Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY7733

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
222186
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijst af het verzoek van de man tot verkrijging van de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige wegens psychische gesteldheid van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector Familie en Jeugd

Zaakgegevens: [zaaksnummer]

Datum uitspraak: 13 december 2012

beschikking erkenning

in de zaak van

[de man] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. H.C.D. Bos te Arnhem

tegen

[de vrouw] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Gezien de stukken, waaronder:

- de beschikking d.d. 15 november 2011 van deze rechtbank waarin [bijzonder curator] is benoemd als bijzonder curator;

- de brief d.d. 9 februari 2012 van de bijzonder curator, waarin zij haar standpunt betreffende de erkenning geeft;

- het verkort proces-verbaal van 30 mei 2012;

- het rapport van 8 mei 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming met bijlagen

- een brief d.d. 3 augustus 2012 van M. R.R. van Zadelhoff, gezinsvoogd;

- de fax d.d. 17 augustus 2012 met vier producties van de kant van de man;

- de brief met producties, ingekomen op 7 november 2012 van de kant van de vrouw;

- de pleitnota van mr. M.G. Hoogerwerf, overgelegd ter zitting.

Gehoord ter zitting van 15 november 2012:

- de man, bijgestaan door mr. H.C.D. Bos;

- de vrouw, bijgestaan door mr. M.G. Hoogerwerf;

- [bijzonder curator], bijzonder curator;.

- de heer M.R.R. van Zadelhoff namens Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland;

- mevrouw E. Sigmond, als zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

De feiten

De man is de biologische vader van de minderjarige

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

De moeder heeft van rechtswege het gezag.

De man heeft de Portugese nationaliteit. De minderjarige heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland.

De vrouw weigert haar toestemming te verlenen aan de man om de minderjarige te erkennen.

Het verzoek

De man verzoekt vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

Het verweer

De vrouw voert gemotiveerd verweer dat hierna bij de beoordeling zal worden behandeld.

De beoordeling

Artikel 1: 204 lid 3 bepaalt dat de toestemming van de moeder kan worden vervangen door de toestemming van de rechtbank indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden.

Uit de jurisprudentie (HR 16 februari 2001, NJ 2001,571) volgt dat van schade aan de belangen van het kind slechts sprake is, indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft (HR 16 juni 2006, LJN AW1860).

De rechtbank gaat, op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden bij de beoordeling uit van de volgende omstandigheden:

1.1. De vrouw functioneert op academisch niveau. Er is geen hulpverleningsgeschiedenis voorafgaand aan deze relatie. Er zijn evenmin trauma's in haar verleden. Zij maakt de indruk van een goedgeschoolde, stevige en geestelijk gezonde vrouw. (verslag [x] d.d. 26 maart 2012; werkgever d.d. 21 november 2011 in getuigschrift; vader en moeder van de vrouw en overige verklaringen bij verweerschrift d.d. 16 december 2011).

1.2. De minderjarige is geboren uit een kortdurende relatie van de ouders, welke relatie een conflictueus karakter had. De conceptie vond plaats aan het eind van een vakantie toen de vrouw de relatie al beëindigd had.

1.3.Tijdens de zwangerschap en de geboorte leverde de interactie met de man spanning op. De vrouw heeft zich vanaf het begin van de zwangerschap ingespannen om de man bij de zwangerschap, de geboorte en bij de minderjarige na zijn geboorte te betrekken. In die periode heeft zij de NIM ingeschakeld om tot een regeling te komen (mail vrouw februari 2011, verslag huisarts bij aanmelding augustus 2011. (Mails vrouw 16-18 mei 2011).

1.4. Na de geboorte totdat de minderjarige ongeveer een half jaar oud was, heeft de vrouw de man de gelegenheid gegeven contact te hebben met zijn zoon bij haar thuis, aanvankelijk is de man ook alleen gelaten met zijn zoon, contacten vonden daarna in haar bijzijn plaats en nadat dit te veel spanning bij haar opriep heeft twee maal een contact in bijzijn van haar ouders plaatsgevonden.

