Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY7601

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
02-01-2013
Zaaknummer
05/700184-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige verdachte uit Tiel wordt veroordeeld wegens medeplichtigheid aan een gewapende overval op het Bristol-filiaal te Tiel in januari 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/700184-11

Data zittingen : 26 april 2011, 15 mei 2012 en 18 december 2012

Datum uitspraak : 28 december 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2011 in de gemeente Tiel tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een filiaal/vestiging van Bristol heeft

weggenomen een hoeveelheid geld (uit een of meer kassalade(s) en/of sealbag(s)

en/of uit een kluis), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan Bristol, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerk(st)er(s) van voormelde

Bristolvestiging, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het

bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s) (het magazijn van) voormeld Bristolfiliaal (voordat

dit zou worden geopend voor publiek) is/zijn binnengegaan en/of een/of meer

aldaar aanwezige medewerk(st)er(s) heeft/hebben bedreigd met een mes en/of een

schroevendraaier, althans met een of meer scherp(e) voorwerp(en) en/of daarbij

zei(den): "geld, waar is de kluis" en/of "overval, geef me geld" en/of "dit is

een overval, ga liggen, blijf liggen of ik steek je neer", althans woorden van

gelijke aard of strekking, en/of een of meer aldaar aanwezige

medewerk(st)er(s) heeft/hebben geschopt/getrapt en/of tegen die

medewerk(st)er(s) heeft/hebben gezegd dat hij/zij op de grond moest(en) gaan

liggen en/of (vervolgens) die medewerk(st)er(s) heeft/hebben geboeid en/of

getracht heeft/hebben te boeien met tie-rips, en aldus een dreigende situatie

voor die medewerk(st)er(s) heeft/hebben gecreëerd;

EN/OF

hij op of omstreeks 25 januari 2011 in de gemeente Tiel tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld een of meer medewerk(st)er(s) van een Bristolvestiging

heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer kassalade(s) en/of sealbag(s)

en/of een sleutel van een kluis, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan Bristol, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) (het magazijn

van) voormeld Bristolfiliaal (voordat dit zou worden geopend voor publiek)

is/zijn binnengegaan en/of een/of meer aldaar aanwezige medewerk(st)er(s)

heeft/hebben bedreigd met een mes en/of een schroevendraaier, althans met een

of meer scherp(e) voorwerp(en) en/of daarbij zei(den): "geld, waar is de

kluis" en/of "overval, geef me geld" en/of "dit is een overval, ga liggen,

blijf liggen of ik steek je neer", althans woorden van gelijke aard of

strekking, en/of een of meer aldaar aanwezige medewerk(st)er(s) heeft/hebben

geschopt/getrapt en/of tegen die medewerk(st)er(s) heeft/hebben gezegd dat

hij/zij op de grond moest(en) gaan liggen en/of (vervolgens) die

medewerk(st)er(s) heeft/hebben geboeid en/of getracht heeft/hebben te boeien

met tie-rips, en aldus een dreigende situatie voor die medewerk(st)er(s)

heeft/hebben gecreëerd;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

een of meer tot nu toe onbekend(e) perso(o)n(en) op of omstreeks 25 januari

2011 in de gemeente Tiel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een hoeveelheid geld (uit een of meer kassalade(s) en/of

sealbag(s) en/of uit een kluis), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan Bristol, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die

tot nu toe onbekend(e) perso(o)n(en) en/of aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerk(st)er(s) van voormelde Bristolvestiging, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat voormelde onbekend(e)

perso(o)n(en) (het magazijn van) voormeld Bristolfiliaal (voordat

dit zou worden geopend voor publiek) is/zijn binnengegaan en/of een/of meer

aldaar aanwezige medewerk(st)er(s) heeft/hebben bedreigd met een mes en/of een schroevendraaier, althans met een of meer scherp(e) voorwerp(en) en/of daarbij

