Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY6615

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
05/701370-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak (voormalig) rechter voor valsheid in geschrifte. Nu verdachte ervan overtuigd was dat het juist was, wat hij in de beschikking zette, geen opzet op valsheid in geschrifte. Ook geen voorwaardelijk opzet, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van een aanmerkelijke kans op het onjuist zijn van het op schrift gestelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/701370-12

Datum zitting : 05 december 2012

Datum uitspraak : 19 december 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1948 te Amsterdam

adres : [adres]

plaats : [postcode] [woonplaats]

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 5 november 2010 tot en met 10 december 2010

in de gemeente 's-Gravenhage, althans in Nederland, een verstaansbeschikking, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid

in voornoemde verstaansbeschikking (laten) vermeld(en): "Abusievelijk staat niet op pagina 5 van dit proces-verbaal vermeld "De

rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede

lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch

voor niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de

rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt." De voorzitter, gelet op hetgeen wat ter terechtzitting door de rechtbank is

uitgesproken, verstaat dat op pagina 5 dient te worden ingelezen "De

rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282,

tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een

maand, doch voor niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat de

agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt." Het bovengenoemde dient alsnog in voormeld proces-verbaal als opgenomen te

worden beschouwd." , zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 05 december 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen: [benadeelde partij]. Hij wordt bijgestaan door mr. H. Weisfelt, advocaat te ’s-Gravenhage.

De officier van justitie, mr. J. Grijns, heeft gerekwireerd tot vrijspraak.

Verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht net als de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Vastgesteld kan worden dat op 5 november 2010 een strafzitting heeft plaatsgevonden tegen [benadeelde partij] in de rechtbank ‘s-Gravenhage. Verdachte ([verdachte]) was bij die zitting één van de rechters, tevens voorzitter.

Voorts kan worden vastgesteld dat de rechtbank tijdens die zitting gewraakt werd en dat er vervolgens een proces-verbaal is opgemaakt waarin – onder meer – werd vermeld dat de rechtbank het onderzoek schorst voor onbepaalde tijd.

In dat proces verbaal werd niet vermeld dat het onderzoek zou worden geschorst voor een periode langer dan een maand, doch niet langer dan drie maanden. Eveneens werd de klemmende reden om het onderzoek te schorsen voor een periode langer dan een maand niet vermeld.

Nadat tijdens de wrakingzitting op 10 december 2012 een opmerking hierover was gemaakt, is dezelfde dag door een griffier in opdracht van verdachte een zogeheten verstaansbeschikking opgemaakt, die door verdachte is vastgesteld en getekend en waarin – onder meer – stond vermeld:

"Abusievelijk staat niet op pagina 5 van dit proces-verbaal vermeld "De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch voor niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt." De voorzitter, gelet op hetgeen wat ter terechtzitting door de rechtbank is uitgesproken, verstaat dat op pagina 5 dient te worden ingelezen "De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch voor niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt."

Het bovengenoemde dient alsnog in voormeld proces-verbaal als opgenomen te

worden beschouwd." .

Verdachte heeft alvorens deze verstaansbeschikking op te maken geen contact gehad met de griffier van de zitting van 5 november 2010, noch heeft hij de aantekeningen van de betreffende griffier geraadpleegd.

De vraag die beantwoord moet worden is of verdachte, door deze verstaansbeschikking op te maken valsheid in geschrifte heeft gepleegd?

Om tot een bewezenverklaring te komen van ‘valsheid in geschrifte’ zal wettig en overtuigend bewezen moeten worden dat:

1. ter zitting van 5 november 2010 niet is gezegd dat de zaak werd aangehouden voor een termijn langer dan één maand, korter dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt;

2. verdachte heeft laten opnemen in de verstaansbeschikking dat wel is gezegd dat de zaak werd aangehouden voor een termijn langer dan één maand, korter dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt; en

3. dat verdachte wist dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit onjuist was.

Ad 1.

Getuige [getuige 1] (griffier op de zitting van 5 november 2010), [getuige 2] (officier van justitie op de zitting van 5 november 2010), [getuige 3] (publiek tijdens zitting van 5 november 2010) en [getuige 4] (raadsman van verdachte [benadeelde partij] tijdens zitting van 5 november 2010) hebben allen verklaard dat op de zitting van 5 november 2010 niet is gezegd dat de zaak werd aangehouden voor een termijn langer dan één maand, maar korter dan drie maanden.