1.5. De vrouw is twee maal (in augustus 2011 en in februari 2012) door de huisarts verwezen naar een eerstelijnspsycholoog. (verslag [instelling] d.d. 27 maart 2012) De eerste verwijzing vermeldt onder meer: Omdat het voor de buitenwereld een meer aimabele man lijkt, begint patiënte wel steeds meer aan zichzelf te twijfelen en zakt ze steeds verder weg in piekeren/bezorgdheid, onzekerheid, angst en is bang om hulp te zoeken." De contacten van de man met zijn zoon hebben bij de vrouw in toenemende mate gevoelens van angst opgeroepen. (mails d.d. 13-02-10, rb veronderstelt 11), welke angst in april 2012 zo hevig is geworden dat zij een decompensatie heeft doorgemaakt waarvoor zij opgenomen is geweest in een psychiatrische kliniek van april 2012 tot juni/juli 2012. Zij woont sinds die tijd niet meer zelfstandig, maar bij haar ouders en zij is niet in staat om haar werkzaamheden als beleidsmedewerker bij de [werkgever] uit te voeren.

2. Over de psychische problemen van de vrouw blijkt het volgende uit de overgelegde bescheiden:

2.1.Volgens [x], de behandelaar van de vrouw (verslag d.d. 26 maart 2012, p.4 e.v.) kampt de vrouw met een aanpassingstoornis met sterk verhoogde angstniveaus die context-gerelateerd zijn. Gedacht kan worden aan PTSS. Het verslag vermeldt voorts:

"Het gesprek met de Raad (betreffende het verzoek ots, rb) met name waar het ging om onbegeleide omgang en herstel van contact met de vader is voor de moeder een terugvallen in de eerdere ervaring. Wanneer men in aanvang gaat sturen op enig herstel van de relatie tussen [de vrouw] en de vader zal dit een negatief effect hebben op het herstel van de moeder.

Het is lastig te zeggen hoe het verloop van de behandeling zal zijn. Veel zal afhangen van de besluitvorming van de rechter en de Raad. Als dit door haar ervaren wordt als steunend en veiligheid brengend voor haar en [minderjarige] voorzie ik- mits met adequate hulp (...) een positief perspectief. (....) Bij dergelijke relaties is het feitelijk gezonder een verbinding geheel te verbreken en uit de invloed sfeer te raken. In geval van kinderen kan dit in beginsel ook een goede oplossing zijn wanneer de draagkracht van de zorgende ouder sterk aangetast raakt. Het recht op gelijkwaardige opvoeding en verzorging staat echter daarmee op gespannen voet. Mevrouw heeft vanaf het begin gestreefd naar een 'aanwezige vader' echter dit is voor haar op dit moment geen haalbare zaak. Verbreken van contact (....) is geen weg geweest daar de vader aanspraak maakt op het kind. Daarmee duurt eigenlijk het trauma voort. (....) Momenteel kampt betrokkene met een aanpassingstoornis vanuit een angst dat de ex-partner haar kind en haar verder zal schaden. Vanuit de huidige hulpverlening en haar latent aanwezige kracht kan betrokkene zich ontwikkelen tot een normaal functionerende moeder omdat haar klachten sterk contextueel van aard zijn."

2.2. Het indicatieverslag van de psychiater [y] vermeldt: onder bespreking: "De informatie over haar ex-vriend zou op psychopathie kunnen duiden". Onder Diagnose en Classificatie wordt vermeld; As I: Aanpassingstoornis met angst en depressie en op As IV: problemen met ex-partner.

2.3. [z] (sociaal psychiatrisch verpleegkundige) en [y] psychiater, beiden werkzaam bij [instelling] rapporteren d.d. 27 maart 2012: eerste diagnose Aanpassingstoornis met angst en depressie. Behandeling in eerste instantie gericht op het creëren van rust en veiligheid. De situatie en rechtszaak rondom de vader van haar zoontje lijkt daarbij in haar voordeel uit te gaan vallen waardoor de stressgevende oorzaak van haar klachten verminderd is" Betreffende de tweede aanmelding op 10 februari 2012 wordt gerapporteerd: "Door nieuwe verwikkelingen rond erkenning en bezoekregeling zijn eerdere klachten weer aanwezig: paniek, angst, veel zorgen over welzijn zoontje. Heeft angst- en paniekaanvallen, slaapt slecht en is erg bezorgd. Diagnose niet veranderd, wederom is er sprake van angstklachten die contextgerelateerd zijn. Verloop: nog geen verbetering, de juridische strijd en haar grote zorgen over welzijn van [minderjarige] geven dagelijkse angst- en paniekaanvallen".

