Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY7819

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
08-01-2013
Zaaknummer
208850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt ten aanzien van een groot aantal onderwerpen vast dat gedaagden tekort zijn geschoten c.q. onrechtmatig hebben gehandeld. Dit houdt onder meer in dat met geleend geld niet volgens de overeenkomst is gehandeld en dat investeringsobjecten zonder zekerheid aan derden uit handen zijn gegeven. Voorts gaat het om een aantal aspecten van aansprakelijkheid als bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 208850 / HA ZA 10-2416

Vonnis van 5 december 2012

in de zaak van

de stichting

STICHTING GEDUPEERDEN MIRZON,

gevestigd te Driebergen-Rijsenburg (Gem. Utrechtse Heuvelrug),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van Roemenië

MIRZON INVEST S.R.L.,

gevestigd te Oraedea, Roemenië,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. de rechtspersoon naar het recht van Roemenië

MIRZON INTERMEDIAR S.R.L.,

gevestigd te Oraedea, Roemenië,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. de rechtspersoon naar het recht van Roemenië

MIRZON IMOBILIARE S.R.L.,

gevestigd te Oraedea, Roemenië,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

4. de rechtspersoon naar het recht van Roemenië

SALVADAR INVESTMENT S.R.L.,

gevestigd te Oraedea, Roemenië,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

5. de rechtspersoon naar het recht van Roemenië

MIRZON PROIECT S.R.L.,

gevestigd te Oraedea, Roemenië,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

[gedaagde sub 6]

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. Hagers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna SGM en Mirzon Invest c.s. genoemd worden. De gedaagde partijen in conventie en eiser in reconventie worden ook aangeduid als Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar, Mirzon Proiect en [gedaagde sub 6].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 februari 2012

- de akte van SGM.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

De betekening aan Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect

2.1. In het vonnis van 15 februari 2012 heeft de rechtbank overwogen dat zij nog niet kon vaststellen of de dagvaarding tijdig in Roemenië aan Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect is betekend in die zin dat er ten minste vier weken zitten tussen de dag van de betekening en de datum waartegen is gedagvaard (artikel 115 Rv). Daarom is SGM in de gelegenheid gesteld deze gedaagden met inachtneming van de EG-Betekeningsverordening op te roepen tegen een nieuwe roldatum, zodat zij alsnog de gelegenheid zouden krijgen verweer te voeren. De zaak is in verband daarmee op de parkeerrol van 3 oktober 2012 geplaatst.

2.2. Inmiddels is gebleken dat op 2 april 2012 oproepingsexploiten verzonden zijn aan de bevoegde instantie in Roemenië en dat op 26 april 2012 kennisgeving overeenkomstig het recht van Roemenië heeft plaatsgevonden aan in ieder geval Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Salvadar en Mirzon Proiect.

2.3. In het dossier bevinden zich twee originelen van de kennisgeving aan Mirzon Proiect, maar een kennisgeving aan Mirzon Imobiliare leek te ontbreken. Uit de overigens bekende gegevens, zoals daar zijn de vijf oplopende dossiernummers die in Roemenië gebruikt zijn, de duidelijk ten name van de vijf gedaagden gestelde exploiten en het gegeven dat aan de secretaresse van Mirzon Proiect en Mirzon Imobiliare op het adres van deze beide vennootschappen twee maal een exploit ten name van Mirzon Proiect is uitgereikt terwijl uit de inhoud blijkt dat een van de twee voor Mirzon Imobiliare bestemd was, leidt de rechtbank af dat er sprake is van een kennelijke misslag. Het moet Mirzon Imobiliare die al eerder, zij het mogelijk op te korte termijn, een dagvaarding had ontvangen in deze procedure, duidelijk zijn geweest dat de procedure nog liep en dat zij nog verweer kon voeren.

2.4. De termijn die Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect na de kennisgeving hebben gehad om desgewenst alsnog verweer te voeren, is ruimschoots meer dan vier weken en dus voldoende geweest.

2.5. De inhoudelijke behandeling kan dan ook na de verstekverlening tegen Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect zonder bezwaar voortgezet worden.

De positie van Mirzon Invest en Mirzon Intermediar

2.6. De rechtbank moet er op grond van de haar bekend geworden gegevens van uitgaan dat Mirzon Invest en Mirzon Intermediar zich in een positie van insolventie bevinden zoals bedoeld in de overeenkomsten van geldlening en aangegeven in het vonnis van 14 september 2011 (rechtsoverweging 2.6 onder a). Dit betekent dat de leningen tegenover hen vervroegd opeisbaar zijn. Nu door Mirzon Invest en Mirzon Intermediar geen verweer is gevoerd, kunnen de vorderingen in zoverre in beginsel worden toegewezen, maar de rechtbank zal SGM de gelegenheid bieden haar vorderingen zo nodig op dit punt bij akte te preciseren teneinde onnodige discrepantie tussen haar vorderingen in conventie te vermijden.

De verdere inhoudelijke behandeling

2.7. In het tussenvonnis van 14 september 2011 zijn aan beide partijen vragen gesteld. Zij hebben hierop aktes genomen en over en weer gereageerd. De rechtbank zal nu ingaan op de vraag naar het toepasselijke recht (2.8, 2.9), vervolgens op de afzonderlijke projecten (2.10-2.66) en dan nog een algemene opmerking maken over de positie van de geldnemers (2.67). Ten slotte komen nog enkele losse onderwerpen aan de orde.

Het toepasselijk recht

2.8. In overweging 5.9 van het tussenvonnis van 14 september 2011 heeft de rechtbank zich afgevraagd of SGM voor [A] te Parijs, [B] te Oradea, [C] in Sydney of Londen en [D], destijds in Parijs en nu in Diemen, impliciet een rechtskeuze voor de toepassing van Nederlands recht op de behandeling van de desbetreffende onderdelen van de vordering heeft gedaan.

2.9. SGM geeft in haar akte eenduidig aan dat deze rechtskeuze zowel door haar als met instemming van [A], [B], [C] en [D] gemaakt is. Daarmee is de keuze die in het vonnis van 14 september 2011 impliciet genoemd werd, expliciet geworden. Op de vordering voor zover deze personen betreffend is het Nederlandse recht toepasselijk.

De afzonderlijke projecten

2.10. Alvorens nader op de projecten in te gaan, zal de rechtbank aandacht besteden aan een stuk waaraan [gedaagde sub 6] veel belang hecht in dit verband omdat het de verhouding tussen [betrokkene] enerzijds en Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect anderzijds aangeeft.

