Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY3461

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-10-2012
Datum publicatie
19-11-2012
Zaaknummer
221722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil m.b.t. strook grond die in eigendom is van de gemeente en grenst aan de tuin van gedaagde in conventie/eiseres in reconventie. Stilzwijgende buikleenovereenkomst. Geen verkrijgende verjaring. Bruikleenovereenkomst rechtsgeldig door gemeente opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 221722 / HA ZA 11-1398

Vonnis van 31 oktober 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM

zetelend te Arnhem

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

advocaat mr. F.J. van Beek te Arnhem

tegen

[gedaagde]

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

advocaat mr. H.C.J. Oomen te Nijmegen

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 februari 2012;

- het proces-verbaal van comparitie van 23 mei 2012;

- de akte van de gemeente;

- de akte van [gedaagde in conventie].

1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 1945 hebben de ouders van [gedaagde in conventie], de heer [vader van gedaagde ] en mevrouw [moeder van gedaagde], het huis aan de [adres] als huurders betrokken. Het perceel waarop het huis staat (kadastraal bekend [gemeente], sectie S, nummer 1406, groot 00.03.41 ha) was eigendom van de gemeente en uitgegeven in erfpacht.

2.2. Aan de oostzijde van het perceel ligt een strook grond van ongeveer 80 m² die ogenschijnlijk één geheel vormt met de achtertuin van [gedaagde in conventie] en die is afgescheiden door een omheining. Deze strook maakt deel uit van het kadastrale perceel [gemeente], sectie S nummer 1800. Volgens de registratie van het kadaster is de gemeente eigenaar van dat perceel. De strook wordt begrensd door een steil oplopend talud dat eveneens deel uitmaakt van het kadastrale perceel S 1800. De strook is deel van een stuk grond waarop in de jaren 1930 een trambaan was voorzien. De strook is op onderstaande kaart gearceerd.

2.3. Bij brief van 11 november 1964 heeft de gemeente [vader van gedaagde ] onder meer bericht:

Ter regeling van het gebruik van een perceel grond gelegen achter uw woning aan de [adres], zend ik u als bijlagen dezes een concept-overeenkomst en de bijbehorende tekening no. A-1765, tot verhuur van dit terrein. (...)

2.4. [vader van gedaagde ] heeft de bij de brief van 11 november 1964 gevoegde huurovereenkomst ondertekend, maar een huurovereenkomst is niet tot stand gekomen.

2.5. Bij akte van 29 april 1970 heeft [betrokkene] het recht van erfpacht van het perceel waarop het huis staat geleverd aan [vader van gedaagde ].

2.6. Op 28 november 2006 heeft de gemeente het bloot eigendom van het perceel waarop het huis staat aan [vader van gedaagde ] verkocht. Bij akte van 26 januari 2007 heeft de gemeente het verkochte aan [vader van gedaagde ] geleverd.

2.7. Op 24 april 2008 is [vader van gedaagde ] overleden. Bij akte van verdeling en afgifte legaat van 21 april 2009 is het perceel met huis aan de [adres] 50 aan [gedaagde in conventie] geleverd.

2.8. De gemeente voert als beleid dat rechten en plichten worden vastgelegd als blijkt dat bewoners gemeentelijke eigendom in gebruik hebben genomen. Dit beleid is vastgelegd in het ‘Groenplan Arnhem’.

2.9. Bij brief van 22 april 2011 heeft de gemeente [gedaagde in conventie] onder meer bericht:

Op 28 januari 2011 heeft u van ons een brief ontvangen met de mededeling dat u wellicht een strook openbaar groen achter uw woning aan de [adres] 50 in gebruik heeft.

(...)

Optie tot koop

Nu een beroep op verkrijgende en bevrijdende verjaring niet opgaat, bieden wij u de mogelijkheid de strook grond achter uw woning van circa 80 m² van ons te kopen. (...)

De prijs voor de koop van openbare grond bedraagt thans € 77,- per vierkante meter kosten koper. Hier komen dus de kosten van 6% overdrachtsbelasting en notariskosten bij. (...)

