Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY7828

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
07-01-2013
Zaaknummer
228322
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:6943, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldvordering; voor toewijzing van het eerste deel daarvan is onvoldoende gesteld; voor toewijzing van de overige delen is eiseres opgedragen te bewijzen dat er sprake was van een overeenkomst van geldlening respectievelijk een overeenkomst tot vergoeding helft facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 228322 / HA ZA 12-235

Vonnis van 5 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MACON NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Wijchen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.J.B. Drijber te Velp,

tegen

[gedaagde]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.W.H.M. Dijkmans te Bladel.

Partijen zullen hierna Macon en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juli 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 18 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Macon is een onderneming die zich onder meer met beleggingen van gelden en het investeren in ondernemingen bezig houdt. De heer [betrokkene] (verder: [betrokkene]) is in het verleden bestuurder geweest van Macon. [betrokkene] is nog steeds bestuurder van de Stichting Administratiekantoor Macon Nederland, welke stichting enig aandeelhouder is van Macon.

2.2. [betrokkene] is bevriend geweest met [gedaagde]. [betrokkene] en [gedaagde] hebben gesproken over gezamenlijke investering in een Amerikaans bedrijf dat een medisch apparaat aan het ontwikkelen was. Het betreft iTech Medical Inc. (iTech), gevestigd te Delaware, Verenigde Staten. [betrokkene] en [gedaagde] hebben afgesproken dat zij de kosten die gemaakt moesten worden in het kader van hun gezamenlijke participatie in iTech gezamenlijk zouden dragen.

2.3. Op 4 december 2009 is door iTech en [betrokkene] en [gedaagde] een Letter of Intent (LOI) getekend voor investeringen in iTech voor een bedrag van USD 3.200.000,--. Op grond van deze LOI is op 19 maart 2010 een Stock Purchase Agreement (SPA) getekend, in welke SPA is vastgelegd dat de investeringen in iTech verlopen via een Cypriotische vennootschap, Revox Ventures Ltd genaamd (verder: Revox). De SPA is voor iTech getekend door [A], CEO, en voor Revox door [B] namens Rougemont Services Ltd, Director. In deze SPA is vastgelegd dat Revox gespreid over een aantal maanden pakketten aandelen iTech zou kopen. Het betreft 6 miljoen aandelen voor USD 2.200.000,-- in de fasen 1-A en B met een optie voor nog eens 2 miljoen aandelen voor USD 1.000.000,-- in fase 2.

2.4. [betrokkene] en [gedaagde] hebben, ervan uitgaande dat zij ieder voor 50% aandeelhouder zijn van Revox, toegezegd dat zij beiden de helft van de maandelijkse termijnen zullen financieren.

[betrokkene] en [gedaagde] hebben beiden gelden gefourneerd aan Revox voor de maandelijkse aankoop van aandelen iTech. [betrokkene] heeft dat gedaan via Macon. Macon heeft in de periode van april 2010 tot en met december 2010 gelden gefourneerd aan Revox tot in totaal minimaal € 1.090.377,91 (dit is bedrag dat Macon noemt, [gedaagde] noemt een hoger bedrag). [gedaagde] heeft minder betaald en heeft slechts tot en met de maand september 2010 gelden gefourneerd, omdat iTech in september 2010 de SPA heeft ontbonden. Volgens Macon heeft [gedaagde] € 583.557,50 geïnvesteerd in Revox, volgens [gedaagde] zelf heeft hij slechts € 456.314,50 betaald aan Revox, omdat hij de eerste twee termijnen van in totaal € 127.243,-- voor [betrokkene] zou hebben gestort.

2.5. [betrokkene] en [gedaagde] blijken geen van tweeën aandeelhouder en/of bestuurder van Revox te zijn. De aandelen in Revox worden gehouden door twee Zwitserse vennootschappen. In geschil is wie de aandeelhouders zijn van deze vennootschappen en niet bekend, althans niet duidelijk, is wie de bestuurders zijn van die vennootschappen. Voorts blijkt uit de processtukken niet wie de bestuurder(s) van Revox is of zijn.

2.6. Macon heeft op 7 april 2010 een bedrag van € 109.596,25 overgemaakt aan [gedaagde]. Op het desbetreffende bankafschrift staat als omschrijving ‘overboeking lening’.

2.7. Macon heeft declaraties betaald van een advocatenkantoor (De Mul Zegger Advocaten) en een accountantskantoor (BDO) voor werkzaamheden inzake de oprichting en verdere administratie van Revox.