zei(den): "geld, waar is de kluis" en/of "overval, geef me geld" en/of "dit is

een overval, ga liggen, blijf liggen of ik steek je neer", althans woorden van

gelijke aard of strekking, en/of een of meer aldaar aanwezige

medewerk(st)er(s) heeft/hebben geschopt/getrapt en/of tegen die

medewerk(st)er(s) heeft/hebben gezegd dat hij/zij op de grond moest(en) gaan

liggen en/of (vervolgens) die medewerk(st)er(s) heeft/hebben geboeid en/of

getracht heeft/hebben te boeien met tie-rips, en aldus een dreigende situatie

voor die medewerk(st)er(s) heeft/hebben gecreëerd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25

januari 2011 en/of in de weken voorafgaand aan bovenstaande overval in de

gemeente Tiel en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest

door in zijn hoedanigheid van stagiair van voormeld Bristolfiliaal bij zijn

collega's en/of een of meer derde(n) te informeren naar camera's en/of andere

beveiliging en/of of er veel geld in de kluis zat en/of aan voormelde

onbekend(e) perso(o)n(en) toegang heeft verschaft tot (het magazijn van)

voormeld Bristolfiliaal (door het rolluik van het magazijn te openen danwel

niet volledig te sluiten kort nadat hij zelf was binnengekomen)

EN/OF

een of meer tot nu toe onbekend(e) perso(o)n(en) op of omstreeks 25 januari

2011 in de gemeente Tiel, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) en/of

verdachte wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld een of meer medewerk(st)er(s) van een Bristolvestiging heeft gedwongen

tot de afgifte van een of meer kassalade(s) en/of sealbag(s) en/of een sleutel

van een kluis, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Bristol, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die perso(o)n(en) en/of

aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die

perso(o)n(en) (het magazijn van) voormeld Bristolfiliaal (voordat dit zou

worden geopend voor publiek) is/zijn binnengegaan en/of een/of meer aldaar

aanwezige medewerk(st)er(s) heeft/hebben bedreigd met een mes en/of een

schroevendraaier, althans met een of meer scherp(e) voorwerp(en) en/of daarbij

zei(den): "geld, waar is de kluis" en/of "overval, geef me geld" en/of "dit is

een overval, ga liggen, blijf liggen of ik steek je neer", althans woorden van

gelijke aard of strekking, en/of een of meer aldaar aanwezige

medewerk(st)er(s) heeft/hebben geschopt/getrapt en/of tegen die

medewerk(st)er(s) heeft/hebben gezegd dat hij/zij op de grond moest(en) gaan

liggen en/of (vervolgens) die medewerk(st)er(s) heeft/hebben geboeid en/of

getracht heeft/hebben te boeien met tie-rips, en aldus een dreigende situatie

voor die medewerk(st)er(s) heeft/hebben gecreëerd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25

januari 2011 en/of in de weken voorafgaand aan bovenstaande overval in de

gemeente Tiel en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest

door in de hoedanigheid van stagiair van voormeld Bristolfiliaal bij zijn

collega’s en/of een of meer derde(n) te informeren naar camera’s en/of andere

beveiliging en/of of er veel geld in de kluis zat en/of aan voormelde

onbekend(e) perso(o)n(en) toegang heeft verschaft tot (het magazijn van)

voormeld Bristolfiliaal (door het rolluik van het magazijn te openen danwel

niet volledig te sluiten kort nadat hij zelf was binnengekomen);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 18 december 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: Bristol B.V.

De officier van justitie, mr. A. Fellinger, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 25 januari 2011 is een filiaal van de Bristol in Tiel overvallen door drie onbekende personen. Voordat de winkel wordt geopend voor het publiek gaan de overvallers het magazijn van de winkel binnen. Op dat moment zijn de medewerk(st)ers [medewerker1], [medewerker2], [medewerker3] en verdachte als stagiair aldaar aanwezig.

