Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY7016

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
847337 AZ VERZ 12-7116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Arbeidsongeval. De kantonrechter is van oordeel dat, nu vaststaat dat de werknemer een arbeidsongeval is overkomen, de werkgever dient te bewijzen dat voldoende voorzieningen zijn getroffen in het kader van het opgedragen werken op hoogte. Daarbij kunnen onder andere de toedracht van het ongeval en de (deugdelijkheid van de) aan de werknemer ter beschikking gestelde trap van belang zijn. Daarbij is mogelijk het horen van getuigen en/of het inwinnen van een deskundigenbericht nodig. Daarvoor leent deze procedure zich niet. Het verzoek wordt afgewezen. Kosten worden begroot, waarbij wordt opgemerkt dat daarmee geen oordeel over de verschuldigdheid van die kosten is gegeven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/40

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 847337 \ AZ VERZ 12-7116 \ 199 \ 392

uitspraak van 14 december 2012

beschikking

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. R.J.J.M. Witlox

en

de besloten vennootschap B.A.S. Groep B.V.

gevestigd te Veghel

verwerende partij

gemachtigden mrs. J.M.H.W. Bindels en N.M. Brouwer

Partijen worden hierna [werknemer] en B.A.S. Groep genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- de brief met bijlagen van mr. Witlox van 27 november 2012

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 30 november 2012, waaraan gehecht de door mr. Witlox ter zitting overgelegde staat van kosten met bijlagen

- de pleitnotities van mr. Witlox

- de pleitnotities van mr. Bindels.

2. De feiten

2.1. B.A.S. Groep is een dealer in Volvo vrachtwagens. Zij verkoopt deze vrachtwagens en verricht tevens onderhoud en reparaties daaraan. Voorts verzorgt zij de ombouw van vrachtwagens.

2.2. [werknemer] is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst per 1 juni 2001 als monteur in dienst getreden van B.A.S. Groep. [werknemer] verrichtte zijn werkzaamheden gewoonlijk op de vestiging van B.A.S. Groep in Wijchen.

2.3. Op 25 augustus 2011 verrichtte [werknemer] werkzaamheden aan vrachtwagens bestemd voor een bedrijf in Zuid-Afrika. Het ging om zogenoemde ‘kippers’, die in Afrika in de mijnen worden ingezet, Het chassis van dit type vrachtwagen is hoger dan gebruikelijk, 1,30 meter in plaats van 1,02 meter. Door B.A.S. Groep is aan [werknemer] een trap ter beschikking gesteld om op het chassis van de vrachtwagens te klimmen. [werknemer] heeft de trap met nummer 38CA6007 gebruikt.

2.4. [werknemer] is op 25 augustus 2011 van één van voornoemde vrachtwagens gevallen. Hij is naar het ziekenhuis gebracht en heeft daar veertien dagen gelegen. [werknemer] heeft, met name, letsel opgelopen aan zijn linkerschouder. Hij is daaraan meerdere malen geopereerd. Daarbij is onder meer de linkerarm van [werknemer] vier centimeter ingekort. [werknemer] is linkshandig.

2.5. [werknemer] werkt thans, in het kader van revalidatie, in het magazijn van de vestiging Wijchen van B.A.S. Groep. Het loon van [werknemer] wordt volledig doorbetaald.

2.6. B.A.S. Groep heeft een Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven (hierna: ‘AVB’) bij Bovemij. Bovemij heeft, nadat zij was aangeschreven door mr. Witlox, aansprakelijkheid afgewezen.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat B.A.S. Groep aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval, met veroordeling van B.A.S. Groep in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten en voorts B.A.S. Groep te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een voorschot onder algemene titel van € 10.000,00, althans een door de kantonrechter vast te stellen bedrag.

3.2. [werknemer] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat B.A.S. Groep op grond van artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) aansprakelijk is jegens hem nu sprake is van een arbeidsongeval als bedoeld in dat artikel.

3.3. B.A.S. Groep voert gemotiveerd verweer waarop hierna, waar nodig, wordt ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het onderhavige verzoek is gegrond op artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv.’). Dat artikel biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen terzake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstand¬ko¬ming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak.

4.2. Ingevolge artikel 1019z Rv. dient een verzoek als het onderhavige te worden afgewezen indien de verzochte beslissing onvol¬doende kan bijdragen aan bedoelde totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. B.A.S. Groep voert aan dat tussen partijen geen onderhandelingen zijn gevoerd. De aansprakelijkheid is afgewezen en daarbij is het gebleven. Over de schade(-omvang) is nog niets bekend.

4.3. De kantonrechter oordeelt op dit punt als volgt. Het doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van aansprakelijkheidskwesties inzake letsel- en overlijdensschade. Uitgangspunt is dat de betrokken partijen in onderhandeling moeten zijn. De deelgeschilprocedure is bedoeld om het onderhandelingsproces te versnellen, althans een daarin ontstane impasse te doorbreken. De kantonrechter is van oordeel dat de deelgeschilprocedure niet bedoeld is om de aansprakelijk gestelde partij te dwingen in onderhandeling te treden.

4.4. De kantonrechter is echter tevens van oordeel dat wederpartijen niet moeten kunnen volstaan met stilzwijgen danwel het betwisten van aansprakelijkheid en het afhouden van onderhandelingen, (mede) om het voeren van een deelgeschilprocedure onmogelijk te maken. De omstandigheid dat - zoals onweersproken in het onderhavige geval aan de orde - geen noemenswaardige onderhandelingen zijn gevoerd, staat (daarom) naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer in de weg aan toegang tot een deelgeschilprocedure.