2.11. Dat is het stuk getiteld Participation and Corporate guarantee agreement van 9 mei 2006, overgelegd door [gedaagde sub 6] bij akte na tussenvonnis. Overigens wordt betwist dat dit stuk werkelijk een overeenkomst van die datum weergeeft. Het luidt onder meer als volgt.

The associates/administrators (…) representing SC Mirzon srl, SC Mirzon Invest srl, SC Mirzon Intermediar srl, SC Mirzon Porprietati srl, SC [betrokkene] srl, present at the Extraordinary General Assembly of these companies, in the quality of associate, administrator or associate and administrator, from now to be mentioned the associates, have identified the following.

The group of companies is growing. More loans have been received for investments. More projects will be purchased. At the same time sales are growing, producing own resources within these companies. Also bank loans have been or will be obtained by the companies. The mix of investor loans, bank loans, own resources, associate loans and lands purchased by different companies (within the group of companies already existing or companies which will be set up for this purpose and where will be financed with investor loans), which get their financing out of the mix of resources as above mentioned, complicate the financing structure enormously. To offer the associates and the investors guarantee and certainty, we, the associates decide as following:

1. Lands will be purchased on different companies (…) to reach a maximum of risk spreading in financial, fiscal, juridical sense.

2. Financing will be provided by the group of companies, associates and/or investors by participation/loan contracts.

3. Financial participation by companies in projects purchased by other companies within the group, provides the participants automatically group guarantee, similar as corporate guarantee (in countries where holding structure is permitted). The amount paid by the participating party will always be returned to the participant with the achieved profits, proportionally. Even if the receiving company has not the possibility to pay, other companies which can, will (…).

4. Losses on projects will be shared proportionally by purchasing and participating parties (…).

5. The transfers will be justified and done by the administrator within the legal opportunities which are offered by the Romanian Commercial Law.

2.12. Uit dit stuk blijkt volgens [gedaagde sub 6] dat ervoor gekozen is de activiteiten van de leningnemers niet onder te brengen in één entiteit, dat verworven grondstukken toekomen aan de groep en dat de investeerders de garantie hebben van verhaal op de groep.

2.13. Al aangenomen dat het onder 2.11 bedoelde stuk echt is – wat door de betwisting zijdens SGM niet vast staat – merkt de rechtbank op deze plaats op dat er niet uit blijkt van enige vennootschappelijke band tussen [betrokkene] enerzijds en Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect anderzijds. In de preambule van het stuk en de bepaling onder 5 wordt daarentegen bevestigd dat de Roemeense wetgeving minder ruimte biedt voor concernopbouw dan onder meer de Nederlandse. Voorts was ook zonder dit stuk al duidelijk dat Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect ervoor gekozen hebben hun activiteiten en de verworven percelen op diverse plaatsen onder te brengen. Dat is nu juist een van de bezwaren van SGM, die stelt dat daarmee onduidelijkheid jegens de investeerders is geschapen.

2.14. Het tweede meer algemene betoog van [gedaagde sub 6] houdt in dat de leninggevers een achtergestelde geldlening hebben verstrekt. Zo zijn de leningen ook genoemd in het vonnis van 14 september 2011 (2.4). Hierbij is van belang dat het begrip ‘achtergesteld’ in dat vonnis in een zeer beperkte betekenis is gebruikt. De vorderingen van de leninggevers nemen rang na die van schuldeisers met zekerheidsrechten. Indien en voor zover [gedaagde sub 6] stelt dat het begrip ‘achtergesteld’ een ruimere strekking heeft, over welke strekking hij overigens niet duidelijk is, verwerpt de rechtbank zijn betoog.

Project Arad I

2.15. Aan het project Arad I is in het vonnis van 14 september 2011 niet afzonderlijk aandacht besteed. Het project zou volgens de dagvaarding nog lopen. [E], [F] en [G] zouden hier via Mirzon Invest in geïnvesteerd hebben.

2.16. Het faillissement van Mirzon Invest leidt tot beëindiging van de overeenkomsten van geldlening. SGM zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte haar vorderingen die verband houden met deze investeringen ten behoeve van Arad I nader te onderbouwen en te specificeren.

Project Arad II

2.17. In het tussenvonnis van 14 september 2011 is overwogen (5.18) dat volgens SGM de leninggevers [H], [Y], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K] op het verkeerde spoor zijn gezet omdat niet Mirzon Imobiliare en/of Mirzon Proiect, maar [betrokkene] eigenaar is van het project Arad II. Er zou bovendien onduidelijkheid over de door [betrokkene] betaalde koopprijs bestaan. Doordat Mirzon Imobiliare en/of Mirzon Proiect nooit eigenaar is/zijn geworden van het project Arad II, hebben zij geen investeringen gedaan om het project te ontwikkelen en kunnen zij het project niet met winst verkopen aan een derde, stelt SGM.

2.18. De rechtbank achtte de uitleg van [gedaagde sub 6] op een aantal in dit verband gerezen vragen onbevredigend. Daarom zijn drie vragen aan hem voorgelegd.

2.19. In de eerste plaats is [gedaagde sub 6] gevraagd naar de financiering door [betrokkene] omdat niet duidelijk is waarom het feit dat zij beter in staat was financiering te krijgen enige rol speelde als er toch met geld van de leninggevers gekocht werd.

2.20. [betrokkene] heeft het project Arad II in twee gedeelten gekocht, zo luidt het antwoord, allereerst een deel van 84.000 m2 met eigen middelen, bankfinanciering en twee investeerders en vervolgens 14.000 m2 door aanwending van leningen van de leninggevers. Dit zijn dus de leningen aan Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect. Een verklaring waarom het feit dat zij beter in staat was financiering te krijgen enige rol speelde als er toch met geld van de leninggevers gekocht werd, is hierbij niet gegeven. Duidelijk is dat volgens [gedaagde sub 6] de betrokkenheid van de leninggevers uitsluitend de tweede aankoop betreft.

2.21. In de tweede plaats was volgens de rechtbank onduidelijk welke constructie ertoe moet leiden dat winst van [betrokkene] terecht komt bij de leninggevers, zelfs is onduidelijk hoe het uitgeleende geld bij hen terug moet komen.