Een van de overvallers loopt op [medewerker2] af met een mes in zijn hand en zegt: “overval, geef me geld.” [medewerker2] geeft hem de sleutel van de kluis. Hierna moet [medewerker2] op de grond gaan liggen. Een van de andere overvallers loopt naar haar toe, houdt een mes in haar richting en zegt: “geef geld, geef geld.” Ze geeft hem hierop de sealbags met het geld van de afgelopen dagen en doet het in een zwarte rugzak.

Een van de overvallers roept tegen [medewerker1]: “op de grond liggen” en richt een mes op hem. [medewerker1] wordt door de overvaller in de buik getrapt. [medewerker1] gaat op de grond liggen.

Een van de overvallers heeft een schroevendraaier in zijn handen.

De overvallers roepen: “geld, waar is de kluis” en “dit is een overval, ga liggen! Blijf liggen of ik steek je neer!” .

[medewerker3] legt de kassalade op de grond en gaat daarna liggen. De overvallers halen de kassalade leeg.

De handen van [medewerker1], [medewerker3] en verdachte worden vastgebonden met tie-rps. De overvallers trachten ook [medewerker2] te boeien, maar dit lukt niet.

De politie heeft vastgesteld dat, indien het rolluik is afgesloten, dit niet van buitenaf kan worden geopend zonder breekwerk en tevens dat er geen sporen van verbreking van buitenaf zijn aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de overval. Op onderdelen van het verweer wordt, voor zover nodig, hieronder ingegaan.

Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het primaire feit, nu niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de plegers van de overval.

De beoordeling door de rechtbank

Inlichtingen

Getuige [medewerker2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte circa drie maanden stage liep bij de Bristol. Hij moest een opdracht maken over diefstalpreventie. Hoewel die opdracht al een tijdje klaar was, stelde hij vragen over tassencontrole bij collega’s. Twee weken voor de overval vroeg hij of er wel eens een overval was gepleegd. Hij stelde ook vragen over camera’s en andere beveiliging.

Getuige [medewerker2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte de maandag voor de overval aan zijn stagebegeleider [stagebegeleider] gevraagd had om een plattegrond van de winkel. [stagebegeleider] had hem die gegeven. [medewerker2] heeft aan verdachte het calamiteitenplan laten zien. Een collega van [medewerker2], [collega], had haar verteld dat verdachte een dag voor de overval had gevraagd of de mensen op het werkrooster ook daadwerkelijk aanwezig zouden zijn.

Getuige [getuige1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij vaak pauze had samen met verdachte. Hij vroeg of de winkel wel eens overvallen was. Verdachte heeft ook een keer aan haar vriend gevraagd hoeveel er in de kluis zat. Dat de (ex-)vriend van [getuige1], [ex-vriend getuige1], bij de rechter-commissaris heeft verklaard zich hier niets van te kunnen herinneren, maakt naar het oordeel van de rechtbank de door [getuige1] afgelegde verklaring nog niet onbetrouwbaar, nu zij geen reden heeft om te twijfelen aan deze verklaring. Dit klemt temeer nu [ex-vriend getuige1] tevens heeft verklaard dat verdachte bij hem thuis is geweest, tegen [ex-vriend getuige1] heeft gezegd dat hij moest getuigen en hem de getuigenverklaring van [getuige1] heeft laten zien (hetgeen door verdachte overigens is ontkend). Dat betekent dat de door [ex-vriend getuige1] afgelegde verklaring met de nodige behoedzaamheid moet worden bekeken.

Getuige [getuige2], opleidingscoördinator detailhandel op het ROC en docent van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat verdachte zes maanden op de opleiding zit. De opleiding duurt in totaal twee jaar en bestaat uit diverse onderdelen. Verdachte was vanaf 8 november 2010 bezig met de opdrachten in de stagemap Goederenstroom en moest deze opdrachten 25 januari 2011 inleveren. Er zit een opdracht in de stagemap over ‘ken uw werkplek’. De opdrachten hebben niet te maken met een overvalprocedure. Er is wel een opdracht genaamd RAAK, die gaat over rustig blijven tijdens een overval, maar deze opdracht is pas aan het eind van de opleiding relevant. Die theorie zou verdachte pas over een jaar krijgen. Het verweer van de verdediging dat verdachte uit leergierigheid heeft gevraagd naar de beveiliging in de Bristol en dergelijke vragen vanuit school ook van hem worden verwacht, volgt de rechtbank dan ook niet.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de weken voorafgaand aan de overval bij zijn collega’s en een derde heeft geïnformeerd naar camera’s en andere beveiliging en de hoeveelheid geld in de kluis, terwijl dit in het kader van zijn opleiding op dat moment niet relevant was.

