dan het straatwerk. [gedaagde] zal het gedeelte van de erfgrens vanaf de wegkant over een afstand van ongeveer drie meter niet voorzien van een betonnen band, maar van een streep in kleur. De banden zal [gedaagde] in dezelfde kleur schilderen (geel of wit).

5. Partijen zullen op generlei wijze, bijvoorbeeld door het (plaatselijk) verhogen van het straatwerk of het leggen van balkjes, de relatieve hoogte van deze banden verminderen. [gedaagde] zal tussen de garage een aantal houten palen doen plaatsen van ongeveer 80 cm hoog over een afstand van ongeveer drie meter en wel zodat de huidige deur van de garage van [eiser] minimaal haaks ten opzichte van de voorzijde van die garage geopend kan worden.

6. Partijen en de hunnen zullen elkaars grond niet betreden en ook hun bezoekers, leveranciers e.d. oproepen om de grond van de ander niet te betreden, zulks onverlet het recht van iedere partij om ongenode gasten de toegang tot zijn grond te ontzeggen en onverminderd het persoonlijke recht van partijen om incidenteel, kortdurend gebruik te maken van elkaars perceel ten behoeve van het in- en uitrijden met een auto, het in- en uitstappen, laden en lossen, zulks alles over een strook van maximaal één meter van de erfgrens, voorzover redelijkerwijs nodig en op de minst bezwarende wijze.

7. [gedaagde] zal twee auto’s, indien redelijkerwijs mogelijk, onder aan de oprit parkeren. [eiser] zal een van zijn auto’s parkeren in de garage en de andere daarvoor of (deels) achter zijn woning.

8. Op het gedeelte van de oprit van partij [eiser] tussen de weg en de achterzijde van zijn woning zal geen auto worden geparkeerd, dit vooral omdat dit zal leiden tot betreden van de grond van [gedaagde] door [eiser]. [gedaagde] zal op het hoger gelegen deel van zijn oprit slechts auto’s parkeren zó dat de strook van een meter grenzend aan de erfgrens met [eiser] vrij blijft.

9. Partijen komen overeen dat ten behoeve van het in- en uitdraaien naar resp. vanaf de uitrit een strook evenwijdig aan de weg, tussen de weg en de huidige brievenbus van [gedaagde], geen auto’s zullen stoppen, anders dan voor het direct in- en uitstappen van passagiers. De auto’s zullen ook daarbij niet voor elkaars inrit stoppen. Partijen staan elkaar toe voor het in- en uitrijden van hun uitrit met een auto, voorzover redelijkerwijs nodig en op de minst bezwarende wijze, van elkaars deel van deze strook gebruik te maken.

10. [gedaagde] zal de thans aanwezige camera verwijderen en verwijderd houden.

11. [eiser] heeft een garage gebouwd op een deel van het erf van [gedaagde]. [gedaagde] draagt deze grond om niet aan partij [eiser] over. [eiser] zal het kadaster vragen daartoe de noodzakelijk metingen te doen en de kadastrale inschrijving met toestemming van [gedaagde] aldus te doen corrigeren, dan wel bij een notaris van keuze een notariële akte te doen opmaken ten behoeve van de overdracht van het bedoelde stukje grond. [eiser] draagt alle hiermee gemoeide kosten, inclusief leges en belasting. [eiser] zal dit vóór 1 april 2011 uitvoeren, terwijl [gedaagde] telkens onverwijld daaraan zijn medewerking zal verlenen.