Indien u de strook grond niet van ons wilt kopen, verzoeken wij u om binnen 3 maanden, na dagtekening van deze brief, de situatie terug te brengen naar de oorspronkelijke kadastrale grens. (...)

2.10. Bij brief van 13 mei 2011 heeft [gedaagde in conventie] de gemeente onder meer bericht dat zij het niet eens is met de kijk van de gemeente op de zaak en dat zij het huidige gebruik ongewijzigd zal voortzetten.

3. De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1. De gemeente heeft in conventie gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechtbank [gedaagde in conventie] beveelt binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het gebruik van de strook grond te staken en de strook te ontruimen en in de oorspronkelijke staat te herstellen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag en als [gedaagde in conventie] daar niet aan voldoet de gemeente te machtigen de bevelen te laten uitvoeren door derden op kosten van [gedaagde in conventie], met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de proceskosten en de nakosten.

3.2. De gemeente heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is eigenaar van de grond. Het gebruik ervan door [gedaagde in conventie] en haar rechtsvoorgangers berust op een (stilzwijgende) overeenkomst van bruikleen. De gemeente heeft deze overeenkomst opgezegd bij brief van 22 april 2011 en anders in de dagvaarding. [gedaagde in conventie] gebruikt de grond na de opzegging zonder recht of titel en maakt zodoende inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente.

3.3. In reconventie heeft [gedaagde in conventie] primair gevorderd (I) dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, subsidiair (II) dat de rechtbank de gemeente veroordeelt medewerking te verlenen aan verkoop en levering aan [gedaagde in conventie] van de strook grond om niet en op kosten van de gemeente, meer subsidiair (III) dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie] door verjaring het recht van erfpacht van de strook heeft verkregen en nog meer subsidiair (IV) dat de rechtbank voor recht verklaart dat de overeenkomst van bruikleen zoals deze tussen de gemeente en [gedaagde in conventie] geldt, niet door de gemeente mag worden opgezegd zolang [gedaagde in conventie] op het adres [adres] 50 woont, steeds met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.4. Aan haar primaire vordering heeft [gedaagde in conventie] ten grondslag gelegd dat haar vader [vader van geda[gedaagde in conventie], die zij onder algemene titel heeft opgevolgd, de eigendom van de strook grond heeft verkregen op grond van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. Daartoe heeft zij gesteld dat zij (althans haar vader) de strook vanaf 1945 althans 1970 heeft gehouden voor zichzelf, als ware zij (hij) eigenaar. Het is volgens [gedaagde in conventie] niet van belang of het bezit van de strook al dan niet te goeder trouw was, omdat het reeds heeft geduurd vanaf 1945 althans 1970. Aan haar subsidiaire vordering heeft [gedaagde in conventie] ten grondslag gelegd, mede in het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat de gemeente gedurende een periode van ruim 60 jaar niet heeft opgetreden tegen het gebruik door [gedaagde in conventie] van de strook. Aan haar meer subsidiaire vordering heeft [gedaagde in conventie] ten grondslag gelegd dat haar vader gerechtvaardigd heeft aangenomen dat de strook bij het door hem in erfpacht verkregen perceel hoorde. Aan haar nog meer subsidiaire vordering heeft [gedaagde in conventie] ten grondslag gelegd dat de gemeente geen belang heeft bij opzegging van de bruikleenovereenkomst.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Het is niet in geschil dat de gemeente in 1964 met [vader van gedaagde ] heeft gecorrespondeerd over huur van de strook grond achter zijn perceel, dat laatstgenoemde die strook toen van de gemeente heeft willen huren, maar dat er toch geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de gemeente en [vader van gedaagde ] er zich toen van bewust waren dat die grond van de gemeente was en dat [vader van gedaagde ] die grond gebruikte zonder dat daarvoor een recht of titel bestond in de vorm van erfpacht of huur. Het is gesteld noch gebleken dat de gemeente [vader van gedaagde ] na deze correspondentie in 1964 op het gebruik van de grond heeft aangesproken. Dat de gemeente heeft geprobeerd het gebruik van de grond te formaliseren houdt, anders dan [gedaagde in conventie] betoogt, niet in dat de gemeente dat gebruik niet heeft toegestaan. Zonder bijkomende omstandigheden, waarvan is gesteld noch gebleken dat zij zich hebben voorgedaan, kan het enkele stilzwijgen aan de kant van de gemeente na de correspondentie uit 1964 niet worden begrepen als het prijsgeven van eigendom. Aldus was er een situatie waarin de gemeente het heeft toegelaten dat [vader van gedaagde ] de grond gebruikte zonder daarvan erfpachter of huurder te zijn, terwijl dit over en weer kenbaar was. Dit kan worden aangemerkt als ‘ten gebruike geven’ in de zin van artikel 7A:1777 BW. De rechtbank neemt daarom aan dat stilzwijgend een overeenkomst van bruikleen tot stand is gekomen tussen de gemeente en [vader van gedaagde ]. Artikel 160 lid 1 sub e van de Gemeentewet staat daaraan niet in de weg omdat dit artikel ziet op de verdeling van publiekrechtelijke bevoegdheden en niet op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen. In de stilzwijgende overeenkomst van bruikleen is geen verandering gekomen doordat [vader van gedaagde ] erfpachter en later eigenaar is geworden van het perceel waarop het huis staat. Hieruit volgt dat [vader van gedaagde ] steeds bruiklener van de grond achter zijn perceel is geweest, zodat hij daarvan houder voor de gemeente was en dus geen bezitter. Daar komt bij dat [vader van gedaagde ], ook afgezien van de overeenkomst van bruikleen, geen bezitter was van de grond of van het erfpachtsrecht. [vader van gedaagde ] heeft zich immers in 1964 opgesteld als houder van de grond en het is gesteld noch gebleken dat daarin nadien (voor begin 2011) op de voet van artikel 3:111 of 3:113 BW verandering is gebracht.