In de buurt

Getuige [getuige3] heeft bij de politie verklaard dat hij op 25 januari 2011 om circa 9.15 uur over de Tolhuiswal in Tiel liep. Ter hoogte van de tandartsenpraktijk zag hij in het steegje beneden vier jongens staan. Hij dacht dat ze elkaar kenden; het was geen toevallige ontmoeting. Eén van hen liep telkens de trap op en af. [getuige3] sprak de jongen aan. De jongen zei dat ze daar stiekem stonden te roken en dat zijn vader dat niet mocht zien. [getuige3] omschrijft de jongen als circa (X) jaar, circa (X) m., (X) haar, bruine muts met spierwitte bontrand en flappen over de oren.

Getuige [getuige4], wonende aan de [adres], heeft verklaard dat hij om circa 9.00 uur vier personen rond zijn woning had zien staan. Hij zag dat deze personen kennelijk bij elkaar hoorden en dat ze met elkaar spraken. Hij zag dat op een gegeven ogenblik een van de vier personen wegliep in de richting van de Molenhoek, een straat die uitkomt op de Weerstraat, alwaar de achterzijde van de Bristol gevestigd is. Niet veel later zag hij dat de overgebleven drie personen dezelfde richting uit liepen.

Verbalisanten hebben de camerabeelden bekeken van de gokhal Big Apple aan de Weerstraat 40 in Tiel, waarop rechtsboven in beeld de goedereningang van de Bristol te zien is en hebben het volgende waargenomen:

- 9.19.00 uur: er loopt een persoon over de Tolhuisstraat komend uit de richting van de Molenhoek.

- 9.20.59 uur: deze persoon gaat de goedereningang binnen.

- 9.21.00 uur: drie personen in beeld, komend vanaf de Tolhuisstraat.

- 9.21.40 uur: deze personen lopen naar de goedereningang en blijven daar staan wachten.

- 09.23.39 uur: de drie personen lopen achter elkaar de goedereningang in. Te zien is dat zij zelf geen rolluik optillen.

Ter terechtzitting zijn deze beelden bekeken. De rechtbank stelt vast dat de weergave door verbalisanten van deze beelden correct is.

Getuige [medewerker1] heeft verklaard dat verdachte een muts op had toen hij binnenkwam. Dit was de muts die in zijn kluisje zat en door de politie is meegenomen. De door de politie in beslag genomen muts is door de officier van justitie getoond ter zitting van 18 december 2012. De rechtbank heeft waargenomen dat dit een (gebroken) witte muts betreft met een bruine bontrand, een donkerbruine binnenvoering en flappen voor over de oren en dat de muts binnenstebuiten kan worden gekeerd.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij een muts met flappen op had. Als een getuige zegt dat hij vier jongens heeft gezien in een steeg, waarbij één van hen zo’n muts op had, dan kan dat kloppen. Dat was het moment dat hij met die jongens in de steeg was.

Dat verdachte niet de persoon was die [getuige3] heeft aangesproken, nu de kleur van de in beslag genomen muts niet overeenkomt met de muts die door [getuige3] in zijn verklaring is omschreven, wordt door de rechtbank verworpen, nu er tal van redenen kunnen zijn waardoor de waarneming van een getuige vertekend kan zijn en de verklaring van [getuige3] op de overige punten wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige2], de door de verbalisanten uitgekeken camerabeelden, alsmede de verklaring van verdachte zelf.