12. Uit deze regeling ontstaan geen zakelijke rechten, behalve punt de in artikel 11 bedoelde.”

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1 [eiser] c.s. hebben gesteld [gedaagde] c.s. er op 16 september 2011 op gewezen te hebben dat zij de afspraken uit de overeenkomst overtraden, zowel op het punt van het parkeren als het cameraverbod. Daarbij zijn twee foto’s toegezonden (te vinden in productie 11 Van [eiser] c.s.), waaruit dat volgens [eiser] c.s. blijkt. Voorts zijn [gedaagde] c.s. door [eiser] c.s. gesommeerd, zo stellen [eiser] c.s., mee te werken aan de levering van de grond onder de overbouw van de garage zonder voorafgaande inmeting en tot verwijdering van de camera, bij gebreke waarvan de overeenkomst ontbonden zou zijn. Aan de sommatie is geen gevolg gegeven, aldus [eiser] c.s. Dat leidt volgens [eiser] c.s. tot het volgende samenstel van vorderingen. [eiser] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat de bij gelegenheid van het kort geding van 12 november 2010 bereikte schikkingsovereenkomst rechtens is ontbonden door de buitengerechtelijke ontbinding per 19 september 2011;

b. [gedaagde] c.s. veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis op hun kosten weg te nemen of te doen wegnemen de in het wegdek van het erfgebied aangebrachte verhoging en de paaltjes, een en ander uitgevoerd naar aanleiding van de ontbonden schikkingsovereenkomst, alles op straffe van verbeurte jegens [eiser] c.s. van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van

€ 5.000,-;

c. voor recht verklaart dat [eiser] c.s. krachtens verjaring een erfdienstbaarheid van uitrit en overpad hebben verkregen;

d. subsidiair, namelijk voor zover geen verklaring voor recht inzake de erfdienstbaarheid van uitrit en overpad wordt uitgesproken, voor recht verklaart dat sprake is van een buurweg ten behoeve van de gemeenschappelijke erven;

e. subsidiair, namelijk voor zover de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst én verklaring voor recht inzake de erfdienstbaarheid en buurweg niet wordt uitgesproken:

I. [gedaagde] c.s. veroordeelt te gehengen en te gedogen dat [eiser] c.s. op eigen kosten de aangebrachte rechthoekige stenen band vervangen door een effen ronde stenen band;

II. [gedaagde] c.s. veroordeelt tot medewerking aan het passeren van de notariële akte tot overdracht van het stuk grond van [gedaagde] c.s. waarop [eiser] c.s. hun garage hebben gebouwd, conform de vaststellingsovereenkomst, met opname in de notariële akte van de tekst “Koper heeft op het verkochte perceel een deel van zijn garage gebouwd. Verkoper draagt daarom dat perceel over aan koper. Het perceel dat geleverd wordt omvat niet meer dan het door koper eerder bebouwde. Tot de bebouwde oppervlakte wordt alleen gerekend hetgeen op grondniveau omstreeks 2008/2009 is bebouwd, eventuele dakoverstekken, balkons e.d. worden derhalve niet in aanmerking genomen”, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, voor iedere dag dat medewerking aan het passeren van de akte uitblijft;

f. uiterst subsidiair, voor recht verklaart dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig handelen jegens [eiser] c.s. door auto’s te parkeren op dusdanige wijze dat de gebruikmaking van de in- en uitweg voor [eiser] c.s. ernstig wordt bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt, alsmede doordat [eiser] c.s. onrechtmatig gehinderd worden, dan wel [gedaagde] c.s. onrechtmatig handelen jegens [eiser] c.s. doordat zij misbruik van hun bevoegdheid maken;

g. [gedaagde] c.s. verbiedt een erfafscheiding te plaatsen in het gebied begrensd door de openbare weg, de beide garages en de woonhuizen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- bij overtreding van dit verbod en € 100,- per dag voor iedere dag dat overtreding na plaatsing van een dergelijke afscheiding zou voortduren, een en ander te rekenen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis;

h. voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat voordat er in deze zaak een vonnis is gewezen de (betonnen) erfafscheiding al is geplaatst: [gedaagde] c.s. veroordeelt om binnen vijf werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de geplaatste erfafscheiding te verwijderen en het oorspronkelijke straatwerk te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] c.s. daarmee in gebreke zijn;

i. [gedaagde] c.s. verbiedt om een camera te plaatsen of geplaatst te houden, gericht op het gebied van de erven, begrensd door de beide woningen en/of de garages en/of de uitrit naar de openbare weg, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag na betekening van het ten deze te wijzen vonnis voor iedere dag of een gedeelte van de dag dat de overtreding voortduurt;

j. [gedaagde] c.s. beveelt te gehengen en te gedogen, dat [eiser] c.s. en hen bezoekende hulpdiensten, taxi- en/of vervoerbedrijven op de minst bezwaarlijke wijze komen en gaan over de gemeenschappelijke uitrit met auto’s naar hun woning, te gehengen en te gedogen dat daarbij ook gebruik wordt gemaakt van het lager gelegen gedeelte van het