2.22. Ook hierop is geen antwoord gegeven. Verwezen wordt naar het stuk van 9 mei 2006 (zie 2.11-2.13 hierboven), maar daarin staat – nog daargelaten dat juist Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect blijkens het overgelegde stuk niet tot de partijen bij de daarin neergelegde overeenkomst behoren – slechts in algemene bewoordingen dat de partijen bij die overeenkomst ernaar streven elkaar bij te staan en aankopen, opbrengsten en schulden te delen, zonder dat dit enige duidelijkheid geeft over de positie van derden. In dit verband wijst [gedaagde sub 6] ook op Participating agreements. Er liggen in het dossier ‘participation contracts’ in verband met Arad II tussen [betrokkene] en Mirzon Imobiliare (d.d. 5 augustus 2007, 22 augustus 2007, 2 oktober 2007 en 24 december 2007) en tussen [betrokkene] en Mirzon Proiect (d.d. 8 juni 2007). Hieruit citeert de rechtbank de volgende passage, die op Mirzon Imobiliare betrekking heeft:

SC Mirzon Imobiliare srl will participate in the last piece of 14000 m2 with an amount of 150 000 euro. SC Mirzon Imobiliare srl will receive for this participation the sum credited and a proportionally part of the profit which will be achieved on the sale of this project.

2.23. Een passage als deze betekent volgens [gedaagde sub 6] dat Mirzon Proiect en Mirzon Imobiliare economisch gerechtigd zijn tot de desbetreffende percelen van Arad II. Wat hij hier ook mee bedoelt, duidelijk is dat er geen sprake is van juridische eigendom, maar slechts van een contractuele verhouding. Dit laatste wordt bevestigd door het feit dat Mirzon SRL, Mirzon Imobiliare en Mirzon Investments als crediteur worden genoemd op de verificatievergadering van 25 oktober 2011 van de inmiddels failliete [betrokkene]. Zij zijn kennelijk niet anders dan concurrente schuldeisers in [betrokkene]s faillissement; van enige reële zekerheid voor hen is niet gebleken.

2.24. De derde vraag van de rechtbank in verband met het project Arad II betrof de financiële vooruitzichten van dit project. Kennelijk handhaaft [gedaagde sub 6] niet zijn – niet onderbouwde – stelling dat het project nog steeds met winst kan worden verkocht, welke winst onder meer te behalen zou zijn door samenvoeging van percelen. Het capitalization report on the debt patrimony van de failliete [betrokkene], opgesteld in oktober 2011, houdt als plan van liquidatie onder meer het openbaar verkopen van onroerende zaken, waaronder Arad II, in. Pagina 5 van dit stuk geeft enig zicht op de liquidatiewaarde waaruit niet blijkt dat er winst gemaakt kan worden, nog daargelaten of alle crediteuren, waaronder Mirzon SRL, Mirzon Imobiliare en Mirzon Investments, maar kennelijk niet Mirzon Proiect, voldaan kunnen worden.

2.25. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de conclusie van SGM uit de bij akte door [gedaagde sub 6] naar voren gebrachte gegevens onderschrijft voor zover deze het volgende inhoudt.

- Aan [H], [I], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K] is onjuiste informatie verstrekt omdat hen niet is meegedeeld dat niet een van de bedrijven waaraan zij leenden, maar [betrokkene] eigenaar van het project Arad II werd en omdat hen evenmin is meegedeeld dat er slechts sprake was van – hooguit – een persoonlijke aanspraak van Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect op [betrokkene].

- Toen Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect de leningen aanvaardden, wisten Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect dat niet zij, maar [betrokkene] – althans enige andere derde – eigenaar van de te verwerven percelen zou worden. Zij wisten dat zij op deze derde uitsluitend een persoonlijke, niet door enige zekerheid gestelde aanspraak zouden hebben terwijl zij niet zelf invloed hadden op de bedrijfsvoering en het beleid van [betrokkene].

- Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect wisten ook dat zij, als hun aanspraak op [betrokkene] niet zou slagen, het geleende geld niet zouden kunnen terugbetalen en dat er van een uitkering van een (bonus)rente aan de leninggevers geen sprake zou kunnen zijn.

2.26. Uit het voorgaande volgt dat Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening tegenover [H], [I], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K], welke verplichtingen naast de algemene hoofdverplichtingen uit geldlening in het bijzonder een bepaald gebruik van de geleende gelden inhielden. Er moet, gelet op wat de rechtbank nu bekend is, vanuit gegaan worden dat zij niet meer aan hun verplichtingen zullen kunnen voldoen. Op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid kan een ingebrekestelling onder deze omstandigheden achterwege blijven. Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect zijn in verzuim.

2.27. [gedaagde sub 6] was als bestuurder van Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect op de hoogte van deze situatie. Hij is dan ook namens deze twee vennootschappen verplichtingen uit de overeenkomsten van geldlening aangegaan terwijl hij niet kon weten of Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect aan haar verplichtingen zouden kunnen voldoen, maar wel wist dat hun positie niet sterker was dan die van concurrent schuldeiser van [betrokkene] en daarom ook wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat volstrekt niet te voorzien was of zij verhaal zouden bieden voor de schade die [H], [I], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K] ten gevolge van een mogelijke wanprestatie zouden lijden. De rechtbank acht dit onrechtmatig jegens [H], [I], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K], die aldus aan een volstrekt ongewisse situatie werden overgelaten zonder daarvan enig vermoeden te hebben. Dat [gedaagde sub 6] hierbij mogelijk hoopte dat de situatie zich zo zou ontwikkelen dat [betrokkene] bepaalde – bij betwisting door SGM overigens niet vaststaande – verplichtingen tegenover Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect zou nakomen, levert niet een omstandigheid op op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling van [H], [I], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K] niet een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

2.28. Het is thans aan SGM om aan de hand van het voorgaande bij akte aan te geven wat het bedrag is van de schade die [H], [I], [J], Van Bon Vernij B.V. en [K] ten gevolge van dit onder 2.26 bedoelde tekortschieten van Mirzon Imobiliare en Mirzon Proiect en onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 6] hebben geleden. Zij kan daarbij voor zover nodig tevens ingaan op het bij conclusie van antwoord op het onderdeel van de schadeberekening gevoerde verweer.

