Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY6260

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
AWB 11/4371
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:7499, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nederlands personeelslid van Europees Octrooibureau. Belastingplichtig voor box 3 inkomen?Andere situatie dan HR 8 juli 2011.

Geen belastingplicht box 3 voor eiser, want er is begunstigend beleid voor niet-Nederlandse personeelsleden die duurzaam in Nederland verblijven doordat van hen geen belasting wordt geheven terwijl dit volgens de Zetelovereenkomst wel is toegestaan, zonder dat van een rechtvaardigingsgrond is gebleken. De Nederlandse nationaliteit is niet voldoende voor het maken van een verschil in behandeling. Strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Zetelovereenkomst is niet in strijd met Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013/234 met annotatie van Jansen
FutD 2013-0006
V-N Vandaag 2012/2913

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/4371

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 18 december 2012

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag (aanslagnummer [000].H.96) inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.689. Tevens is bij beschikking € 227 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 september 2011 het bezwaar van eiser afgewezen en de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 oktober 2011, ontvangen door de rechtbank op 24 oktober 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012 te Arnhem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

2. Feiten

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in het onderhavige jaar in Nederland. Eiser is sinds 1983 in dienstbetrekking werkzaam bij het Europese Octrooi Bureau (hierna: het EOB) te Rijswijk. Uit deze dienstbetrekking heeft eiser in het jaar 2009 een salaris ontvangen. Het salaris van het EOB is vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting.

In zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2009 heeft eiser, naast zijn vrijgestelde salaris van het EOB, onder meer een voordeel uit sparen en beleggen opgenomen van € 30.689.

Overeenkomstig de aangifte heeft verweerder met dagtekening 20 juli 2011 de onderhavige aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.689. Het bedrag van de aanslag bedroeg € 9.188 en bestond uit € 227 aan heffingsrente en € 8.961 aan verschuldigde inkomstenbelasting (30% van € 30.689 -/- € 245 aan heffingskortingen).

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de op 27 juni 2006 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie gesloten overeenkomst betreffende het EOB, Trb. 2006, 155 (hierna: de Zetelovereenkomst) in strijd met het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie, Trb. 1976, 101 (hierna: het Protocol)?

2. Leidt de belastingheffing over de inkomsten uit sparen en beleggen van eiser tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling tussen enerzijds medewerkers van het EOB die de Nederlandse nationaliteit bezitten en duurzaam in Nederland woonachtig zijn en anderzijds medewerkers die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en eveneens duurzaam in Nederland verblijven?

Eiser beantwoordt deze vragen bevestigend, verweerder ontkennend.

Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd:

• dat de Zetelovereenkomst, in het bijzonder artikel 10, zesde lid, in strijd is met het Protocol;

• dat alle medewerkers die duurzaam in Nederland verblijven en dus een band hebben met Nederland gelijk moeten worden behandeld, ongeacht hun nationaliteit;

• dat alle medewerkers, anders dan diplomaten, op grond van het Protocol een fiscale band hebben met het gastland Nederland;

• dat sprake is van een bij artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM verboden ongelijke behandeling;

• dat de Zetelovereenkomst nietig en in strijd is met artikel 1 van de Grondwet omdat deze niet met goedkeuring van de Staten-Generaal tot stand is gekomen.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 37, tweede lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1961, 159, hierna: het Verdrag van Wenen) gelden diplomatieke voorrechten en immuniteiten in de ontvangende staat, waaronder de fiscale voorrechten als bedoeld in artikel 34 van het Verdrag, ook voor leden van het administratieve en technische personeel van een diplomatieke zending. Afgezien van enkele uitzonderingen is sprake van een volledige vrijstelling van inkomstenbelasting. De vrijstelling geldt niet indien deze personen onderdaan zijn van de ontvangende staat of daar duurzaam verblijf houden.

In het Protocol is speciaal voor de Europese Octrooiorganisatie (hierna: de Organisatie) een regeling getroffen waarin diverse immuniteiten en voorrechten zijn toegekend aan de medewerkers van de Organisatie, welke zijn opgenomen in de artikelen 12 tot en met 15.

In artikel 16 van het Protocol is een bijzondere regeling ten aanzien van de belastingplicht opgenomen. Dit artikel komt erop neer dat de Organisatie zelf belasting heft over de door de Organisatie betaalde inkomsten van de medewerkers en dat deze salarissen en emolumenten vervolgens vrij zijn van nationale inkomstenbelasting. Artikel 16 voegt daaraan toe: "De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen."

