Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY7720

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
05/700689-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht concludeert de rechtbank tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2013/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Promis II

Parketnummer : [nummer]

Datum zitting : 25 september 2012

Datum uitspraak: 25 september 2012

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman: mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 10 tot en met 12 maart 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere zaagmachine(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 30 maart 2010 te [plaats], in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- een personenauto [merk, kenteken], en/of

- een personenauto [merk, kenteken], en/of

- een personenauto [merk, kenteken], en/of

- een personenauto [merk, kenteken], en/of

- een personenauto [merk, kenteken], en/of

- een winkelruit en/of een kozijn van [winkel], en/of

- een of meerderen ruit(en) en/of de (naastgelegen) toegangsdeur van [winkel], welk geweld bestond uit het, in de (dichte) nabijheid van voornoemd(e) goed(eren), tot ontploffing brengen/aansteken van een of meerdere stuk(ken) (illegaal) vuurwerk (zgn. Cobra 6), welk vuurwerk (vervolgens) werd bedekt met een stenen bloempot;

3.

hij op of omstreeks 24 juli 2009 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand aan de [straat] ([winkel]) heeft weggenomen een geldkist met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (het openbreken van de nooddeur aan de achterzijde);

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

[verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3] op of omstreeks 24 juli 2009 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand aan de [adres]

([winkel]) hebben/heeft weggenomen een geldkist met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [verdachte 1] en/of die [verdachte 2] en/of die [verdachte 3] en/of diens mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [verdachte 1] en/of die [verdachte 2] en/of die [verdachte 3] en/of diens mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder diens/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of inlichtingen heeft verschaft door - zakelijk weergegeven -:

- voorafgaand aan die diefstal naar het politiebureau te [plaats] te rijden om te kijken hoeveel politieauto's aldaar geparkeerd stonden en/of deze bevindingen door te geven aan die [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 3], en/of

- tijdens die diefstal op de uitkijk te gaan staan;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 april tot en met 10 april 2010 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], en/of te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation 1] en/of [tankstation 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 april tot en met 10 april 2010 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], en/of te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) benzine, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation 1] en/of [tankstation 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de rijksweg A15 (ter hoogte van plaats 2) en/of de rijksweg A2 (ter hoogte van plaats 1), had(den) getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte en/of zijn

mededader(s) aldus anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 07 april tot en met 10 april 2010 te [plaats a], gemeente [gemeente a], en/of te [plaats b], gemeente [gemeente b], in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere kentekenpla(a)t(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij x] en/of [benadeelde partij y], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 april tot en met 13 april 2010 te [plaats c], gemeente [gemeente c], en/of te [plaats d], in elk geval Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) snoep en/of drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation f] en/of [tankstation g], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

7.

hij op of omstreeks 05 mei 2010 te [plaats], ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan het [adres]) weg te nemen geld en/of goederen naar de gading van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij i], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of voormeld(e) goed(eren) onder hun of verdachtes bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen, een gasfles door een ruit van die woning heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft bij preliminair verweer de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Volgens de raadsman van verdachte is sprake van een zodanig tijdsverloop dat, in afwijking van het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN: BD 2578) en in overeenstemming met het vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 29 november 2011 (LJN: BV 2783), de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Immers, in onderhavige zaak is sprake van een tijdsverloop van circa 28 maanden sinds het verhoor van verdachte begin of eind juni 2010. Het proces-verbaal is al op 8 juli 2010 gesloten en daarna is niets meer gebeurd. De verdachte was ten tijde van de verweten feiten 15 en 16 jaar en inmiddels is hij bijna 19 jaar oud. Gelet op het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het pedagogisch effect van de strafrechtelijke vervolging, alsmede het feit dat verdachte sinds zijn aanhouding en politieverhoor met de criminaliteit gebroken heeft, is het nu alsnog behandelen van de strafzaak in strijd met de belangen van verdachte zoals genoemd in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (verder: IVRK). Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat het pedagogische effect van een straf nihil zal zijn, omdat verdachte zich goed heeft ontwikkeld en een werkstraf een negatieve invloed zal hebben op zijn werkschema. Het strafadvies komt daarom uit op een geldboete.

De officier van justitie heeft verzocht het verweer te verwerpen. Volgens de officier van justitie is de Hoge Raad in voormeld arrest duidelijk geweest dat ook in zaken betreffende minderjarigen overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, maar kan leiden tot strafvermindering.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte is door de politie voor het eerst op 31 mei 2010 verhoord over eventuele betrokkenheid bij de diverse delicten. Op 8 juli 2010 is het proces-verbaal van het (omvangrijke) strafrechtelijk onderzoek gesloten. Verdachte is vervolgens gedagvaard om te verschijnen voor de meervoudige kamer van 25 september 2012. Nu de akte van uitreiking van de dagvaarding in het dossier ontbreekt, wordt de zittingsdatum gehanteerd als moment waardoor het verloop van de redelijke termijn wordt gestuit.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, is aangevangen op 31 mei 2010, zijnde de dag dat verdachte voor het eerst is verhoord zodat hij sindsdien rekening moest houden met strafrechtelijke vervolging.

In zijn arrest van 3 oktober 2000 (LJN: AA 7309) stelt de Hoge Raad dat als uitgangspunt voor zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, geldt dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheden noemt de Hoge Raad in dit arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Een overschrijding van de redelijke termijn behoort in de regel te leiden tot strafvermindering. In uitzonderlijke gevallen kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.21).

De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake is van een omvangrijk onderzoek, maar niet van een ingewikkelde zaak, waarbij verdachte tot op heden geen invloed heeft uitgeoefend op de duur van het procesverloop.

In artikel 40, lid 2 onder III van IVRK wordt bepaald dat indien een kind wordt verdacht van een strafbaar feit, de aangelegenheid 'zonder vertraging' dient te worden beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie. Het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat een strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil, en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

In deze zaak heeft het zonder duidelijke reden circa 28 maanden geduurd voordat deze op zitting is aangebracht. Hierbij neemt de rechtbank mede in overweging dat het haar ambtshalve bekend is dat zaken tegen (volwassen) medeverdachten reeds in augustus 2010 ter terechtzitting zijn behandeld en dat op 26 januari 2011 einduitspraken zijn gegeven.

Een verklaring voor de vertraging is door de officier van justitie niet gegeven. In ieder geval is niet gebleken van een omstandigheid die verdachte kan worden tegengeworpen of de redelijke termijn doet verlengen. Dit maakt dat de door de Hoge Raad bepaalde redelijke termijn van 16 maanden met circa 12 maanden is overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en de bepaling van het IVRK, de redelijke termijn genoemd in artikel 6 EVRM zodanig inkleuren dat deze forse termijnoverschrijding de officier van justitie het recht op vervolging doet verliezen.

Verdachte was ten tijde van de hem verweten strafbare feiten 15 en 16 jaar oud en is thans bijna 19 jaar oud. Uit de door de Raad voor de Kinderbescherming overgelegde rapportage volgt dat verdachte sinds zijn aanhouding een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Dit, tezamen met de verstreken periode, maakt dat het pedagogische effect van een veroordeling, ook al zou de straf worden verminderd zoals beoogd door de Hoge Raad, niet alleen verloren gaat, maar zal, zoals de raadsman heeft betoogd, in het geval van verdachte zelfs averechts van aard zijn.

De enige beslissing die in deze zaak nu nog op zijn plaats is, dus die waarbij de belangen van het kind voorop worden gesteld, is die van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Aldus gewezen door:

mr. J.Th. van Belzen, kinderrechter, als voorzitter,

mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter,

mr. W.J. Vierveijzer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.W. Lambregts, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2012.