Project Clujului I

2.29. Ook bij Clujului I heeft overdracht van de onroerende za(a)k(en) plaatsgevonden. Mirzon Invest heeft aanvankelijk vier percelen gekocht behorend tot dit project. Later heeft [betrokkene] een perceel gekocht. Mirzon Invest heeft haar vier percelen verkocht aan [betrokkene] voor een prijs van € 2.152.800,00 waarvan € 36.036,00 is betaald. Onweersproken stelt SGM dat Mirzon Invest hierbij afstand heeft gedaan van haar recht tot ontbinding dan wel vernietiging van de overeenkomst in het geval [betrokkene] haar verplichtingen jegens Mirzon Invest niet zou nakomen. [betrokkene] heeft vervolgens het gehele project, dus vijf percelen, verkocht aan PDV voor € 3.023.910,00. PDV heeft tot zekerheid van de betaling van een deel van de koopsom € 2.518.000,00 gestort op een escrowrekening. Tussen [betrokkene] en Mirzon Invest is overeengekomen dat dit bedrag uiteindelijk zou strekken tot voldoening van de restantkoopprijs door [betrokkene] aan Mirzon Invest. [betrokkene] en Mirzon Invest zijn beide failliet. Onweersproken stelt SGM dat PDV het recht had ontbinding van de koopovereenkomst te vorderen als [betrokkene] niet aan bepaalde voorwaarden voldeed, dat [betrokkene] niet aan deze voorwaarden voldaan heeft en dat PDV derhalve ontbinding vordert en terugbetaling van het door haar reeds betaalde deel van de koopprijs, € 907.173,00, met rente. Laat [betrokkene] na tijdig tot terugbetaling van de aanbetaling over te gaan, dan blijft PDV eigenaar van de gekochte grond en verliest [betrokkene] haar aanspraak op de restantkoopprijs inclusief btw van € 2.518.000,00.

2.30. [betrokkene] is inmiddels in een proces verwikkeld met PDV; de achtergronden hiervan blijken uit overweging 2.29 hierboven. Over dit proces is door [gedaagde sub 6] een Legal opinion overgelegd van [betrokkene 2], kennelijk [betrokkene]s Roemeense advocaat, d.d. 15 november 2011. Deze verwacht dat de annulment action grote kans op succes heeft zodat de zaken in het bezit van Mirzon Invest en [betrokkene] zullen terugkomen. Gelet op de hierboven genoemde feiten is deze Legal opinion zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dat aan het zojuist bedoelde wordt toegevoegd dat de kans groot is dat de onroerende zaken in het bezit van Mirzon Invest zullen komen, is eveneens onbegrijpelijk, mede gezien het faillissement van [betrokkene]. De rechtbank laat de conclusies uit de Legal opinion, waarin kennelijk slechts [betrokkene]s standpunt rooskleurig wordt weergegeven, dan ook voor wat ze zijn.

2.31. In rechtsoverweging 5.25 van het tussenvonnis van 14 september 2011 is [gedaagde sub 6] in de gelegenheid gesteld de vraag te beantwoorden hoe de situatie van de leningen ten aanzien van Clujului I is. De overgelegde nieuwsbrieven, merkt de rechtbank ten overvloede op, geven hierin geen enkel inzicht.

2.32. Voor een deel voert [gedaagde sub 6] hierbij hetzelfde aan als ten aanzien van de enigszins vergelijkbare situatie rond Arad II. Hij stelt dat de overeenkomst van 9 mei 2006 – waarbij Mirzon Invest partij was – duidt op de samenwerking tussen de groep van vennootschappen die dezelfde belangen dienden en dat Mirzon Invest de koopsom uitbetaald zou krijgen en direct aan de betrokken leninggevers zou doorbetalen. De rechtbank passeert dit betoog onder verwijzing naar de overwegingen 2.11-2.13 hierboven.

2.33. Als de grondstukken behorend tot Clujului I terugkeren naar Mirzon Invest, zullen zij waarschijnlijk te koop worden aangeboden, stelt [gedaagde sub 6]. Van de actuele situatie van Mirzon Invest, in het bijzonder van de crediteuren op de crediteurenlijst, is hij naar hij stelt, onvoldoende op de hoogte.

2.34. Uit het voorgaande vloeit voort dat Mirzon Invest tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [L], [M], [D], De Beleggingsclub [X] en J. [K] doordat zij de geleende gelden niet overeenkomstig de overeenkomsten heeft aangewend en ook in de nakoming van de hoofdverplichtingen uit geldlening tekortschiet. Er is niets gesteld of gebleken dat aanleiding geeft te vermoeden dat Mirzon Invest nog in staat is haar verplichtingen na te komen. Op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid kan een ingebrekestelling onder deze omstandigheden achterwege blijven. Mirzon Invest is in verzuim.

2.35. [gedaagde sub 6] is namens Mirzon Invest en Mirzon Intermediar verplichtingen uit de overeenkomsten van geldlening met betrekking tot Clujului I aangegaan, heeft althans bewust deze overeenkomsten door hen laten sluiten, terwijl hij niet kon weten of Mirzon Invest en Mirzon Intermediar aan haar verplichtingen zouden kunnen voldoen, maar wel wist dat hun positie niet sterker was dan die van concurrent schuldeiser van [betrokkene] en daarom ook wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat volstrekt niet te voorzien was of zij verhaal zouden bieden voor de schade die [L], [M], [D], De Beleggingsclub [X] en J. [K] ten gevolge van een mogelijke wanprestatie zouden lijden. Dat [gedaagde sub 6] hierbij mogelijk hoopte dat de situatie zich zo zou ontwikkelen dat [betrokkene] bepaalde verplichtingen tegenover Mirzon Invest en Mirzon Intermediar Proiect zou nakomen, levert niet een omstandigheid op op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling van [L], [M], [D], De Beleggingsclub [X] en J. [K] niet een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

2.36. Het is thans aan SGM om aan de hand van het voorgaande bij akte aan te geven wat het bedrag is van de schade die [L], [M], [D], De Beleggingsclub [X] en J. [K] ten gevolge van dit tekortschieten en onrechtmatig handelen hebben geleden. Zij kan daarbij voor zover nodig tevens ingaan op het bij conclusie van antwoord op het onderdeel van de schadeberekening gevoerde verweer.

Project Clujului II

2.37. Het project Clujului II roept dezelfde vragen op als het project Arad II (vonnis van 14 september 2011, 5.27). [gedaagde sub 6] is in de gelegenheid gesteld die te beantwoorden.

2.38. Op de vraag hoe de financiering door [betrokkene] plaatsvond, antwoordt [gedaagde sub 6] dat aanvankelijk de Beleggingsclub [X] volledig zou financieren, maar dat [betrokkene] op het laatste moment, doordat een aantal leden van de Beleggingsclub [X] niet meer wilde investeren, een lening moest aangaan bij S.C. Imocredit IFN (hierna IFN). Ten behoeve van IFN is een hypotheekrecht gevestigd.

2.39. Hierbij passeert [gedaagde sub 6] het gegeven dat het Salvadar was die zou aankopen, zij het dat zijn stelling dat [betrokkene] beter in staat was financiering te verkrijgen, bevestigd lijkt door de met hypotheek versterkte lening van IFN. Overgelegd zijn een kredietovereenkomst en een hypotheekakte van 17 juni 2008, in welke akte IFN compareert als mortgage creditor en [betrokkene] als borrower. [gedaagde sub 6] zelf treedt hierbij als co-debtor-guarantor op.