Het rolluik

Getuige [medewerker1] heeft bij de politie verklaard dat hij in het magazijn van de Bristol stond toen hij hoorde dat de bel van het rolluik ging. Hij opende het rolluik en zag dat verdachte voor het rolluik stond. Hij liet vervolgens verdachte binnen en sloot het rolluik af. Dat weet hij heel zeker. Hij liep vervolgens het magazijn uit en naar de kantine. Hij zag dat verdachte niet meeliep en in het magazijn bleef. Hij liep voor de tweede keer terug naar het magazijn. Toen hij hierna weer terugliep naar de kantine bleef verdachte weer achter in het magazijn. Even later liep hij weer terug naar het magazijn. Toen hij in de deuropening van het magazijn en de winkel stond zag hij rechts van hem een onbekende jongen staan.

Getuige [medewerker1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het rolluik op slot zat toen hij het opendeed. Verdachte kwam naar binnen en [medewerker1] deed het rolluik gelijk weer dicht door de hendel in het gat te stoppen. Verdachte wilde gaan zitten, maar [medewerker1] zei hem dat het 9.30 uur was en dat hij moest beginnen. [medewerker1] liep naar achteren richting de kantine. [medewerker2] vroeg nog waar verdachte bleef. [medewerker1], [medewerker2] en [medewerker3] zijn vervolgens samen naar het magazijn gelopen om te kijken waar verdachte bleef. Toen zag hij drie andere jongens.

De later door [medewerker1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, dat hij niet meer zeker weet of hij het rolluik daadwerkelijk afgesloten heeft, betekent niet, zoals de raadsman heeft bepleit, dat de rechtbank niet kan uitgaan van zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring zeker te weten dat hij het rolluik heeft afgesloten nadat hij verdachte had binnengelaten. Bij de rechter-commissaris heeft hij immers in dit verband gezegd: "Toen wist ik het zeker, maar nu niet meer. Ik herinner mij dat moment. Ik kwam binnen, trok het rolluik naar beneden en deed het dicht. Iedere keer als ik het rolluik dichtdeed, controleerde ik extra of het dicht was.", De rechtbank hecht meer waarde aan de door [medewerker1] vrijwel direct na de overval afgelegde en niets aan duidelijkheid te wensen overlatende verklaring, dan aan zijn verklaring bij de rechter-commissaris anderhalf jaar later.

Getuige [medewerker2] heeft bij de politie verklaard dat ze zag dat [medewerker1] rond 9.15 uur binnenkwam via de achterzijde van het pand. Ze hebben toen met z’n allen een sigaretje gerookt. De achterdeur was toen dicht en op slot. [medewerker2] is toen samen met [medewerker3] kassalades gaan tellen in het kantoortje. Ze zag dat [medewerker1] naar het kantoortje kwam lopen en zei dat verdachte ook binnen was. Ze heeft toen tegen [medewerker1] gezegd dat hij tegen verdachte moest zeggen dat hij naar voren moest komen. Ze zag dat [medewerker1] terug wilde lopen naar het magazijn en ze hoorde dat hij zei: “er is een jongen bij.”

Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat:

- getuige [medewerker1], nadat hij verdachte had binnengelaten, het rolluik van de goedereningang van de Bristol heeft afgesloten;

- verdachte vervolgens alleen is achtergebleven in het magazijn; en

- enkele minuten later drie onbekend gebleven personen zich in het magazijn bevonden en de Bristol hebben overvallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in een tijdsbestek van enkele dagen drie verschillende verklaringen heeft afgelegd over het, in dit verband, cruciale punt wie het rolluik van de goedereningang heeft afgesloten nadat hij was binnengekomen.