- aldus [eiser] c.s. - gemeenschappelijk erf, alsmede te gehengen en te gedogen dat [eiser] c.s. voor gebruikmaking van de garage met de garagedeur de erfgrens overschrijden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat enige vorm van belemmering van dit gebruik wordt opgeworpen, behoudens het op een normale wijze parkeren van auto’s op het erfgedeelte van [gedaagde] c.s. en met inachtneming van het petitum onder k en l;

k. [gedaagde] c.s. gelast om na betekening van het ten deze te wijzen vonnis een strook van 25 cm langs de kadastrale grens van hun eigen erf vrij te laten bij het parkeren van hun auto’s, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding;

l. [gedaagde] c.s. gelast om na betekening van het ten deze te wijzen het lager gelegen gedeelte van het hun toebehorende erfdeel, in rood gemarkeerd op een aan het vonnis te hechten tekening, vrij te laten bij het parkeren van hun auto’s, respectievelijk doen parkeren door derden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding.

3.2 [gedaagde] c.s. voeren gemotiveerd verweer, strekkend tot afwijzing van het gevorderde. In reconventie vorderen zij bovendien:

1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] c.s. een afscheiding mogen plaatsen op hun perceel tussen de opritten van partijen, tot op een afstand van twee meter van de openbare weg;

2. [eiser] c.s. te verbieden om auto’s dan wel andere zaken van [eiser] c.s. en/of hun medebewoners, dan wel zaken die kennelijk tot het bezoek van [eiser] c.s. te rekenen derden behoren, te parkeren, te stallen en/of te plaatsen of geparkeerd, gestald of geplaatst te houden, op het gebied bedoeld in artikel 9 van de overeenkomst, benevens op de weg voor de opritten van partijen, geheel of gedeeltelijk, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding;

3. [eiser] c.s. te verbieden om een auto op zijn oprit tussen de garage en de openbare weg te parkeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding;

4. [eiser] c.s. te verbieden de grond van [gedaagde] c.s. te betreden en zijn garagedeuren over de grond van [gedaagde] c.s. te openen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding;

5. voor recht te verklaren dat [eiser] c.s. geen zakelijk recht hebben betreffende het erf van [gedaagde] c.s. en dat geen sprake is van een buurweg;

6. [eiser] c.s. te verbieden het erf van [gedaagde] c.s.te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding.

3.3 Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zoveel nodig, nog nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1 [eiser] c.s. hebben [gedaagde] c.s. op drie punten een tekortschieten in de uitvoering van de overeenkomst verweten, in de woorden van [eiser] c.s.:

- het niet naleven van het cameraverbod

- het niet naleven van de afspraken betreffende het parkeren

- het niet meewerken aan de levering van de strook grond waarover de garage van [eiser] c.s. is gebouwd.

4.2 [gedaagde] c.s. betwist de tekortkomingen. Bovendien, zo stellen [gedaagde] c.s., is nakoming nog steeds mogelijk. Dat laatste indachtig stelt de rechtbank zich de vraag of [gedaagde] c.s. met de nakoming van de genoemde verplichtingen in verzuim zijn gekomen. [eiser] c.s. stellen immers niet dat er een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden of het verzuim op andere wijze is ingetreden. Nu ter comparitie uitsluitend een bereiken van een minnelijke regeling aan de orde is geweest, zullen partijen zich over dit punt nog kunnen uitlaten.