4.2. Voor verkrijging van eigendom of erfpacht door verjaring op grond van artikel 3:99 BW is nodig dat [gedaagde in conventie] dan wel haar vader gedurende tien jaar onafgebroken het bezit heeft gehad van de grond dan wel van het erfpachtsrecht erop. Aan dat vereiste is niet voldaan, omdat [gedaagde in conventie] en haar vader (als bruikleners) niet bezitters maar houders van de grond zijn geweest. Voor verkrijging door verjaring op grond van artikel 3:105 BW is vereist dat [gedaagde in conventie] of haar vader bezit van de grond dan wel het erfpachtsrecht daarop hadden op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit is voltooid. Aan dat vereiste is ook niet voldaan, omdat laatstbedoelde rechtsvordering niet ontstaat zolang [gedaagde in conventie] en haar vader houders van de grond waren (op grond van de stilzwijgende overeenkomst van bruikleen). De primaire en de meer subsidiaire vorderingen in reconventie (onder I en III) zijn daarom niet toewijsbaar.

4.3. [gedaagde in conventie] heeft subsidiair, voor het geval een bruikleenovereenkomst wordt aangenomen, betoogd dat de mededelingen in de brief van de gemeente van 22 april 2011 niet kunnen gelden als opzegging van de bruikleenovereenkomst. Of dat juist is kan in het midden blijven, omdat de gemeente de stilzwijgende bruikleenovereenkomst voor zover nodig heeft opgezegd met het exploot van dagvaarding (dagvaarding onder 2.5).