2.8. Macon heeft met verlof van de voorzieningenrechter te ’s-Hertogenbosch op 11 januari 2012 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen op onroerende zaken te Valkenswaard, op de aandelen van [gedaagde] in Valk Expresse Holding B.V. en op de vorderingen en roerende zaken die Valk Expresse Holding B.V. ten behoeve van [gedaagde] onder zich heeft of krijgt. Voorts heeft Macon krachtens dat verlof op 26 januari 2012 conservatoir beslag laten leggen op twee auto’s van [gedaagde].

3. Het geschil

in conventie

3.1. Macon vordert na vermindering van eis ter comparitie samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 378.366,85. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van (i) € 253.410,20 inzake ‘het tekort in Revox’, (ii) een bedrag van € 100.825,90 als restant van de lening, bedoeld bij 2.6, en (iii) een bedrag van € 24.130,75 inzake de adviseurskosten, bedoeld bij 2.7.

Macon vordert vergoeding van de wettelijke handelsrente over deze bedragen en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten, inclusief nakosten en rente. Verder vordert Macon veroordeling van [gedaagde] in de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, te bepalen op € 4.165,00.

Ten slotte verzoekt Macon het vonnis te waarmerken als Europese executoriale titel.

3.2. Het ‘tekort in Revox’ (bedrag sub (i)) berekent Macon door uit te gaan van een totale investering door Revox in iTech van een bedrag van € 1.673.395,41. Macon stelt dat dit bedrag op grond van hun beider 50%-belang door [gedaagde] en Macon ieder voor de helft had moeten worden ingebracht. Zij hadden derhalve ieder € 836.967,71 ter beschikking dienen te stellen, terwijl Macon € 1.090.377,91 heeft betaald en [gedaagde] slechts € 583,557,50 heeft geïnvesteerd. Macon stelt dat zij derhalve een bedrag van € 1.090.377,91 - € 836.967,71 = € 253.410,20 ten behoeve van [gedaagde] heeft betaald.

Op de lening van € 109.596,25 (vordering sub (ii)) kunnen volgens Macon verschillende kleine betalingen worden gemuteerd.

De adviseurskosten (vordering sub (iii)) stelt Macon op € 48.261,50 in totaal. Daarvan dient [gedaagde] volgens Macon de helft te vergoeden.

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde] vordert samengevat en zakelijk weergegeven - veroordeling van Macon:

1) tot betaling van € 35.866,22 ten titel van schadevergoeding, vermeerderd met rente en onder aftrek van het in conventie en in reconventie op basis van het liquidatietarief toe te wijzen bedrag aan salaris advocaat;

2) tot opheffing van de beslagen op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag;

3) primair: om in haar hoedanigheid van bestuurder/grootaandeelhouder van Revox ervoor te zorgen dat door Revox € 77.273,50 aan [gedaagde] wordt terugbetaald en aan [gedaagde] of een door hem aan te wijzen vennootschap 1.906.667 aandelen iTech worden geleverd;

subsidiair: om in haar hoedanigheid van bestuurder/grootaandeelhouder van Revox ervoor te zorgen dat door Revox aan [gedaagde] of een door hem aan te wijzen vennootschap 2.161.000 aandelen iTech worden geleverd;

meer subsidiair om 50% van de aandelen Revox aan [gedaagde] of een door hem aan te wijzen vennootschap te leveren, zelf ontslag te nemen als bestuurder van Revox en de noodzakelijke medewerking te verlenen aan benoeming van [gedaagde] tot bestuurder van Revox,

een en ander eveneens op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag;

4) in de kosten van de procedure, met rente.

3.6. De vordering sub 1) betreft tot en met juni 2012 gemaakte advocatenkosten in het kader van deze procedure. [gedaagde] maakt aanspraak op volledige vergoeding van deze kosten, omdat Macon hem in rechte betrokken zou hebben op basis van aantoonbaar gefingeerde claims met gebruikmaking van vervalste stukken. [gedaagde] stelt dat dit onrechtmatig is.

Aan de vordering sub 2) legt [gedaagde] ten grondslag dat de gelegde beslagen evident ondeugdelijk zijn.

Met zijn vordering sub 3) beoogt [gedaagde] de aandelen iTech te verkrijgen waarvoor hij heeft betaald, danwel zeggenschap te krijgen over Revox.