4.3 Wat het niet meewerken aan de levering betreft hebben [gedaagde] c.s. gesteld dat zij bij de notaris werden ontboden zonder dat voorafgaande kadastrale inmeting had plaatsgevonden. Volgens de tekst van de overeenkomst (art. 11) dienen [eiser] c.s. het kadaster te vragen "de noodzakelijke metingen te doen". Op grond daarvan ("aldus") dient volgens de overeenkomst hetzij correctie van de kadastrale inschrijving hetzij het opmaken van een akte van levering plaats te vinden. In de rede ligt dat dit voorafgaand aan de levering plaatsvindt. Met [gedaagde] c.s. oordeelt de rechtbank daarom - voorshands: [eiser] c.s. mogen zich ook over dit punt nog uitlaten - dat [eiser] c.s. als schuldeiser in verzuim zijn door medewerking aan het opmaken van de akte te verlangen zonder dat voorafgaande inmeting heeft plaatsgevonden, zodat artikel 6:266 BW ontbinding verhindert.

4.4 Het niet naleven van de afspraken betreffende het parkeren wordt door [eiser] c.s. kennelijk gedemonstreerd aan de hand van de eerste foto van productie 11. Onduidelijk is echter welke bepaling van de overeenkomst daarmee wordt geschonden. Gedacht zou kunnen worden aan artikel 7, maar dan is niet gesteld dat parkeren onderaan de uitrit redelijkerwijs niet mogelijk was toen de foto werd gemaakt. Gedacht zou ook kunnen worden aan artikel 8 maar dan is gesteld noch gebleken dat met de auto op de foto niet een afstand van een meter tot de erfgrens in acht wordt genomen. Al met al hebben [eiser] c.s. hier onvoldoende gesteld om tot een tekortkoming te kunnen concluderen.

4.5 Het niet naleven van het cameraverbod vindt kennelijk zijn onderbouwing in de tweede foto van productie 11. Daarop is echter geen zichtbare afbeelding te zien. Los hiervan geldt dat [gedaagde] c.s. onbetwist hebben aangevoerd dat zij de in de overeenkomst bedoelde camera kort na 12 november 2010 hebben verwijderd en verwijderd gehouden. De buitengerechtelijke ontbinding van 19 september 2011 zag vermoedelijk ook op deze camera. Partijen kunnen zich ook hierover nog uitlaten.

4.6 Mocht de overeenkomst op 19 september 2011 niet ontbonden zijn, dan is zij nog tussen partijen van kracht. De vorderingen van [eiser] c.s. onder b, c, en d zijn dan niet toewijsbaar.

4.7 De vorderingen onder e zijn uitdrukkelijk ingesteld voor het geval de overeenkomst niet ontbonden is. Dan willen [eiser] c.s. (I) de bestaande betonnen rand vervangen door een afgeronde rand. Onvoldoende is echter gebleken dat de huidige rand, die op grond van de overeenkomst door [gedaagde] c.s. zou worden (en is) aangelegd, een reëel gevaar schept voor fietsers of een reëel schaderisico voor autobanden. Bovendien bevat artikel 5 van de overeenkomst een uitdrukkelijk verbod voor partijen om de relatieve hoogte van de rand te verminderen. Voor toewijzing van deze vordering is daarom geen aanleiding.

De vordering (II) tot medewerking aan het passeren van de notariële akte gaat er (mogelijk) aan voorbij, zoals al overwogen, dat [eiser] c.s. eerst een voorafgaande inmeting door het kadaster moeten regelen. Zij kan dus niet worden toegewezen, in ieder geval niet versterkt met een dwangsom, als daarvan niet is gebleken. De door [eiser] c.s. gewenste - cursief weergegeven - toevoeging is vanzelfsprekend: de eigendomsoverschrijding op grondniveau is immers beslissend voor het antwoord op de vraag wat moet worden overgedragen. Onjuist is zij overigens voor zover zij uitgaat van een koop van die grond.

