Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY0609

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
11/4080
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang met betrekking tot het op- en overslaan en/of bewerken van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen. De rechtbank oordeelt dat de last niet onduidelijk is, er geen sprake is van concreet zicht op legalisering, er geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhaving en de oplegging van de last onder bestuursdwang niet buitenproportioneel is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/178 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/4080

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 oktober 2012.

inzake

[Eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.H.B. Averdijk,

tegen

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder,

alsmede

[partij ex artikel 8:26 van de Awb], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

wonende te [woonplaats],

en

[partij ex artikel 8:26 van de Awb], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

wonende te [woonplaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 september 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 heeft verweerder onder meer eiser gelast om vóór 20 juli 2011 een einde te maken aan de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), door op het perceel [perceel] alle activiteiten met betrekking tot het op- en overslaan en/of bewerken van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen te beëindigen en beëindigd te houden en daarbij die afvalstoffen af te voeren naar een erkende inzamelaar en/of verwerker, onder aanzegging van bestuursdwang op kosten van eiser.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het bezwaar van eiser tegen het besluit van 26 mei 2011, voor zover dit betrekking heeft op voormelde aan hem opgelegde last onder bestuursdwang, ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op voormelde aan hem opgelegde last onder bestuursdwang, heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[partij ex artikel 8:26 van de Awb] en [partij ex artikel 8:26 van de Awb] zijn in de gelegenheid gesteld als partij ex artikel 8:26 van de Awb aan het geding deel te nemen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 29 juni 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H.B. Averdijk.

Voor verweerder is verschenen mr. M.H. Holterman. Voorts is verschenen [partij ex artikel 8:26 van de Awb], vergezeld van [naam].

3. Overwegingen

3.1. Allereerst overweegt de rechtbank dat - voor zover betrokkenen iets anders veronderstellen - uit de stukken niet kan worden afgeleid dat tevens door of namens de echtgenote van eiser ([partij ex artikel 8:26 van de Awb]) beroep is ingesteld tegen het bestreden besluit of een gelijkluidend tot haar gericht afzonderlijk besluit.

3.2. Vast staat dat eiser voor het verrichten van de activiteiten waarop de last ziet, niet beschikt over een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking, of het in werking hebben van een inrichting, en voorts dat het handhavingsbesluit op het ontbreken daarvan is gebaseerd.

3.3. Verweerder is - als orgaan dat omtrent de verlening van een verklaring van geen bedenkingen terzake beslist - bevoegd daartegen handhavend op te treden.

3.4. Anders dan eiser, acht de rechtbank, mede gelet op het feit dat eiser een professional is, geen grond aanwezig voor het oordeel dat de last onduidelijk is geformuleerd, ten gevolge waarvan hij niet heeft kunnen begrijpen waarop die ziet. De rechtbank acht daarvoor geen enkel feitelijk aanknopingspunt aanwezig. De bewoordingen van de last zijn duidelijk en niet voor meer dan één uitleg vatbaar. De last is zonder meer gericht op beëindiging van de overtreding en daarmee op de voorkoming van feitelijke toepassing van bestuursdwang door verweerder.

3.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.6. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 mei 2012, met LJN-nummer: BW6950, heeft de rechtbank vastgesteld dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering van de bestaande situatie.

3.7. Ook overigens doet zich geen bijzonder geval voor op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhaving. Dat oplegging van de last onder bestuursdwang buitenproportioneel is, valt niet in te zien. Dat in andere rechtens op een lijn te stellen gevallen door verweerder niet wordt opgetreden, is niet aannemelijk geworden.

3.8. Ook hetgeen eiser overigens naar voren heeft gebracht, treft geen doel. Voor zover dit betrekking heeft op de feitelijke uitvoering van bestuursdwang vanwege verweerder, kan dat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet afdoen.

3.9. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen en betogen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.10. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, voorzitter, en mr. L. van Gijn en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2012.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 16 oktober 2012.