Daarmee staat vast dat op de zitting van 5 november 2010 niet is gezegd dat de zaak werd aangehouden voor een termijn langer dan één maand, maar korter dan drie maanden.

Ad 2.

Verdachte heeft verklaard dat hij in een verstaansbeschikking heeft laten opnemen dat de zaak [benadeelde partij] werd aangehouden voor een termijn langer dan één maand, korter dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt, en dat dit ook is gezegd op de zitting van 5 november 2010.

Gelet hierop, en mede ook gelet op de verklaring van [getuige 5] (de griffier die heeft verklaard dat zij de verstaansbeschikking in opdracht van verdachte heeft opgemaakt), is de rechtbank van oordeel dat ook kan worden vastgesteld dat verdachte heeft laten opnemen in de verstaansbeschikking dat wel is gezegd dat de zaak werd aangehouden voor een termijn langer dan één maand, korter dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt, terwijl zulks feitelijk niet het geval was.

Ad 3.

De vraag is dan nog of verdachte opzettelijk dan wel met voorwaardelijk opzet deze beschikking valselijk heeft opgemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij ervan was en nog steeds van is overtuigd dat hij de zinsnede die hij heeft laten opnemen in de verstaansbeschikking, ook daadwerkelijk ter zitting van 5 november 2010 gezegd heeft.

Getuige [getuige 6], collega rechter in de zaak, heeft verklaard dat verdachte, na de wrakingszitting van 10 november 2010, maar voor het opmaken van de verstaansbeschikking, heel stellig vertelde dat die schorsingsformule (dat voor langer dan een maand werd aangehouden maar korter dan drie maanden vanwege klemmende redenen) wel was gezegd.

Getuige [getuige 7], eveneens collega rechter in de zaak, heeft op de vraag van verbalisanten hoe de overtuiging van verdachte was ten aanzien van de schorsingsformule, geantwoord: ‘Bij mij is de indruk blijven hangen dat hij niet twijfelde of het gezegd was of niet. Volgens mij gingen wij er met z’n allen vanuit dat het gezegd was.’

Enig bewijs dat verdachte op het moment dat hij de verstaansbeschikking op liet maken, wist dat het niet juist was wat hij in die verstaansbeschikking liet opnemen, ontbreekt.

Dat verdachte (nu) geen concrete herinnering (meer) heeft aan het uitspreken van de bedoelde zinsnede ter zitting van 5 november 2010, maakt dit oordeel niet anders.

Hiervan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen (kleurloos) opzet heeft gehad op het opmaken van een valse beschikking.

Dan resteert de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval een onjuiste beschikking, is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een onjuiste beschikking liet opmaken. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft bloot gesteld aan die kans is vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat de inhoud van die beschikking niet juist was en dat hij die kans bewust heeft aanvaard.

Volgens de hiervoor genoemde verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] was verdachte ervan overtuigd dat hij op de zitting van 5 november 2011 de betreffende zinsnede had uitgesproken.

Ondanks die verklaringen zou mogelijk uit andere gedragingen van verdachte afgeleid kunnen worden dat hij wel wetenschap had van die aanmerkelijke kans.

Vast staat dat verdachte, nadat hij had gehoord dat het eerdere proces-verbaal een omissie zou bevatten, nog dezelfde dag een beschikking heeft laten maken waarin die fout is hersteld. Volgens de griffier die de beschikking heeft gemaakt, was er haast bij. Opvallend hierbij is dat verdachte niet eerst de griffier van de zitting van 5 november 2010 en/of diens aantekeningen heeft geraadpleegd. Naar het oordeel van de rechtbank betekenen deze gedragingen echter nog niet dat verdachte daarmee wetenschap had van de kans dat de beschikking niet juist zou zijn. Dit handelen kan immers ook uitgelegd worden als het willen herstellen van een omissie in een proces-verbaal van hetgeen wel op de desbetreffende zitting heeft plaats gevonden. Het handelen van verdachte moge in dat opzicht misschien ongebruikelijk en onzorgvuldig zijn geweest, voor de vaststelling dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de herstel beschikking niet juist was is dit onvoldoende. Voorwaardelijk opzet is dus niet komen vast te staan.

Dat alles betekent dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

4. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van

€ 10.054,40.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering, nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

5. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. H.P.M. Kester-Bik (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. M. van der Linde, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken en mr. M.M. Klaasen, griffiers.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2012.