In zijn eerste verklaring op 25 januari 2011 om 9.45 uur (een half uur na de overval) heeft verdachte verklaard: "[[medewerker1]] liet mij binnen. Ik ben naar binnen gegaan. [medewerker1] liep weer verder naar binnen. Ik deed de roldeur weer dicht althans dat wilde ik doen. Echter toen de roldeur halverwege was,voelde ik dat de roldeur aan de buitenkant werd tegengehouden en omhoog werd geduwd", waarna de man met de groene shawl naar binnen stapte. … [medewerker1] heeft dit niet gezien.

Tijdens het verhoor op 27 januari 2011 (inmiddels was verdachte aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de overval) heeft hij aanvankelijk verklaard: "Ik ben toen op een stoel gaan zitten bij de rokersruimte. Ik heb toen mijn drinken opgedronken. … Ik zag dat [medewerker1] bezig was om het luik dicht te doen. Halverwege dat het luik dicht was, werd het luik door iemand die buiten stond opgetild en naar boven geduwd." Later, in hetzelfde verhoor heeft hij verklaard: "toen het luik werd opgetild was [medewerker1] niet in die ruimte aanwezig. Hij heeft het niet zien gebeuren."

Ten aanzien van de eerste verklaring vlak na de overval, heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij de hiervoor geciteerde woorden niet heeft gebezigd en heeft er in dat verband op gewezen dat het uitgewerkte proces-verbaal niet door hem is ondertekend. Op de plaats voor de handtekening staat "i.c.". De rechtbank merkt op dat verbalisanten onmiddellijk na de overval de betrokkenen hebben gehoord en daarvan aantekeningen hebben gemaakt en deze later hebben verwerkt in een proces-verbaal met de opmerking "i.c." daarmee aangevend dat de verklaring in concept is ondertekend. De verdediging heeft voorafgaande aan de zitting bij brief van 7 augustus 2012 de officier van justitie verzocht haar de conceptverklaringen van deze betrokkenen toe te zenden, waaraan de officier van justitie heeft voldaan. Deze - handgeschreven- conceptverklaringen bevinden zich derhalve in het dossier. De rechtbank stelt vast dat de op 25 januari 2011 afgelegde verklaring van verdachte in de aantekeningen van verbalisant goeddeels overeenstemt met de weergave daarvan in het proces-verbaal. De concept verklaring bevat een handtekening die zeer veel gelijkenis vertoont met de handtekening van verdachte onder de overige processen-verbaal op p. 308 en 312. De rechtbank passeert daarom de tegenwerping van verdachte dat het proces-verbaal van 25 januari 2011 onjuist is.

Verdachte heeft desgevraagd niet kunnen uitleggen waarom hij telkens wisselende verklaringen heeft afgelegd over de, op zichzelf toch niet bijster gecompliceerde vraag wie het rolluik heeft dichtgemaakt. Verdachte heeft ter zitting niet méér willen of kunnen verklaren dan dat hij het zich allemaal niet meer kan herinneren.

De rechtbank leidt uit de hiervoor genoemde verklaringen af dat het verdachte is geweest die de roldeur heeft geopend en de drie overvallers heeft binnen gelaten.

Op grond van vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – stelt de rechtbank vast dat:

- verdachte kort voorafgaand aan de overval op de Tolhuiswal in Tiel contact heeft gehad met drie andere personen;

- verdachte vanuit de Tolhuiswal, via de Molenhoek, naar de Weerstraat is gelopen, alwaar de achterzijde van de Bristol zich bevindt, en via de goedereningang het magazijn is binnengegaan;

- verdachte, na door [medewerker1] te zijn binnengelaten, enige tijd alleen in het magazijn is achtergebleven;

- vrijwel meteen daarna drie andere personen dezelfde richting op zijn gelopen en circa 1½ minuut na verdachte eveneens via de goedereningang de Bristol zijn binnengegaan

- het rolluik is niet - van buitenaf - geforceerd.