4.4. Voor het geval een bruikleenovereenkomst wordt aangenomen, heeft [gedaagde in conventie] voorts betoogd dat opzegging in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de gemeente mag worden verwacht en (ook nog) misbruik van recht oplevert in de zin van artikel 3:13 BW. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gemeente heeft geen gerechtvaardigd belang bij opzegging. Uit de correspondentie van de gemeente leidt [gedaagde in conventie] af dat de gemeente de grond aan [gedaagde in conventie] wenst te verkopen, waaruit blijkt dat zij er zelf geen gebruik van wil maken. Door de ligging is de grond bovendien niet voor publiek toegankelijk, terwijl deze ook door de gemeente niet zal kunnen worden onderhouden. De grond is ten slotte al sinds 1945 bij [gedaagde in conventie] (althans haar rechtsvoorganger) in gebruik, hetgeen privacy biedt. Hierover wordt het volgende overwogen. De door [gedaagde in conventie] aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard dat opzegging van de stilzwijgende bruikleenovereenkomst slechts mogelijk is op grond van een stringente reden, zeker niet nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde in conventie] de grond niet van de gemeente zal kunnen kopen nadat het geschil over de eigendom is beslecht. Voor opzegging van de bruikleenovereenkomst is voldoende dat de gemeente een gerechtvaardigd belang bij opzegging heeft. Dat belang is gelegen in de uitvoering van het gemeentelijke beleid, neergelegd in het ‘Groenplan’, dat rechten en plichten worden vastgelegd als blijkt dat bewoners gemeentelijke eigendom in gebruik hebben genomen, welke situatie zich hier voordoet. De conclusie is dat de hier beoordeelde verweren falen en dat de overeenkomst van bruikleen rechtsgeldig is opgezegd. De in reconventie nog meer subsidiair ingestelde vordering (onder III), strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de bruikleenovereenkomst niet rechtsgeldig kan worden opgezegd zolang [gedaagde in [adres]an de [adres] woont, zal dus ook worden afgewezen.

4.5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, had het [gedaagde in conventie] duidelijk moeten zijn dat de gemeente haar aanspraak op de grond niet wilde prijsgeven. Dat wordt niet anders doordat de gemeente [gedaagde in conventie] dan wel haar rechtsvoorganger gedurende lange tijd niet heeft aangesproken. Dat enkele stilzwijgen gedurende lange tijd leidt ook niet tot rechtsverwerking aan de zijde van de gemeente. [gedaagde in conventie] heeft voorts in deze procedure onvoldoende gesteld waaruit kan blijken dat verschillen in de beoordeling van aanspraken van buren op grond achter hun percelen niet worden gerechtvaardigd door omstandigheden van de onderscheiden gevallen. Voor zover de gemeente aanspraken van buren ten onrechte heeft gehonoreerd, wordt geoordeeld dat deze omstandigheid haar niet verplicht ook de aanspraak van [gedaagde in conventie] te honoreren. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om de gemeente te veroordelen de grond om niet aan [gedaagde in conventie] over te dragen, zodat de in reconventie subsidiair ingestelde vordering (onder II) zal worden afgewezen.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie toewijsbaar is. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna te melden. De dwangsom is niet verschuldigd over de periode dat de gemeente gebruik maakt van de te geven machtiging.

4.7. [gedaagde in conventie] wordt als de in conventie en in reconventie in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

beveelt [gedaagde in conventie] het gebruik dat zij maakt van de aan de gemeente in eigendom toebehorende strook grond, welke strook op de tekening in dit vonnis is gearceerd, te staken en die strook met al hetgeen zich daarop van harentwege bevindt te ontruimen en ontruimd te houden;

beveelt [gedaagde in conventie] de strook grond binnen twee maanden na betekening van dit vonnis in de oorspronkelijke staat te herstellen en het op de vermeende perceelsgrens geplaatste hek te verplaatsen naar de werkelijke perceelsgrens, de op het stuk grond opgerichte opstallen, inclusief funderingen, kabels en leidingen te verwijderen, de grond ter plaatse van deze opstallen met gewone grond te brengen op maaiveldniveau en aangebrachte bomen, struiken en/of overige beplantingen te verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-, met dien verstande dat geen dwangsom wordt verbeurd over de periode dat de gemeente gebruik maakt van de hieronder te geven machtiging;

machtigt de gemeente om bij gebreke van tijdige en/of volledige voldoening aan de hierboven gegeven bevelen deze te doen uitvoeren door derden op kosten van [gedaagde in conventie];

veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling aan de gemeente van de op deze uitvoering te vallen kosten op vertoon van de door die derden ter zake aan de gemeente verstrekte rekeningen;

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van de gemeente begroot op € 97,81 aan kosten van dagvaarding, € 560,- aan vast recht en € 1.130,- aan salaris voor de advocaat (2½ punt, tarief II), te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en indien betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de nakosten, aan de zijde van de gemeente bepaald op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor nasalaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en indien betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van de gemeente begroot op € 565,- aan salaris voor de advocaat (de helft van 2½ punt, tarief II);

verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2012.

coll.: CLB