4.5. Naar het oordeel van de kantonrechter is het aan verzoeker om te stellen en te onderbouwen dat beslissing op het voorgelegde verzoek voldoet aan de in artikel 1019z Rv. neergelegde maatstaf. [werknemer] heeft dat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gedaan door te stellen dat indien wordt geoordeeld dat B.A.S. Groep jegens [werknemer] aansprakelijk is een aanvang kan worden gemaakt met de schaderegeling. Dat is onweersproken en, mede daarom, is aannemelijk dat B.A.S. Groep – al dan niet in verband met de daarmee gemoeide kosten – eerst bereid is over te gaan tot vaststelling van de omvang van de schade na vaststelling van de betwiste aansprakelijkheid.

4.6. De tussen partijen in geschil zijnde aansprakelijkheidsvraag is aan te merken als een geschil als bedoeld in artikel 1019w Rv. en kan derhalve in de onderhavige procedure aan de orde worden gesteld. In zoverre leent het door [werknemer] voorgelegde geschil zich in beginsel voor behandeling in deze procedure. B.A.S. Groep heeft echter aangevoerd dat deze procedure zich niet leent voor de beoordeling van de vraag of B.A.S. Groep al dan niet jegens [werknemer] aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW omdat nadere bewijslevering nodig is.

4.7. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt. Hoewel de toedracht van het ongeval niet vaststaat, staat tussen partijen vast dat [werknemer] een arbeidsongeval is overkomen en hij (dus) schade heeft opgelopen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in voornoemd wetsartikel. Daarmee is de aansprakelijkheid van B.A.S. Groep in beginsel gegeven. B.A.S. Groep heeft echter betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en voorts dat nadere maatregelen het ongeval niet zouden hebben voorkomen, zodat causaal verband tussen de gestelde zorgplichtschending en het ongeval ontbreekt.

4.8. De kantonrechter oordeelt als volgt. Het bewijs van het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van B.A.S. Groep ligt aan haar zijde. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op het subsidiaire verweer, als eerste vraag voorligt of B.A.S. Groep voldoende voorzieningen heeft getroffen in het kader van het aan [werknemer] opgedragen werken op hoogte. Daarbij kunnen onder andere de toedracht van het ongeval en de (deugdelijkheid van de) aan [werknemer] ter beschikking gestelde trap van belang zijn. In het kader van bedoelde bewijslevering door B.A.S. Groep is mogelijk het horen van getuigen en/of het inwinnen van een deskundigenbericht nodig. Onvoldoende aannemelijk is derhalve dat met betrekking tot de aansprakelijkheidsvraag zonder of na niet al te complexe bewijslevering tot een eindbeslissing kan worden gekomen. Uitgebreide(-re) bewijslevering gaat het bestek van deze procedure te buiten. Dat leidt tot het oordeel dat het verzoek zich niet leent voor beoordeling in deze procedure. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Kosten deelgeschilprocedure

4.9. [werknemer] heeft verzocht de kosten voor deze procedure te begroten ex artikel 1019aa Rv. Ondanks de afwijzing van het verzoek dient in beginsel op grond van voornoemd artikel begroting plaats te vinden van de kosten van de behandeling van het verzoek. Daarbij dient de rechter de in artikel 6:96 BW besloten liggende dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.10. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (Kamerstukken II 2007/2008 31518, nummer 3, pagina 12). Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan geen sprake, zodat de kosten kunnen worden begroot.

4.11. [werknemer] heeft de kosten, op grond van de door mr. Witlox overgelegde staat van kosten, gesteld op € 4.431,99. Het gehanteerde uurtarief van € 300,00 exclusief 6% kantoorkosten en btw komt de kantonrechter niet bovenmatig voor en uit de overgelegde specificaties bij aan [werknemer] verzonden facturen volgt dat mr. Witlox zijn werkzaamheden voor het merendeel ook tegen dat uurtarief bij [werknemer] in rekening heeft gebracht.

4.12. Een totaal van drie uur voor het opstellen van het verzoek en bestuderen van het verweer is naar het oordeel van de kantonrechter niet onredelijk. Datzelfde geldt voor de twee uur die zijn besteed aan de zitting (inclusief voor- en nabespreking). Voor het voorbereiden van de zitting is twee uur verzocht, maar één uur naar het oordeel van de kantonrechter redelijk. Dat de door mr. Witlox gevoerde correspondentie op de behandeling van dit verzoek ziet, is door B.A.S. Groep betwist en mede daarom onvoldoende onderbouwd.

4.13. Voor de reistijd is naar het oordeel van de kantonrechter de verzochte anderhalf uur redelijk. Voorts zijn de verzochte reiskosten ad € 121,00 inclusief btw en de parkeerkosten ad € 3,10 niet bovenmatig. Het griffierecht bedroeg € 73,00.

4.14. Op grond van het vorenstaande worden de kosten in totaal begroot op € 3.082,95 ([€ 300,00 + 6% + 21% x 7,5] + € 121,00 + € 3,10 + € 73,00).

4.15. Omdat de aansprakelijkheid van B.A.S. Groep niet vaststaat, wordt zij niet veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Opgemerkt wordt voorts dat met het bovenstaande geen beslissing of oordeel wordt gegeven op of over de vraag wie deze kosten dient te dragen nu het verzoek op inhoudelijke gronden wordt afgewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. begroot de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [werknemer] op € 3.082,95.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2012.