4.8 Voor het geval de overeenkomst wel ontbonden is, moet worden ingegaan op de vorderingen onder c (erfdienstbaarheid) en d (buurweg). De rechtbank zal haar beslissing daarover aanhouden. De vorderingen onder f, g en h delen dat lot, nu zij kennelijk geheel of gedeeltelijk afhankelijk zijn van de juridische status van de uitrit. Uit de vorderingen onder k en l zou - behoudens echte noodgevallen zoals in de vordering onder j - kunnen worden afgeleid dat de claim van [eiser] c.s. tot gebruik van het erf van [gedaagde] c.s. niet verder reikt dan 25 cm buiten de erfgrens en een overigens niet nader bepaald deel van het lager gelegen gedeelte van het erf van [gedaagde] c.s. [eiser] c.s. kunnen zich hierover nog uitlaten en in het bijzonder ook over de verweren van [gedaagde] c.s. betreffende het door [eiser] c.s. gestelde erfdienstbaarheid en buurweg. Ter comparitie, en ook later, is daartoe immers onvoldoende mogelijkheid geweest. De rechtbank wil op deze plaats al wel constateren dat artikel 1 van de overeenkomst blijkens de tekst ervan een blijvende afstand door [eiser] c.s. inhoudt van hun eventuele rechten op de buurweg, voor zover deze verder op het erf van [gedaagde] c.s. ligt dan een meter vanaf de erfgrens. Ontbinding van de overeenkomst maakt dat niet anders: deze heeft immers geen terugwerkende kracht. Ook is er geen sprake van een verbintenis tot ongedaanmaking van een verrichte prestatie waartoe de overeenkomst verplichtte. De afstand schiep immers evenmin een verbintenis op grond waarvan vervolgens iets is gepresteerd.

4.9 Rest nog de vordering onder i, een algemeen cameraverbod. [gedaagde] c.s. hebben aangevoerd dat zij thans een deurbel met ingebouwde camera hebben, die niet op het erf van [eiser] c.s. ziet. Zij worden verzocht dat bij akte, door het overleggen van foto’s van het zicht van die camera naar buiten toe, inzichtelijk te maken.

4.10 [gedaagde] c.s. stellen zich op het standpunt dat de overeenkomst niet is ontbonden. Daarmee verdraagt zich geen afscheiding als in reconventie onder 1 gevorderd.

4.11 Het gevorderde verbod onder 2 veronderstelt een gebied als bedoeld in artikel 9 van de overeenkomst. [gedaagde] c.s. worden verzocht dat bij akte, door middel van een tekening of gemarkeerde foto, inzichtelijk te maken.

4.12 De onder 3 en 4 gevorderde verboden vloeien voor een deel rechtstreeks uit de overeenkomst voort (parkeren en betreden). Bij een reële dreiging van overtreding daarvan bestaat er aanleiding om die verboden te versterken met een dwangsom. [gedaagde] c.s. worden verzocht aannemelijk te maken dat een dreiging als zojuist bedoeld reëel is.

4.13 Het onder 4 gevorderde verbod, voor zover dat betrekking heeft op het openen van de garagedeuren, ligt voor afwijzing gereed. Grensoverschrijding wordt immers tegengegaan door de door [gedaagde] c.s. zelf geplaatste palen als bedoeld in artikel 5 van de overeenkomst.

4.14 De gevorderde verklaring voor recht onder 5 vormt het spiegelbeeld van de vorderingen onder c en d van [eiser] c.s. Ook daarover zal de rechtbank haar beslissing dus aanhouden.

4.15 De vordering onder 6 ten slotte valt samen met een deel van de vordering onder 4. Zo nodig kunnen [gedaagde] c.s. zich daarover ook nog uitlaten.

4.16 De slotsom is dat de zaak naar de rol zal worden verwezen voor akte uitlating door [eiser] c.s. omtrent hetgeen onder 4.2, 4.3, 4.5 en 4.8 is overwogen en door [gedaagde] c.s. omtrent hetgeen onder 4.9, 4.11, 4.12 en 4.15 is overwogen, waarna beide partijen daarop bij antwoordakte kunnen reageren.

4.17 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE:

verwijst de zaak naar de roldatum van 9 januari 2013 voor uitlating bij akte als onder 4.16 bedoeld,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.