Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY6437

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
11/5110
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Aanvraag ingediend ná 1 januari 2010.

Uit artikel 3:6, eerste lid, van de Wet Wajong volgt dat eiseres geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong. Hetgeen overigens in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong is opgenomen is in casu niet van toepassing op de aanvraag van eiseres. Beroep gegrond, vernietiging beslissing op bezwaar.

Rechtsgevolgen blijven in stand nu eiseres geen ingezetene was op haar 17e verjaardag en daarom geen recht heeft op arbeidsondersteuning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/5110

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 13 december 2012.

inzake

[Eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.M. Spooren,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 19 oktober 2011, uitgereikt door het UWV te Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 12 november 2012. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, vergezeld door haar vader, moeder en haar oom, [naam], tolk, bijgestaan door mr. M.M. Spooren, advocaat te Boxtel. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Smid, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

3.1 Eiseres is geboren op [geboortedatum]. In het jaar 2010 is zij 18 jaar geworden. Eiseres heeft een aanvraag ingevolge de Wet Wajong ingediend die door verweerder op 8 juni 2011 is ontvangen.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en deze afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. De rechtbank merkt het besluit van 9 juni 2011 aan als een weigering om eiseres arbeidsondersteuning toe te kennen en het bestreden besluit als een besluit tot handhaving van het besluit van 9 juni 2011.

Blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift heeft verweerder de afwijzing mede gebaseerd op het bepaalde in artikel 3:11, van de Wet Wajong en de “Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid”.

3.2 Eiseres kan zich niet verenigen met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels.

3.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder een onjuiste motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Aangezien eiseres haar aanvraag heeft ingediend ná 1 januari 2010, dient, gelet op artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet Wajong te worden beoordeeld of eiseres recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong. Uit artikel 3:6, eerste lid, van de Wet Wajong volgt immers dat eiseres geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong. Hetgeen overigens in hoofdstuk 3 van de Wet Wajong is opgenomen is dan ook niet van toepassing op de aanvraag van eiseres. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet Wajong (Tweede Kamer, 2008-2009, 31 780, nr. 3, zie bijvoorbeeld bladzijden 5, 23 en 32), blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om deze tweedeling aan te brengen in de Wet Wajong.

Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook ten onrechte verwezen naar de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Wet Wajong met betrekking tot het buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid. Anders dan verweerder heeft betoogd, acht de rechtbank artikel 3:11, van de Wet Wajong niet tevens van toepassing op een aanvraag om arbeidsondersteuning, als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet Wajong. De rechtbank stelt overigens vast dat in het in casu van toepassing zijnde hoofdstuk 2 van de Wet Wajong niet een met artikel 3:11 vergelijkbare bepaling is opgenomen.

3.4 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet voorts reden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

3.5 In artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong is, voor zover van belang en kort samengevat, bepaald dat jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene is die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt arbeidsongeschikt is.

Uit het bepaalde in artikel 2:15 van de Wet Wajong volgt dat slechts de jonggehandicapte recht heeft op arbeidsondersteuning.

3.6 Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op arbeidsondersteuning, aangezien zij geen ingezetene was op haar 17e verjaardag en daarom geen jonggehandicapte is in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong.

3.6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin gevolgd kan worden.

Eiseres is immers eerst per maart 2011 ingezetene in de zin van de Wet Wajong geworden. Dat zij reeds voor haar 17e verjaardag een aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf heeft ingediend maakt – wat daar ook van zij – niet dat hier anders over geoordeeld moet worden.

Voorts volgt uit het bepaalde in artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong, in samenhang gelezen met de Memorie van Toelichting, dat eiseres geen recht heeft op arbeidsondersteuning, nu zij geen ingezetene was op haar 17e verjaardag. Op bladzijde 20 van de Memorie van Toelichting staat in paragraaf 2.3.1 (Ontstaan van het recht op arbeidsondersteuning) het volgende:

“ Allereerst geldt als eis dat de betrokkene ingezetene is, dat wil zeggen dat hij in Nederland woont op zijn 17e verjaardag.”

3.7 De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

3.8 Nu de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand zullen worden gelaten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten en de schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.

3.9 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, voorzitter, en mr. D.J. Post en mr. L. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 13 december 2012.