2.40. Op de vraag welke constructie ertoe leidt dat winst van [betrokkene] terecht komt bij de leninggevers in die zin dat zij het ten behoeve van activiteiten van Salvadar geleende geld en mogelijk een rentebonus zoals in de leningsovereenkomst voorzien, ontvangen, antwoordt [gedaagde sub 6] met verwijzing naar een economische eigendomconstructie tussen Mirzon Invest en [betrokkene] en naar door Mirzon Invest bedongen zekerheden. Duidelijk is deze verwijzing niet, te meer niet waar vaststaat dat IFN een recht van hypotheek bedongen had. De verhouding tussen dit hypotheekrecht, het persoonlijke recht dat economische eigendom is en mogelijke zekerheden die bedongen zijn van [betrokkene] blijft vaag.

2.41. De rechtbank heeft voorts gevraagd naar het financiële vooruitzicht van het project Clujului II. Dit is slecht. De grondstukken zijn, stelt [gedaagde sub 6], nog steeds in eigendom van [betrokkene], maar er wordt niet verkocht vanwege het feit dat in dit economische klimaat de vraag naar Roemeense grondstukken zeer beperkt is. Daaraan voegt hij overigens toe dat de opbrengst onzeker is nu [betrokkene] failliet is.

2.42. De conclusie moet in ieder geval zijn dat Salvadar tekortgeschoten is tegenover de leninggevers door zowel de bijzondere verplichtingen uit de overeenkomsten met betrekking tot de bestemming van de geleende gelden als de hoofdverplichtingen uit geldlening niet na te komen. Zij moet geacht worden niet meer in staat te zijn te betalen. Hoewel het op zijn weg lag dit te doen, heeft [gedaagde sub 6] met geen woord aangegeven dat dit anders zou zijn. vanuit gegaan worden dat zij niet meer aan hun verplichtingen zullen kunnen voldoen. Op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid kan een ingebrekestelling onder deze omstandigheden achterwege blijven. Salvadar is in verzuim

2.43. Vast is komen te staan dat de percelen waarom het hier gaat, zijn gekocht door [betrokkene] met gebruikmaking van geld dat door de Beleggingsclub [X] aan Salvadar geleend was en met gebruikmaking van de lening van IFN die verzekerd was met een hypotheekrecht. Hierbij heeft [gedaagde sub 6], die namens Salvadar was opgetreden tegenover de Beleggingsclub [X], garant gestaan voor terugbetaling tegenover IFN. Niet is gebleken is dat er enige zekerheid bestond voor de Beleggingsclub [X] of enige voorziening die ertoe moest leiden dat eventuele winst van [betrokkene] terecht zou komen bij de Beleggingsclub [X]. Dat deze het geleende geld en mogelijk een rentebonus nog zal ontvangen, lijkt een illusie onder deze omstandigheden.

2.44. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 6] als bestuurder van Salvadar onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Beleggingsclub [X] als schuldeiser van Salvadar en aldus persoonlijk aansprakelijk is jegens de Beleggingsclub [X], nu hij namens Salvadar verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist althans behoorde te weten dat Salvadar die niet zou nakomen en dat er geen verhaal zou zijn voor de schade die de Beleggingsclub [X] ten gevolge van die wanprestatie zou lijden. Het optreden van [gedaagde sub 6] is temeer laakbaar nu gebleken is dat hij zelf heeft meegewerkt aan de versterking van de zekerheid van IFN in de hier bedoelde wetenschap omtrent de positie van de Beleggingsclub [X].

2.45. Het is thans aan SGM om aan de hand van het voorgaande bij akte aan te geven wat het bedrag is van de schade die de Beleggingsclub [X] ten gevolge van het hier bedoelde tekortschieten en onrechtmatig handelen heeft geleden. Zij kan daarbij voor zover nodig tevens ingaan op het bij conclusie van antwoord op het onderdeel van de schadeberekening gevoerde verweer.

Projecten Bruigioni en Bors II

2.46. Zoals in het tussenvonnis van 14 september 2011 onder 5.28 en 5.29 is overwogen, stelt SGM dat de projecten Bruigioni en Bors II voor een te lage prijs zijn verkocht aan [N] in verband met een schuld van [gedaagde sub 6] aan de aandeelhouder/bestuurder van [N] Imobiliare S.R.L., [N].

2.47. [gedaagde sub 6] en [N] zijn in voorlopig getuigenverhoor gehoord. Geen van beiden heeft daar onomwonden verklaard dat er hier geen sprake van een privéschuld van [gedaagde sub 6] zou zijn. [gedaagde sub 6] zelf heeft onder meer nadat hij in dit verband een paar maal over zichzelf had gesproken, daarop doorgevraagd door de rechtbank, verklaard: “Ik trad ook in privé als zo’n dienstverlener op, zei ik zojuist, eigenlijk bedoel ik dat ik in naam van de Mirzon-groep optrad”. [N] van zijn kant heeft over contacten met [gedaagde sub 6] verklaard dat men [gedaagde sub 6] op een gegeven moment in privé wilde aanspreken en daarbij gezegd: “Tot en met die tijd deden wij uitsluitend via Mirzon Invest zaken in Roemenië. Ik heb nooit persoonlijk met [gedaagde sub 6] in privé gehandeld, maar vanaf 2005 deden wij zaken via Mirzon.” Voorts heeft [N] verklaard over een overboeking in 2008 naar een rekening van [gedaagde sub 6] waarvan hij niet wist of dit wel of niet een privérekening was. Door SGM is een stuk overgelegd waaruit blijkt dat dit van [N]s privérekening naar een rekening ten name van Arkansel [gedaagde sub 6] overgemaakt is. [gedaagde sub 6] heeft verklaard dat er een zakelijke transactie ten grondslag lag aan deze overboeking. Dit maakt zonder toelichting, die ontbreekt, de betaling niet anders dan betaling van de ene privérekening naar de andere.

2.48. Nu de gegevens van deze overboeking duidelijk zijn en niet anders is gebleken stelt de rechtbank vast dat hier sprake is van een privétransactie tussen [gedaagde sub 6] en [N].

2.49. Uit de verklaringen van [gedaagde sub 6] en [N] blijkt verder dat de verkoop door Mirzon Invest van Bruigioni en Bors II op 21 juli 2009 aan [N] Imobiliare S.R.L. inderdaad samenhing met deze zelfde transactie. De rechtbank concludeert dan ook dat deze overdracht plaatsvond in het kader van een verwevenheid van zakelijke en persoonlijke transacties tussen [gedaagde sub 6] en [N] en door hen beheerste Nederlandse en Roemeense vennootschappen.