2.5.Uit de verklaring van [a] blijkt dat de vrouw een kortdurende decompensatie heeft doorgemaakt ten gevolge van stress van buitenaf. "Zij is van 23 april 2012 tot heden, 28 augustus 2012, onder behandeling. "Zij heeft samen met haar ouders gesprekken om beter te leren omgaan met de stress veroorzaakt door haar ex.

2.6. Het rapport van de gezinsvoogd, ingekomen op 12-10-2012 waarin verlenging van de ondertoezichtstelling wordt gevraagd vermeldt: "Nadat vader de eerder genoemde juridische procedure had opgestart namen de spanningen bij moeder toe. Eind april 2012 decompenseerde moeder, zij werd opgenomen in een psychiatrische setting ([instelling 2]) in [plaats]. [minderjarige] woont vanaf het moment dat moeder opgenomen werd bij [instelling 2] bij zijn opa, oma en oom (mz) in [plaats]. Medio juni 2012 sliep moeder enkel nog bij [instelling 2], overdag verzorgde zij [minderjarige] bij opa en oma thuis, 26 juni 2012 werd zij ontslagen door deze instelling. Moeder woont op dit moment samen met [minderjarige] bij opa en oma. Zij heeft contacten met een psychologe.. Het contact tussen [minderjarige] en moeder is blijkens de observaties goed. [instelling 2] diagnosticeerde na opname decompensatie als gevolg van langdurige stress bij moeder. Moeder kreeg angstremmers.

3. Voorts is voor de beoordeling van belang;

3.1. Door de Raad en de gezinsvoogd wordt niet getwijfeld aan de pedagogische kwaliteiten van de vrouw. Op 30 mei 2012 is een ondertoezichtstelling uitgesproken waarbij het volgende is overwogen door de kinderrechter;"gelet op de zeer problematische relatie tussen de ouders, de ernstige zorgen rondom de gezondheidsituatie van moeder en daarmee over de ontwikkeling van de minderjarige is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is."

3.2. Dat de angstgevoelens van de vrouw niet geheel zonder grond zijn blijkt uit het feit dat zij tijdens haar vakantie in [buitenland], waar zij in zekere zin afhankelijk was van de man, (hij sprak de taal en beheerde de eerste weken het geld) in vier weken 8 kilo is afgevallen, er een conflict ontstond over het kopen van eten in een supermarkt terwijl de vrouw honger had en dat hij haar twee maal alleen liet, waaronder eenmaal in de jungle.

Het blijkt voorts uit de mail d.d. 12 augustus 2010 waarin de man hij schrijft: "Many times I secretly played with the gun my dad had at home... Once I broke 2 fingers of a friend because we would always ring my bell and run away when we would walk back home from school for lunch... just that you know what you can expect from my half genetical contribution".

Dat zijn rol tijdens de bevalling geen positieve invloed had op het verloop blijkt uit de schriftelijke verklaring van de verloskundige d.d. 28-11-11: "De rol van [man] was heel afstandelijk en van kritische toeschouwer bij de bevalling. Omdat ik meende dat jij je daardoor moeilijk kon overgeven aan de weeën en je moeder jou goed ondersteunde, heb ik voorgesteld [man] even weg te sturen. Omdat dat niet volgens jullie afspraak was heb je daar niet mee ingestemd. [man] bleef. Ook toen ik hem er meer bij wilde betrekken, merkte ik zijn kritische en bijna afkeurende houding."

Dat de man geen rekening hield met de bezorgdheid van de vrouw over de veiligheid van hun zoon blijkt uit zijn commentaar onder 6-3:"Ik wist echter dat [vrouw] zeer kritisch was over het laten slapen van [minderjarige] op mijn borst, aangezien [vrouw] beweert dat baby's die bij volwassenen slapen de grootste doodsoorzaak is in het eerste levensjaar van kinderen......[minderjarige] heeft die nacht uitsluitend op mijn borst geslapen"

Bij mail d.d. 1 augustus 2011 schrijft de man: [minderjarige] heeft een vader nodig....en al onze onenigheden en pijn die we elkaar aandoen moet daar los van staan.....Ik wil met hem kunnen spelen op de boerderij, fruit rechtstreeks van de boom plukken en eten, hem de verborgen geheime plaatsen laten zien in de bergen dicht bij mijn geboorteplaats, (...) ik wil hem aan mijn oma voorstellen (....) hem meenemen naar het voetbal op zondagmiddag, op de boerderij geroosterde sardines eten die door opa en oma zijn klaargemaakt, hem alle kostuums van [buitenland] laten zien, enz. Hij heeft er recht op om al deze dingen te ervaren." [minderjarige] is nu bijna 8 maanden oud, hij is sterk en gezond en dit is de beste tijd om te beginnen, als het al niet te laat is. Niet blijkt dat de man zich daarbij afvraagt wat het voor de minderjarige van 8 maanden betekent zo lang van zijn moeder gescheiden te worden.