Artikel 22 van het Protocol bepaalt:

"Geen enkele Verdragsluitende Staat is verplicht de in de artikelen 12, 13, 14, letters b), e) en g), en 15, letter c) bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan:

a) zijn eigen onderdanen;

b) personen die bij aanvang van hun werkzaamheden bij de Organisatie hun vaste woonplaats in die Staat hebben (...)."

Op grond van artikel 25 van het Protocol kan de Organisatie met een of meer Verdragsluitende Staten aanvullende overeenkomsten aangaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van het Protocol met betrekking tot die Staat of die Staten alsmede andere regelingen treffen ter waarborging van een goede functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.

Met toepassing van artikel 25 van het Protocol hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Organisatie op 27 juni 2006 de Zetelovereenkomst gesloten. In artikel 10 van de Zetelovereenkomst is, met overeenkomstige toepassing van artikel 37, tweede lid, van het Verdrag van Wenen, een regeling getroffen voor personeel dat in Nederland werkzaam is bij het EOB. Artikel 10 luidt als volgt:

Artikel 10

Voorrechten en immuniteiten van de personeelsleden van het Bureau

1. Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen,

a. in rang A5 en hoger, of

b. in rang A4, mits zij langer dan twee jaar in die rang zijn geweest en een basissalaris niet lager dan A5 periodiek 1 hebben, vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin aan beide eisen is voldaan

genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken.

2. Personeelsleden van het Bureau die hun werkzaamheden in Nederland uitoefenen, die geen bedienend personeel zijn en die niet onder het bepaalde in het eerste lid vallen, genieten dezelfde voorrechten en immuniteiten als die welke door Nederland worden verleend aan administratief en technisch personeel van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen, met dien verstande dat immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken en persoonlijke onschendbaarheid zich niet uitstrekken tot handelingen verricht buiten hun officiële taken.

3. Dezelfde regelingen gelden voor hun inwonende gezinsleden.

4. De vrijstelling van rechtsvordering geldt niet in geval van een door derden ingediende civiele rechtsvordering ter zake van schade die voortvloeit uit een verkeersovertreding.

5. Dit artikel doet geen afbreuk aan regelingen in deze Overeenkomst of het Protocol.

6. Dit artikel is niet van toepassing op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland.

De totstandkoming van de in artikel 10 opgenomen regeling vloeit voort uit beleid dat het kabinet in 2005 heeft vastgesteld ter stimulering van de vestiging van internationale organisaties in Nederland. In het kader van dat beleid heeft het kabinet besloten de medewerkers van internationale organisaties die in Nederland zijn gevestigd op uniforme wijze te behandelen. Daarbij is beoogd aan te sluiten bij een internationaal ontwikkelde praktijk (Kamerstukken II 2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11). Die uniforme behandeling houdt in dat het hoogste personeel van een internationale organisatie eenzelfde behandeling krijgt als diplomaten met gelijke rang van een ambassade, en dat het overige personeel gelijkgesteld wordt met administratief en technisch personeel van een ambassade, onder meer met betrekking tot fiscale voorrechten.

Eiser valt onder de in artikel 10, tweede lid, genoemde categorie personeelsleden. Voor deze categorie personeelsleden gelden in beginsel de fiscale voorrechten overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag van Wenen, waaronder de vrijstelling met betrekking tot de heffing over voordelen uit sparen en beleggen. Uitgezonderd zijn personen die - zoals eiser - onderdaan zijn van Nederland of in Nederland duurzaam verblijf houden. In artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst is immers bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland. Dat betekent dat eiser slechts een beroep kan doen op de vrijstelling die in het Protocol is opgenomen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 juli 2011, nr. 10/03467, BNB 2011/251, LJN: BR0387, geoordeeld dat de in artikel 10, zesde lid, van de Zetelovereenkomst aangebrachte beperking, die inhoudt dat personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland geen vrijstelling van belastingheffing over het voordeel uit sparen beleggen krijgen, geen discriminatie oplevert.