2.50. Reeds hierdoor is Mirzon Invest, zoals SGM terecht stelt, tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover de leninggevers [O], [A], [V], [W], [Y], [Y] en [J], [Z], [Aa] en De Beleggingsclub [X]. Mirzon Invest was tegenover hen immers gehouden tot reële transacties in onroerende zaken, niet tot het meewerken aan overdracht van onroerende zaken in het kader van een afwikkeling van overeenkomsten en conflicten tussen derden waarbij Mirzon Invest betrokken was, zoals in dit geval is gebeurd.

2.51. In het vonnis van 14 september 2011 heeft de rechtbank ten aanzien van de projecten Bruigioni en Bors II drie vragen gesteld.

2.52. De eerste vraag was voor welk bedrag de projecten aan [N] verkocht zijn. Aangenomen moet worden dat de koopprijs, gezien in het geheel van transacties dat onder 2.47-2.49 bedoeld is, € 623.902,00 was.

2.53. De tweede vraag luidde hoe deze koopprijs tot stand gekomen was. Deze is tot stand gekomen in onderhandelingen tussen [gedaagde sub 6], [N] en door hen beheerste vennootschappen, volgens [gedaagde sub 6] aan de hand van een taxatierapport uit 2006. Hierover verklaart hij als getuige: “(…) is de betaalde prijs een redelijk goede prijs te noemen. Dat moment was het hoogtepunt van de crisis”. Terecht betoogt SGM dat de verkoop op een ongelukkig moment zonder zakelijk doel plaatsvond. In dit citaat, gelet op de omstandigheden van de verkoop, zegt [gedaagde sub 6] immers hetzelfde.

2.54. Rest de vraag naar de gevolgen van de verkoop voor de leninggevers die geïnvesteerd hebben in de projecten. Hierop heeft [gedaagde sub 6] geantwoord: “De koopprijs is volledig geïncasseerd en er zijn hiermee betalingen verricht die voorrang hadden op de achtergestelde leningen van de Leninggevers.” [gedaagde sub 6] biedt hiervan bewijs aan, maar dat is niet aan de orde.

2.55. Dit bewijs is niet aan de orde omdat uit dit antwoord blijkt dat [gedaagde sub 6] Mirzon Invest de hier bedoelde percelen heeft laten verkopen in het kader van de afhandeling van een schuld die kennelijk deels een privéschuld was, in ieder geval geheel los stond van de exploitatie van onroerende zaken door Mirzon Invest, en de opbrengst aan betalingen aan derden heeft laten verdampen in de wetenschap dat de leninggevers hierna niet meer betaald zouden worden. Dat er vervolgens enig zicht was op vergoeding van de hierdoor geleden schade, is gesteld noch gebleken. Van dit gedrag treft [gedaagde sub 6] een ernstig verwijt in zijn verhouding tot de leninggevers; hij liet hen immers desbewust met lege handen achter.

2.56. De conclusie uit het voorgaande is dat Mirzon Invest op dit punt toerekenbaar tekortgeschoten is jegens de desbetreffende leninggevers door noch de geleende gelden overeenkomstig hun bestemming te gebruiken noch de hoofdverplichtingen uit geldlening na te komen. Er moet gelet op wat de rechtbank nu bekend is, van uitgegaan worden, dat zij niet meer aan haar verplichtingen zal voldoen en dus in verzuim is. Voorts concludeert de rechtbank dat [gedaagde sub 6] als bestuurder van Mirzon Invest onrechtmatig jegens de leninggevers heeft gehandeld op de onder 2.55 aangegeven wijze.

2.57. Het is thans aan SGM om aan de hand van het voorgaande bij akte aan te geven wat het bedrag is van de schade die [O], [A], [V], [W], [Y], [Y] en [J], [Z], [Aa] en De Beleggingsclub [X] ten gevolge van dit tekortschieten en onrechtmatig handelen hebben geleden. Zij kan daarbij voor zover nodig tevens ingaan op het bij conclusie van antwoord op het onderdeel van de schadeberekening gevoerde verweer.

Projecten Bors I en Timisoara

2.58. In het vonnis van 14 september 2011 (5.34) geeft de rechtbank aan dat het aan [gedaagde sub 6] is duidelijkheid te geven over de positie van Bors I en Timisoara gelet op de positie waarin de leninggevers thans verkeren. Wanneer de insolventieprocedure het hem na 11 mei 2010 onmogelijk gemaakt zou hebben inlichtingen te verkrijgen, zo is overwogen, dient hij dit zelf met feiten onderbouwd duidelijk te maken.

2.59. [gedaagde sub 6] geeft allereerst aan dat de hier bedoelde stukken grond van het project Bors I niet aan Mirzon Intermediar, maar aan Mirzon Invest toebehoren en die van Timisoara niet aan Mirzon Intermediar maar aan Mirzon S.R.L. Dit heeft hij steeds gesteld, maar hij geeft daarbij geen verklaring voor het feit dat leninggevers die in Bors I en Timisoara investeerden, er op grond van de met hen gesloten overeenkomsten van uitgingen met het bedrijf Mirzon Intermediar te maken te hebben. Het beroep dat [gedaagde sub 6] doet op het stuk van 9 mei 2006 (2.11) is, zoals reeds overwogen, hiervoor onvoldoende.

2.60. Mirzon S.R.L., stelt [gedaagde sub 6], is niet in een insolventieprocedure verwikkeld en ‘geheel vrij van lasten’. Het nieuwe bestuur zou moeten aangeven waarom het geen informatie aan de leninggevers verstrekt. Kort en goed maakt [gedaagde sub 6] SGM en de rechtbank het verwijt dat zij van hem als oud-bestuurder niet kunnen verwachten dat hij nu nog over informatie van deze twee vennootschappen, Mirzon S.R.L. en Mirzon Invest, beschikt, terwijl in de tijd dat hij bestuurder was, de informatievoorziening altijd uitstekend is geweest.

2.61. Maar daar gaat het niet om. De hier bedoelde leninggevers, [O], [D], [P], [Q], [R], [S], [T], [U], [B] en [C], moesten hun informatie krijgen van Mirzon Intermediar. Dat was immers het bedrijf waarin zij dachten te investeren en waarmee zij een overeenkomst zijn aangegaan. Hierover behoorde [gedaagde sub 6] zich wel degelijk uit te laten. Zoals de situatie thans is, geeft hij als oud-bestuurder en -vertegenwoordiger van Mirzon Intermediar slechts aan dat de gronden niet aan Mirzon Intermediar toebehoren, maar voor zover het Bors I betreft aan de inmiddels failliete Mirzon Invest en voor zover het Timisoara betreft aan Mirzon S.R.L. waar [gedaagde sub 6] niets van weet.