Tussenconclusie

Op basis van al deze vaststellingen, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte betrokken is geweest bij de overval op de Bristol op 25 januari 2011 door als stagiair bij zijn collega's te informeren naar camera’s en andere beveiliging en of er veel geld in de kluis zat en aan de overvallers de toegang te verschaffen tot het magazijn van de Bristol door het rolluik van het magazijn te openen. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte de aldus verkregen informatie ook heeft doorgespeeld aan de andere overvallers. Hij is immers tot het einde doorgegaan met het meewerken aan de overval en heeft zich daarvan, ook op het laatste moment, niet gedistantieerd.

Medeplegen of medeplichtigheid

De rechtbank overweegt dat voor medeplegen noodzakelijk is dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de mededader(s). De rechtbank is van oordeel dat de hierboven vastgestelde feiten onvoldoende zijn om daarop de vereiste bewuste en nauwe samenwerking op het medeplegen van de overval te kunnen baseren. Uit de bewijsmiddelen kan niet méér worden afgeleid dan dat de rol van verdachte faciliterend/ondersteunend was, hetgeen juridisch betekent dat hij medeplichtige was.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste ge¬legd en zal verdachte daarvan vrijspreken. Wel acht de rechtbank – gelet op vorenstaande – de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de overval wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

meer tot nu toe onbekend(e) personen op of 25 januari

2011 in de gemeente Tiel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

hebben weggenomen een hoeveelheid geld (uit een kassalade

toebehorende aan Bristol, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld

en bedreiging met geweld tegen meer medewerk(st)er(s) van voormelde

Bristolvestiging, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat voormelde onbekend(e) person(en) (het magazijn van) voormeld Bristolfiliaal (voordat

dit zou worden geopend voor publiek) zijn binnengegaan en meer

aldaar aanwezige medewerk(st)er(s) hebben bedreigd met een mes en/of een

schroevendraaier, en daarbij zei(den): "geld, waar is de kluis" en "overval, geef me geld" en "dit is een overval, ga liggen, blijf liggen of ik steek je neer", althans woorden van

gelijke aard of strekking, en een aldaar aanwezige

medewerk(st)er hebben geschopt/getrapt en/of tegen die

medewerk(st)er hebben gezegd dat zij op de grond moest(en) gaan

liggen en (vervolgens) die medewerk(st)ers hebben geboeid of

getracht hebben te boeien met tie-rips, en aldus een dreigende situatie

voor die medewerk(st)ers heeft

tot en/ bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25

januari 2011 en in de weken voorafgaand aan bovenstaande overval in de

gemeente Tiel opzettelijk gelegenheid, en/of inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door in zijn hoedanigheid van stagiair van voormeld Bristolfiliaal bij zijn

collega's en een derde te informeren naar camera's en andere

beveiliging en of er veel geld in de kluis zat en aan voormelde

onbekend(e) person(en) toegang heeft verschaft tot (het magazijn van)

voormeld Bristolfiliaal (door het rolluik van het magazijn te openen

EN

een of meer tot nu toe onbekend person(en) op 25 januari

2011 in de gemeente Tiel, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld medewerk(st)er(s) van een Bristolvestiging heeft gedwongen

tot de afgifte van een kassalade en sealbag(s) en een sleutel van een kluis toebehorende aan Bristol, elk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die personen (het magazijn van) voormeld Bristolfiliaal (voordat dit zou worden geopend voor publiek) zijn binnengegaan en meer aldaar aanwezige medewerk(st)ers hebben bedreigd met een mes en/of een

schroevendraaier, en daarbij zeiden: "geld, waar is de kluis" en "overval, geef me geld" en "dit is

een overval, ga liggen, blijf liggen of ik steek je neer", en een aldaar aanwezige

medewerker hebben geschopt/getrapt en tegen die medewerk(st)ers hebben gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en (vervolgens) die medewerk(st)ers hebben geboeid of

getracht hebben te boeien met tie-rips, en aldus een dreigende situatie

voor die medewerk(st)ers hebben gecreëerd,tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 25 januari 2011 en in de weken voorafgaand aan bovenstaande overval in de

gemeente Tiel opzettelijk gelegenheid, en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door in zijn hoedanigheid van stagiair van voormeld Bristolfiliaal bij zijn collega's en/of een of meer derde(n) te informeren naar camera's en andere beveiliging en of er veel geld in de kluis zat en aan voormelde onbekende personen toegang heeft verschaft tot (het magazijn van) voormeld Bristolfiliaal (door het rolluik van het magazijn te openen);