3.7. Macon voert verweer.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Macon is gevestigd in Nederland en [gedaagde] woont in België. De zaak heeft dus een internationaal karakter. [gedaagde] is in het geding verschenen en heeft de bevoegdheid van de rechtbank niet betwist. De rechtbank ontleent haar rechtsmacht mitsdien reeds aan de stilzwijgende aanvaarding van bevoegdheid van artikel 24 van de EEX-Verordening.

in conventie voorts

4.2. De vordering tot vergoeding van het ‘tekort in Revox’ (de vordering sub (i)) ziet op het gelijk trekken van beider betalingen aan Revox ten behoeve van de aankoop van aandelen iTech. Uit het door Macon overgelegde overzicht van betalingen door Macon en door [gedaagde] (productie 17) leidt de rechtbank af dat het verschil tussen beider investeringen geheel of grotendeels is ontstaan doordat Macon na de ontbinding van de SPA door iTech in september 2010 nog een aantal maanden is doorgegaan met betaling van aanzienlijke bedragen aan Revox.

4.3. In haar dagvaarding lijkt Macon haar vordering tot vergoeding van dit verschil te baseren op de stelling dat [gedaagde] een 50% belang heeft in Revox en dat [gedaagde] daarom de helft had moeten betalen van het bedrag dat door Revox is betaald ter verkrijging van de op grond van de SPA gekochte aandelen iTech.

4.4. Deze grondslag is ondeugdelijk. Nog daargelaten dat op basis van de voorliggende stukken niet zonder meer kan worden aangenomen dat enkel een mogelijk aandeelhouderschap in die Cypriotische vennootschap een deugdelijke rechtsgrond zou opleveren om [gedaagde] te verplichten om aan die vennootschap gelden ter beschikking te stellen ter verwerving van aandelen in een andere vennootschap (de statuten van Revox zijn niet overgelegd, evenmin als een aandeelhoudersovereenkomst binnen en met Revox), geldt het volgende.

4.5. In de eerste plaats zou dit dan een vordering opleveren die door Revox moet worden ingesteld en die zonder rechtsgeldige overdracht, waaromtrent niets is gesteld, niet toekomt aan Macon (noch aan [betrokkene]). In de tweede plaats is ter comparitie komen vast te staan dat [gedaagde] helemaal geen aandeelhouder is of is geweest van Revox. Het is niet duidelijk wie dan wel de aandeelhouder(s) en bestuurder(s) is of zijn (een uittreksel uit het desbetreffende register is niet overgelegd), maar Macon heeft zelf, naar aanleiding van het desbetreffende verweer van [gedaagde], gesteld dat [gedaagde] slechts indirect aandeelhouder is via een Zwitserse vennootschap. Dit laatste is door [gedaagde] betwist. [gedaagde] stelt dat hij geen enkel belang heeft in enige vennootschap in Zwitserland en dat hij geen direct en ook geen indirect aandeelhouder is van Revox. Hoe dit verder ligt, zal de rechtbank in het midden laten, omdat, ook al zou [gedaagde] aandeelhouder zijn van een vennootschap die aandeelhouder is van Revox, de hier ingestelde geldvordering op de hier gebezigde grondslag in elk geval, behoudens niet aan de orde gebrachte bijzondere omstandigheden, moet worden ingesteld niet tegen [gedaagde] persoonlijk, maar tegen die houdstervennootschap waarvan hij aandeelhouder en mogelijk ook bestuurder zou zijn.

4.6. In de dagvaarding van Macon is met enige welwillendheid ook een andere grondslag voor de vordering te lezen, te weten zaakwaarneming, ongerechtvaardigde verrijking of bevoorschotting c.q. lening. Macon stelt immers dat zij haar excedent heeft betaald ‘ten behoeve van [gedaagde]’.

Voor zaakwaarneming heeft Macon echter onvoldoende gesteld. In het bijzonder heeft zij niet gesteld dat zij hetgeen zij meer aan Revox heeft betaald dan [gedaagde] (de betalingen vanaf september 2010) ‘willens en wetens’ ten behoeve van [gedaagde] heeft betaald. Dit is een vereiste om zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW aan te kunnen nemen.

Ongerechtvaardigde verrijking valt af, omdat onvoldoende is gesteld om aan te kunnen nemen dat [gedaagde] daadwerkelijk is verrijkt. Hij heeft immers van Revox geen aandelen iTech geleverd gekregen.

Voor bevoorschotting of lening zal, om terugbetaling te kunnen vorderen, minst genomen gesteld en bij betwisting bewezen moeten worden dat dit berust op een overeenkomst tussen partijen. Dit is niet gesteld, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

Macon heeft ter comparitie wel nog gesteld dat Macon met [gedaagde] is overeengekomen dat [gedaagde] de helft van de middelen zou fourneren via Revox, maar dit levert geen vorderingsrecht op voor Macon, omdat dit in redelijkheid niet anders kan worden beschouwd dan als een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW e.v. Dit beding is blijkbaar door Revox aanvaard (zij heeft immers tot in september 2010 betalingen van [gedaagde] in ontvangst genomen) en Macon heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat zij als stipulator in plaats van Revox nakoming kan vorderen van de verbintenis tot betaling van de daarop volgende maandtermijnen. In het bijzonder heeft Macon ook niet gesteld dat tussen haar en [gedaagde] is overeengekomen dat Macon, indien zij meer dan [gedaagde] zou betalen aan Revox, voor de helft van dit meerdere een eigen vorderingsrecht op [gedaagde] zou krijgen.