2.62. Met het voorgaande staat vast dat Mirzon Intermediar in geen enkel opzicht aan haar verplichtingen tegenover de leninggevers heeft voldaan of nog kan voldoen. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij zonder ingebrekestelling in verzuim is.

2.63. [gedaagde sub 6] kan het verwijt worden gemaakt, dat hij zich hier niet om heeft bekommerd. Gesteld noch gebleken is dat er bij de verwerving van de percelen door Mirzon Invest en Mirzon S.R.L. – binnen het verband van de vennootschappen die volgens het door [gedaagde sub 6] overgelegde stuk van 9 mei 2006 met elkaar samenwerkten en waarin [gedaagde sub 6] wel degelijk iets te zeggen had – enige aandacht is besteed aan de positie van de leninggevers buiten de in dat stuk bedoelde, algemene afspraken. Het beroep op deze laatste heeft de rechtbank verworpen (2.11-2.13).

2.64. Dat Mirzon Intermediar, Mirzon Invest of Mirzon S.R.L. enig verhaal zouden kunnen bieden wanneer de eerstgenoemde haar verplichtingen jegens [O], [D], [P], [Q], [R], [S], [T], [U], [B] en [C] niet nakwam, heeft [gedaagde sub 6] niet gesteld.

2.65. De slotsom ten aanzien van [gedaagde sub 6] moet zijn dat hij als bestuurder van Mirzon Intermediar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [O], [D], [P], [Q], [R], [S], [T], [U], [B] en [C] en aldus persoonlijk aansprakelijk is jegens hen, omdat hij namens Mirzon Intermediar verplichtingen is aangegaan, althans als bestuurder haar deze heeft laten aangaan, terwijl hij wist of redelijkerwijze moest begrijpen dat de vennootschap deze niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de wederpartij ten gevolge van die wanprestatie zou lijden.

2.66. Het is thans aan SGM om aan de hand van het voorgaande bij akte aan te geven wat het bedrag is van de schade die [O], [A], [V], [W], [Y], [Y] en [J], [Z], [Aa] en De Beleggingsclub [X] ten gevolge van dit tekortschieten en onrechtmatig handelen hebben geleden. Zij kan daarbij voor zover nodig tevens ingaan op het bij conclusie van antwoord op het onderdeel van de schadeberekening gevoerde verweer.

De tekortkomingen van de geldnemers in het algemeen

2.67. In het voorgaande, zowel in het vonnis van 14 september 2011 als in dit vonnis, is komen vast te staan dat Mirzon Invest, Mirzon Intermediar, Mirzon Imobiliare, Salvadar en Mirzon Proiect in een aantal opzichten niet behoorlijk aan hun verplichtingen als geldnemer voldaan hebben. Dit betekent dat de leningen aan hen vervroegd opeisbaar zijn zoals bedoeld in de overeenkomsten van geldlening en aangegeven in het vonnis van 14 september 2011 (rechtsoverweging 2.6 onder b). De rechtbank verzoekt SGM bij de toelichting op de door haar geleden schade en de verdere onderbouwing en specificatie van haar vordering voor zover nodig hier aandacht aan te besteden, mede gelet op het feit dat in een aantal overeenkomsten een einddatum is genoemd, terwijl andere van de voltooiing van een project afhankelijk zijn gesteld (tussenvonnis van 14 september 2011 onder 2.7).

in reconventie

De gelegde beslagen

2.68. [gedaagde sub 6] legt, volgens de samenvatting in het vonnis van 14 september 2011, aan zijn vorderingen allereerst ten grondslag dat hij schade heeft geleden als gevolg van de gelegde beslagen, die volgens hem onrechtmatig zijn omdat SGM geen vorderingsrecht tegen hem heeft. Uit hetgeen de rechtbank thans in conventie heeft overwogen, wat zij hier, voor zover nodig, overneemt, volgt dat deze stelling verworpen moet worden.

Onrechtmatige uitlatingen en beschuldigingen

2.69. Het tweede onderdeel van de reconventionele vordering betreft uitlatingen van SGM en haar advocaat over [gedaagde sub 6] die in zijn ogen onrechtmatig zijn. Het gaat in het bijzonder om het feit dat verweerders De Telegraaf hebben opgezocht.

2.70. Op maandag 13 september 2010 – een week nadat deze rechtbank SGM toestemming voor het leggen van beslagen had verleend en een kleine zes weken voordat de dagvaardingen in deze zaak in conventie uitgingen – kopte De Telegraaf op een binnenlandpagina: “SP’er beschuldigd van verduistering” met als onderkop “Een groep van 35 investeerders verdenkt een prominent lid van de Socialistische Partij (SP) ervan circa 2,1 miljoen euro te hebben weggesluisd”. De laatste zin duidt op [gedaagde sub 6]’ vroegere lidmaatschap van Provinciale Staten van Gelderland en op zijn kandidaatstelling voor de Europese verkiezingen in 2004. In het stuk komen zowel de advocaat van SGM als de advocaat van [gedaagde sub 6] aan het woord. Van eerstgenoemde wordt het volgende geciteerd.

“[gedaagde sub 6] heeft met geld van investeerders geschoven tussen de Mirzon Groep en zijn privévennootschappen”, stelt (…) advocaat van de gedupeerde geldschieters. “Tegen hen was gezegd: als de projecten klaar zijn krijg je je geld terug, plus de rente. De projecten zijn klaar, maar het geld is niet teruggekomen.” Bovendien had [gedaagde sub 6], zo stelt mr. Bos, “geen vergunning van (…), de AFM, om geld op te halen in Nederland.”

2.71. Van [gedaagde sub 6]’ advocaat wordt onder meer geciteerd:

“De investeerders hebben geld geleend aan een Roemeense vennootschap, waarvan cliënt al geruime tijd geen bestuurder meer is. De gelden zijn wel degelijk belegd in onroerendgoedprojecten in Roemenië en daarin zit het nog steeds vast. Het geld kan niet op korte termijn worden terugbetaald (…).”

2.72. Uit diverse overgelegde stukken blijkt dat het artikel uit De Telegraaf, in meerdere of mindere mate samengevat en veelal voorzien van het citaat uit de woorden van de advocaat van SGM, op een aantal sites is aangehaald of weergegeven.