Volgens eiser heeft de Hoge Raad in die uitspraak geen beslissing genomen over de twee belangrijkste beroepgronden die hij thans aanvoert, met name de gestelde strijd tussen de Zetelovereenkomst en het Protocol (eerste beroepsgrond) en de ongelijke behandeling van duurzaam in Nederland verblijvende medewerkers van het EOB met en zonder de Nederlandse nationaliteit (tweede beroepsgrond). Hij heeft in dit verband gesteld dat personeelsleden van het EOB met een buitenlandse nationaliteit die inmiddels langer dan 10 jaar bij het EOB werken en dientengevolge ook langer dan 10 jaar in Nederland wonen, gunstiger worden behandeld dan hij, omdat zij wel een vrijstelling van belastingheffing voor box 3 inkomsten krijgen, terwijl hun band met Nederland vergelijkbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat de eerste beroepsgrond faalt, omdat de Zetelovereenkomst niet in strijd is met het Protocol en derhalve wel degelijk rechtskracht heeft. Artikel 25 van het Protocol geeft Nederland immers de mogelijkheid om een aanvullende overeenkomst met de Organisatie te sluiten of een andere regeling te treffen. Hieraan is met het sluiten van de Zetelovereenkomst uitvoering gegeven. Doordat ook een andere regeling mag worden getroffen, leidt het feit dat de Zetelovereenkomst mogelijk anders is ingevuld dan in het Protocol, niet tot strijdigheid met het Protocol. Gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011 staat het partijen bij de Zetelovereenkomst ook vrij onderscheid te maken tussen werknemers met de Nederlandse nationaliteit of duurzaam in Nederland wonende werknemers enerzijds (vrijstelling volgens Protocol) en andere werknemers anderzijds (vrijstelling volgens Verdrag van Wenen op grond van Zetelovereenkomst).

Bovendien blijkt uit artikel 16 van het Protocol dat de Verdragsluitende Staten voor de belastingheffing slechts de door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten dienen vrij te stellen, maar dat deze wel rekening mogen houden met inkomsten uit een andere bron. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de box 3 inkomsten worden aangemerkt als de hier bedoelde inkomsten uit een andere bron. Dit brengt mee dat het Nederland vrijstond om in de Zetelovereenkomst voor deze box 3 inkomsten een andere regeling te treffen dan een algemene vrijstelling voor alle EOB-personeelsleden.

Wat betreft de tweede beroepsgrond geldt het volgende.

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk en er bovendien voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is, of door schending van de meerderheidsregel.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd bevestigd dat werknemers van het EOB met een niet-Nederlandse nationaliteit die inmiddels duurzaam (= langer dan 10 jaar) in Nederland verblijven inderdaad (nog steeds) niet in de box 3 heffing worden betrokken, hoewel dit volgens de Zetelovereenkomst wel zou mogen. Verweerder heeft opgemerkt dat deze groep nooit een aangiftebiljet krijgt toegestuurd en dat als gevolg van deze praktijk in feite begunstigend beleid voor deze groep bestaat, hetgeen volgens hem is toegestaan.

De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2011 niet de onderhavige situatie betreft en daarom voor de beoordeling niet doorslaggevend is. Het gaat hier immers niet om een verdragsrechtelijk vastgelegd verschil tussen buitenlanders die niet duurzaam in Nederland verblijven enerzijds en Nederlanders en niet-Nederlanders die wel duurzaam in Nederland verblijven anderzijds. Het gaat hier om een (van de Zetelovereenkomst afwijkend) verschil in behandeling op basis van begunstigend beleid tussen niet-Nederlanders die duurzaam in Nederland verblijven enerzijds en Nederlanders anderzijds.

Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat dit onderscheid gerechtvaardigd is, maar hij heeft niet toegelicht waarom hij dat vindt. Kennelijk is het verschil in nationaliteit de reden voor het gemaakte onderscheid.

De enkele omstandigheid dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft, acht de rechtbank echter - zonder nadere toelichting van verweerder, die ontbreekt - onvoldoende reden voor een verschil in behandeling tussen eiser en de groep personeelsleden van het EOB die net als eiser duurzaam in Nederland verblijft. Het Verdrag van Wenen (artikel 37 lid 2), de Zetelovereenkomst (artikel 10 lid 6) en de uitspraak van de Hoge Raad gaan uit van Nederlandse personeelsleden en andere duurzaam in Nederland verblijvende personeelsleden als één, gelijk te behandelen, groep. Aangezien geen rechtvaardigingsgrond is gesteld of gebleken om toch onderscheid binnen deze groep te maken, is het verschil in behandeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het begunstigend beleid voor de duurzaam in Nederland verblijvende niet-Nederlandse personeelsleden van het EOB dient daarom ook op eiser te worden toegepast.

Voor zover verweerder heeft bedoeld zijn standpunt te baseren op artikel 22 van het Protocol, maakt dit het oordeel niet anders, omdat in dat artikel niet wordt verwezen naar artikel 16 van het Protocol, waarin de belastingvrijstelling is opgenomen.

Het bovenstaande brengt mee dat het beroep gegrond is en de aan eiser opgelegde aanslag en beschikking heffingsrente moeten worden vernietigd. De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen behandeling meer.

5. Proceskosten

Nu niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar of beroep, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een kostenveroordeling ten laste van verweerder.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de belastingaanslag IB/PVV over 2009;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 18 december 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.