3.3. Uit de mails van de vrouw weergegeven onder 5.10 (reactie op schrijven van de man, ingekomen op 18-1-2012) komt het beeld naar voren dat de man tijdens de zwangerschap met haar heeft gesproken over ontvoering van de baby naar [buitenland] en afstaan van het kind door de moeder. Weliswaar zijn er geen mails van zijn kant waarin dat staat, maar hij heeft ook niet gereageerd op de mails van de moeder met de vraag waar zij die gedachten vandaan haalt en door haar op dat punt onmiddellijk gerust te stellen.

4. Overwegingen

4.1. Juridische erkenning door de vader brengt mee dat zijn juridische positie sterker wordt en dat de kans op procedures om zijn rechten uit te oefenen groter worden. De vrouw heeft geen enkele mogelijkheid zich aan juridische procedures te onttrekken zolang niet aan de wensen van de man betreffende de invulling van zijn vaderschap is voldaan. Uit de verklaringen van de deskundigen met betrekking tot de psychische problemen van de vrouw is af te leiden dat procedures een belemmerende invloed hebben op het herstel van de vrouw, terwijl wel vast staat dat de vrouw nog steeds niet hersteld is van haar angst- en paniekaanvallen die hebben geleid tot haar opname in april 2012.

Daarbij wordt ook overwogen dat, ook wanneer de man geen toestemming krijgt om de minderjarige te erkennen, hij ex art. 1:377a BW een omgangsregeling kan vragen. In het kader van de ondertoezichtstelling kan bekeken worden of de moeder zover hersteld is dat op enige manier contacten tussen de minderjarige en zijn vader kunnen plaatsvinden.

4.2. De psychische toestand van de moeder is het rechtstreeks gevolg van de relatie met de man blijkt uit alle verklaringen van de deskundigen. Dat de psychische toestand van de vrouw ernstige gevolgen heeft gehad voor de opvoedingsituatie van de minderjarige blijkt voldoende. De vrouw woont niet meer in haar eigen woning maar bij haar ouders, haar ouders hebben tijdens haar opname de verzorging van de minderjarige op zich genomen en zij verzorgen de minderjarige nog steeds voor zover nodig.

4.3.Aan de stelling van de man dat het voor de minderjarige belangrijk is zijn vader te leren kennen zijn onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd, die opwegen tegen het belang van de minderjarige en zijn moeder op een rustige en veilige opvoedingsomgeving.

De bijzonder curator komt bij brief ingekomen op 10 februari 2012 tot het advies de vervangende toestemming voor erkenning wel te verlenen. Uit de brief blijkt niet dat dit advies op meer informatie is gebaseerd dan één gesprek met iedere ouder en niet blijkt op welke wijze de bijzonder curator een afweging heeft gemaakt om tot dat advies te komen. Aan haar advies wordt om die reden voorbij gegaan.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd de erkenning toe te wijzen. Ook de Raad heeft niet toegelicht op welke wijze een afweging is gemaakt en ook aan dat advies wordt voorbij gegaan.

4.4. De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanige onevenwichtige situatie zal komen te verkeren dat de opvoedingsituatie van het kind dermate instabiel wordt dat dat zijn sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling belemmert. Noodzakelijkerwijs gaat dit over een verwachting in de toekomst. [x] en [y] rapporteren beiden dat de oorzaak van de stoornis gezocht moet worden in de relatie met de man en dat de vrouw op dit punt rust en veiligheid nodig heeft om te herstellen. Het belang van de man de juridische erkenning te krijgen weegt niet op tegen het belang van de minderjarige dat zijn moeder in rust en veiligheid kan herstellen en weer zelfstandig haar moederrol kan opnemen.

De beslissing

De rechtbank

1. wijst af het verzoek van de man tot verkrijging van de vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats];

2. compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen de eigen kosten dienen te dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.A. van Son, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Jbilou als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.