2.73. De rechtbank zal, nu [gedaagde sub 6] niet onderbouwd stelt dat SGM zich tot enig ander medium dan De Telegraaf heeft gewend en nu uit het voorgaande voortvloeit dat De Telegraaf de bron van berichtgeving elders is, zich beperken tot de vraag of de uitlatingen gedaan tegenover De Telegraaf onrechtmatig zijn.

2.74. Verweten wordt SGM dat zij bewust contact met De Telegraaf heeft opgenomen, een krant waarvan zij wist dat deze een groot bereik heeft, en dat zij onjuiste en schadelijke uitlatingen over [gedaagde sub 6] heeft gedaan waarbij zij hem onder meer ten onrechte van een economisch delict heeft beticht (met de woorden dat [gedaagde sub 6] geen vergunning had van “(…), de AFM, om geld op te halen in Nederland”). Daarnaast verwijt [gedaagde sub 6] SGM dat zij hem op vergelijkbare wijze zwartgemaakt heeft tegenover de derden beslagenen.

2.75. Uit de eerste zin van overweging 2.70 blijkt dat het artikel in De Telegraaf verscheen toen het beslagrekest was toegewezen en de termijn om te dagvaarden gesteld was, met andere woorden: toen SGM zeker wist dat zij [gedaagde sub 6] zou gaan dagvaarden. Het is niet in het algemeen ontoelaatbaar – rechtspraak is openbaar – om op zo’n moment de rechtszaak in het nieuws te brengen, zeker niet wanneer men ervan uit mag gaan dat de zaak enige nieuwswaarde heeft. Die nieuwswaarde is in deze zaak onder meer te vinden in het aanzienlijke aantal leninggevers dat zich als ‘gedupeerden’ onder SGM verenigd heeft en het totaalbedrag van hun vordering, maar ook in de publieke persoonlijkheid van [gedaagde sub 6]. Dit zijn dan ook de elementen die De Telegraaf opgepakt heeft en overigens, gelet op vaste jurisprudentie op dit terrein, mocht oppakken. Dit laatste voegt de rechtbank toe om duidelijk te maken dat SGM niet door De Telegraaf te benaderen, De Telegraaf in staat gesteld heeft onrechtmatig te handelen jegens [gedaagde sub 6].

2.76. Naar het oordeel van de rechtbank is het op zichzelf niet ontoelaatbaar om van alle media nu juist De Telegraaf te kiezen. Het ligt voor de hand dat SGM als zij haar nieuws al naar buiten wilde brengen, wat haar vrij stond, een breed publiek wilde bereiken. De Telegraaf is, naar algemeen bekend is, een veel gelezen dagblad.

2.77. Vervolgens ligt de vraag voor of SGM feitelijke onjuistheden tegenover de krant heeft geuit. Daarbij neemt de rechtbank de inhoud van het artikel zoals aangeduid onder 2.70-2.71 tot uitgangspunt en laat zij in het midden of het aan SGM’s advocaat toegeschreven citaat woordelijk juist is.

2.78. In de eerste plaats valt dan op dat het nieuws zoals dat is gebracht, niet inhoudt dat [gedaagde sub 6] bepaalde dingen gedaan zou hebben, maar dat een groep van investeerders hem ‘beschuldigt’ en ‘verdenkt’ van bepaalde handelingen. Wat deze beschuldiging en verdenking inhouden, is wat ook in de dagvaarding in deze zaak staat en in grote lijn, zeker wat de inkleuring betreft, ook wat het beslagrekest inhoudt. SGM bracht dus naar buiten wat zij deed: [gedaagde sub 6] – naast anderen – aanspreken omdat zij hem van bepaalde onrechtmatige handelingen betichtte.

2.79. Dit kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn als de vorderingen van SGM ongegrond geweest waren. Daarvan is echter geen sprake. Uit hetgeen inmiddels in conventie is overwogen in het vonnis van 14 september 2011 en in dit vonnis, overwegingen die de rechtbank hier voor zover nodig overneemt, volgt immers dat onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 6] is komen vast te staan, welk handelen tegenover de leninggevers tot feitelijk gevolg heeft gehad dat zij, nadat zij geïnvesteerd hadden in onroerendgoedactiviteiten van enkele met name genoemde Roemeense vennootschappen, hebben moeten constateren dat informatie vanaf een gegeven moment uitbleef en dat hun geld voor activiteiten van andere, merendeels door [gedaagde sub 6] of mede door [gedaagde sub 6] beheerste vennootschappen is gebruikt terwijl rentebetaling en terugbetaling achterwege bleven en naar het zich laat aanzien – zeker vanuit de vennootschappen waarin zij gemeend hebben te investeren – achterwege zullen blijven. Het artikel in De Telegraaf – met inbegrip van de citaten van SGM’s advocaat – geeft dit weer, zij het uiteraard in andere bewoordingen dan dit vonnis gebruikt.

2.80. De verwijzing naar de Autoriteit Financiële Markten slaat op zichzelf op een onderdeel van de dagvaarding en mocht al daarom door SGM naar buiten gebracht worden. Dit was inderdaad een verwijt dat zij [gedaagde sub 6] maakte. Dat de beoordeling van de juistheid ervan in deze zaak niet aan de orde is gekomen, maakt dit niet anders. Dat er sprake is van een economisch delict is niet kwetsender dan de overigens weergegeven beschuldigingen van fraude en wegsluizen, ernstiger delicten. Bij het weergeven van een partijstandpunt dat niet achteraf gebleken is onrechtmatig te zijn, is dergelijke sterke taal niet ontoelaatbaar.

2.81. Het verwijt dat SGM [gedaagde sub 6] zwartgemaakt heeft tegenover de derden beslagenen wordt gebaseerd op de tekst van het beslagrekest en op brieven die SGM aan derden beslagenen heeft gestuurd die nalieten tijdig een verklaring af te leggen. Deze gebruikelijke aanpak van het leggen van derdenbeslagen, waarbij het onvermijdelijk is dat de visie van de beslaglegger op de debiteur naar buiten komt, is in beginsel niet onrechtmatig als de gevolgde beslagen niet onrechtmatig zijn. Dit laatste staat inmiddels vast. Van omstandigheden die de beslagrekesten en/of de gevolgde brieven desondanks onrechtmatig maken, is niets gesteld of gebleken.

2.82. De slotsom is dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen. [gedaagde sub 6] zal daarbij als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de procedure in reconventie.

2.83. Deze beslissing zal nu worden aangehouden om de procedures in conventie en in reconventie bij elkaar te houden.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 januari 2013 voor het nemen van een akte door SGM over hetgeen is vermeld onder 2.6, 2.16, 2.28, 2.36, 2.45, 2.57, 2.66 en 2.67 waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

in conventie en in reconventie

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. D.T. Boks en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.