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

medeplichtigheid aan diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport d.d. 17 december 2012.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft - subsidiair - bepleit een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel aan te vullen met een voorwaardelijk strafdeel cq. een werkstraf, gelet op het feit dat verdachte het voorarrest als zwaar heeft ervaren, de overval een diepe indruk heeft achtergelaten, met symptomen van een PTSS als gevolg, verdachte first offender is, nog jong is en zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis per 26 april 2011 stipt gehouden heeft aan de schorsingsvoorwaarden. Verdachte heeft zijn leven weer op de rails, volgt een opleiding en werkt aan zijn toekomst.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 17 april 2012

• een Reclasseringsadvies, d.d. 23 maart 2011, betreffende verdachte; en

• een Reclasseringsrapport (beknopt), d.d. 17 december 2012, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Drie onbekend gebleven personen hebben op 25 januari 2011 een overval gepleegd op de Bristol in Tiel. Bij deze overval hebben zij de op dat moment in de winkel aanwezige werknemers bedreigd met een mes en een schroevendraaier, hen gedwongen te gaan liggen, hun handen vastgebonden met tie-rips en een werknemer in de buik geschopt. In het algemeen geldt dat slachtoffers van een dergelijke overval nog lange tijd last hebben van de psychische gevolgen daarvan. Verdachte kan weliswaar niet worden beschouwd als medepleger van de overval, maar heeft de overvallers wel willens en wetens in de weken voorafgaand aan de overval inlichtingen verschaft omtrent de beveiliging van de Bristol en de hoeveelheid geld in de kluis en heeft de overvallers de toegang verschaft tot het magazijn van de Bristol. De rechtbank rekent verdachte deze betrokkenheid bij het misdrijf zeer aan.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld,hij pas 21 jaar oud is en hij volgens de Reclassering zijn leven aardig op orde heeft. Hij volgt een opleiding en heeft geen schulden.

Gelet op vorenstaande en het feit dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet medeplegen, maar medeplichtigheid bewezen acht, zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest, eventueel aan te vullen met een werkstraf – zoals door de verdediging bepleit - doet volgens de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit.

Gelet op het feit dat verdachte volgens de Reclassering niet open staat voor gedragsverandering en verdachte ter terechtzitting ook niet erg bereidwillig leek om aan enige vorm van begeleiding of behandeling mee te werken, ziet de rechtbank geen reden om bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven muts toebehoort aan de verdachte en aan verdachte zal moeten worden teruggegeven.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Bristol B.V. heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.200,- ter zake gemaakte kosten voor de verzorging van ambulante psychotraumatische hulp aan mevr. (benadeelde partij), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het daarbij behorende aantal dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij een brief overgelegd van D.O.e.N B.V., betreffende een traumabehandeling van mw. [benadeelde partij], een werkneemster die een gewapende overval heeft meegemaakt. De rechtbank constateert echter dat deze mw. [benadeelde partij] in het dossier niet wordt genoemd als slachtoffer van of betrokkene bij de overval op 25 januari 2011 op de Bristol in Tiel. Het is de rechtbank volstrekt onduidelijk wie mw [benadeelde partij] is en op welke wijze zij geraakt zou kunnen zijn door de overval. Er is geen nadere onderbouwing waarom juist zij en niet de andere slachtoffers van de overval een behandeling nodig heeft voor de gevolgen van de traumatische ervaringen als gevolg van de overval.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat een nader onderzoek van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 48, 55, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Straf¬recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien)maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 9 (maanden) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de teruggave van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven muts aan de veroordeelde.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Bristol B.V.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. R.M. Maanicus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2012.