4.7. De slotsom is dat de geldvordering sub (i) moet worden afgewezen.

4.8. De geldvordering sub (ii) is gebaseerd op een gestelde overeenkomst van geldlening. Macon verwijst naar haar omschrijving bij de overmaking van het bedrag van € 109.596,25 op 7 april 2010. [gedaagde] heeft echter gemotiveerd betwist dat dit een geldlening betrof. [gedaagde] heeft gesteld dat Macon de omschrijving ‘lening’ heeft gehanteerd om fiscale redenen. [gedaagde] stelt dat het geen lening was, maar dat de overmaking voor een gedeelte van € 67.952,50 betrekking had op de helft van de maandtermijn van de maand april 2010 voor de aankoop van 680.000 aandelen iTech, welk bedrag hij op 8 april 2010 heeft doorbetaald aan Revox, en dat het restant van € 41.643,75 de helft was van een door [gedaagde] voordien, in januari 2010 vooruitlopend op de SPA, rechtstreeks aan iTech vooruitbetaald bedrag, waarvoor [gedaagde] rechtstreeks van iTech 500.000 aandelen heeft gekregen. [gedaagde] stelt dat [betrokkene] met hem is overeengekomen dat [betrokkene] de helft van dit pakket krijgt.

4.9. Tegenover deze gemotiveerde betwisting zal Macon op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. moeten bewijzen dat de overmaking van het bedrag van € 109.596,25 op 7 april 2010 berustte op een overeenkomst van geldlening tussen Macon en [gedaagde]. Indien Macon slaagt in dit bewijs, dan kan in de contra-enquête aan de orde komen en zal de rechtbank [gedaagde] in een later stadium zo nodig opdragen om te bewijzen dat de geldlening is afgelost, voor een gedeelte van € 67.952,50 door doorbetaling daarvan aan Revox ten behoeve en met instemming van Macon en voor een gedeelte van € 41.643,75 door verrekening met een vordering op [betrokkene], eveneens met instemming van Macon.

4.10. Met betrekking tot de geldvordering sub (iii) zal Macon tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] moeten bewijzen 1) dat tussen haar en [gedaagde] (dus niet alleen tussen [betrokkene] en [gedaagde]) is overeengekomen dat [gedaagde] de helft zou vergoeden van de facturen die Macon heeft ontvangen van De Mul Zegger Advocaten en BDO inzake de oprichting en verdere administratie van Revox, alsmede 2) dat ter zake aan haar in totaal een bedrag van € 48.261,50 in rekening is gebracht en door haar is betaald.

4.11. Wat betreft het eerste bewijsonderdeel, de overeenkomst, overweegt de rechtbank op voorhand dat Macon zich in haar dagvaarding heeft beroepen op een aandeelhoudersovereenkomst van 30 november 2005 inzake de verdeling van de oprichtingskosten van een beheersvennootschap (Newco en niet Revox). Op deze vergadering is volgens de door Macon overgelegde notulen overeengekomen dat [gedaagde] naar evenredigheid zou bijdragen in de kosten van de advocaat en de accountant, die [betrokkene] aan hem zou voorleggen. Macon heeft zich in haar dagvaarding voorts beroepen op een akte van cessie, waarbij [betrokkene] zijn aanspraken uit hoofde van deze afspraak zou hebben gecedeerd aan Macon. Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] inzake de rechtsgeldigheid van die cessie, heeft Macon echter ter comparitie bij akte vermindering van eis uitdrukkelijk niet langer aanspraak gemaakt op haar vorderingen die voortvloeien uit deze aandeelhoudersovereenkomst. Deze overeenkomst en deze cessie kunnen dan (in beginsel) ook niet als titel worden aangevoerd voor de bijdrage in de latere oprichtingskosten van Revox en een betalingsverbintenis ter zake jegens Macon.

4.12. Wat betreft het tweede bewijsonderdeel, de omvang van de kosten, overweegt de rechtbank op voorhand dat de huidige onderbouwing van de door Macon gestelde omvang ten bedrage van € 48.261,50 ondeugdelijk is. In haar dagvaarding stelt Macon dat het elf facturen betreft en dat zij afschriften daarvan overlegt als productie 20. De rechtbank treft daar evenwel geen elf, maar slechts zes declaraties aan, waarvan één niet aan Macon is gericht, maar aan een zekere Le Maro BVBA. Verder zijn de meeste omschrijvingen van die zes declaraties niet (althans niet zonder nadere toelichting) in verband te brengen met de oprichting en verdere administratie van Revox. Het betreft omschrijvingen als ‘fiscale werkzaamheden 17 november t/m 29 december 2006’ (toen Revox nog niet in beeld was), ‘salarisadministratie en advisering inzake teruggave omzetbelasting 2008’, ‘rechtsbijstand in de periode van september 2003 tot 1 mei 2006’, ‘fiscale advisering inzake oprichting BVBA’s België / emigratie’, ‘aangifte inkomstenbelasting 2009, schenkingen en aangiften schenkingen’ en ‘aankoop woning’.

Verder stelt Macon dat zij bij diezelfde productie de betaalbewijzen overlegt, maar ook die lijken niet compleet te zijn en gedeeltelijk betrekking te hebben op een bankrekening van Le Maro.

4.13. De rechtbank zal Macon nu dus bewijs opdragen, maar verlangt wel van Macon dat zij tijdig voor een eventueel getuigenverhoor alle declaraties en betaalbewijzen in het geding brengt, waarvan zij vergoeding voor de helft vordert, met concrete en gespecificeerde opgave welke gedeclareerde werkzaamheden in rechtstreeks verband staan met de oprichting en verdere administratie van Revox.

4.14. In afwachting van het resultaat van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere beslissing aan, in het bijzonder ook de beslissingen inzake de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten.

in reconventie voorts

4.15. Waar de rechtbank in dit stadium nog geen beslissing kan nemen over de proceskosten in conventie, geldt dit ook de omvang daarvan. De rechtbank gaat nu dan ook nog niet in op de vordering tot vergoeding van de volledige advocatenkosten voor zover deze het gebruikelijke liquidatietarief overstijgen.

4.16. Omdat nog geen eindbeslissing kan worden gegeven in conventie, kan ook nog niet worden vastgesteld of en in hoeverre de gelegde beslagen volstrekt ondeugdelijk c.q. vexatoir zijn. Ook op dit punt zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden.

4.17. De onder 3 primair en subsidiair gevorderde veroordeling van Macon in haar hoedanigheid van bestuurder/grootaandeelhouder van Revox tot levering van aandelen iTech en terugbetaling van hetgeen [gedaagde] in zijn visie teveel heeft betaald, wordt aanstonds afgewezen. Ten processe is immers gebleken (Macon heeft dit gesteld en [gedaagde] heeft dit niet weersproken) dat Macon geen aandeelhouder en ook geen bestuurder is van Revox. [gedaagde] zal zijn vordering tot levering van die aandelen en terugbetaling van dat geld moeten instellen tegen Revox. Onder bepaalde voorwaarden, waarbij minst genomen zal moeten komen vast te staan dat Revox ter zake in gebreke is gesteld en weigerachtig blijft - hetgeen in dit geding niet is gesteld of gebleken - kan [gedaagde] die vorderingen mogelijk instellen tegen de bestuurder van Revox, maar dat is Macon dus niet.

4.18. Voorts kan om dezelfde redenen tegen Macon niet worden toegewezen de meer subsidiaire vordering tot levering van aandelen Revox, ontslagneming als bestuurder en medewerking aan benoeming van [gedaagde] als zodanig. Macon kan geen aandelen leveren die zij niet heeft, geen ontslag nemen uit een functie die zij niet heeft en geen aandeelhoudersbesluit (laten) nemen zonder directe zeggenschap in Revox.

4.19. Verder zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden, ook die met betrekking tot de proceskosten in reconventie.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. draagt Macon op te bewijzen:

1) dat de overmaking van het bedrag van € 109.596,25 op 7 april 2010 berustte op een overeenkomst van geldlening tussen Macon en [gedaagde],

2) dat tussen Macon en [gedaagde] is overeengekomen dat [gedaagde] de helft zou vergoeden van de facturen die Macon heeft ontvangen van De Mul Zegger Advocaten en BDO inzake de oprichting en verdere administratie van Revox, alsmede

3) dat ter zake aan Macon in totaal een bedrag van € 48.261,50 in rekening is gebracht en door haar is betaald,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 december 2012 voor uitlating door Macon of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat Macon, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat Macon, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op donderdagen in de maanden januari tot en met maart 2013 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. N.W. Huijgen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.8. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.