Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY0224

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
223102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen de vordering van eisers te verifiëren en te erkennen door vast te stellen dat zij een vordering op bedrijf 1 hebben en de curatoren te bevelen de vordering van eisers, zoals gesteld door de rechtbank, te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende schuldeisers in het faillissement van bedrijf 1.

Schade omdat jacht als gevolg van faillissement niet is afgebouwd.

De voor vergoeding in aanmerking komende schade van eisers bedraagt daarmee € 310.611,00 - € 73.920,88 = € 236.690,12. Tot dit bedrag kan de vordering tot verificatie en erkenning in het faillissement van gefaillisseerde worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 223102 / HA ZA 11-1514

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

1. [eis.1],

2. I[eis.2],

wonende te [woonplaats]),

eisers tot verificatie,

advocaat mr. F.G. van der Geld te Veghel,

tegen

MR. CORNELIS GERARDUS KLOMP

in hoedanigheid van curator in het faillissement van

[gefailleerde],

h.o.d.n. [handelsnaam],

kantoorhoudende te Tiel,

verweerder tot verificatie,

advocaat mr. drs. C.L.V.M. Elassaiss-Schaap te Tiel.

Partijen zullen hierna [eisers]. en curator genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 maart 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 13 juni 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Gefailleerde] (hierna: [gefailleerde]) voerde, handelend onder de naam [handelsnaam], een eenmanszaak te [plaats]. Dit bedrijf werd gedreven vanaf 3 januari 1990. Op 7 mei 2003 verleende de rechtbank Arnhem aan [gefailleerde] voorlopige surseance van betaling waarbij de curator als bewindvoerder is aangesteld. Op 2 juli 2003 werd deze voorlopige surseance van betaling omgezet in een definitieve. Op 30 januari 2004 werd de definitieve surseance van betaling omgezet in een faillissement met aanstelling van de curator als curator.

2.2. De echtgenoot van [gefailleerde], [betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]), was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf1]. te [plaats]. Deze vennootschap voerde van 23 maart 1989 tot 26 oktober 2000 de statutaire en handelsnaam [bedrijf2] [bedrijf1]. werd op 17 maart 2005 ontbonden wegens gebrek aan bekende baten.

2.3. Op 20 maart 1999 sloten [eisers]. een overeenkomst (hierna: eerste overeenkomst). In geschil is met wie [eisers]. deze overeenkomst hebben gesloten. De schriftelijke overeenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

“[handelsnaam] by [bedrijf2].

[adres+plaats]

(…)

Koopovereenkomst

Al onze schepen worden onder HISWA voorwaarden afgeleverd.

1 motoryacht condor silversea trawler

Lt. beiliegender beschreibung von 6 seiten (…)

Levertermijn: APR-MAI 2001

Afleveringsadres: werft [plaats] (…)

Totaalbedrag: DM 810.000,- netto excl.Mwst. (…)”

2.4. Op 24 juli 2003 sloten [eisers]. en [bedrijf1]. een overeenkomst (hierna: tweede overeenkomst). Deze luidt, voor zover relevant, als volgt:

“[bedrijf1]. gevestigd te [plaats], hierna te noemen: “[bedrijf1]”

en

[eis.1], (…),

hierna te noemen “de opdrachtgever”.

Nemen het volgende in aanmerking:

De opdrachtgever heeft [bedrijf1] opdracht gegeven om voor hem een Condor Silversea Trawler te bouwen, bouwnr CS-3-2001 (…)

[bedrijf1] heeft voor de bouw van het schip opdracht verstrekt aan [handelsnaam], de eenmanszaak van mevrouw [gefailleerde].

[handelsnaam] verkeert in surseance van betaling.

Dit schip is gedeeltelijk gebouwd en betaald.

Het schip is in eigendom overgedragen aan de opdrachtgever. In de deeleigendomsoverdrachten is sprake van overdracht van toekomstige goederen. Alles wat aan het schip wordt toegevoegd wordt automatisch eigendom van de opdrachtgever.

Er rest nog een restantbetaling op de in de koopovereenkomst genoemde koopprijs van € 103.535,-

Partijen komen het volgende overeen:

1. De opdrachtgever stort met ingang van 1 aug 2003 5 maanden iedere maand € 20.000,- voor de bouw van het schip op de derdenrekening van de Stichting beheer derdengelden Stoffels en de Jong advocaten tot het totale restant is betaald. Het geld blijft daarmee eigendom van de opdrachtgever. Er is op dat moment nog geen sprake van betaling aan [bedrijf1]

(…)

3. De [bedrijf1] verplicht zich het schip af te bouwen volgens bouwspecificatie van 20-3-1999.

(…)”

3. Het geschil

3.1. [eisers]. vorderen, na vermindering van de vordering ter comparitie, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I) de vordering van [eisers]. te verifiëren en te erkennen, door vast te stellen dat zij een vordering op [handelsnaam] hebben ten bedrage van € 267.621,25, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

II) de curatoren te bevelen de vordering van [eisers]., zoals vastgesteld door de rechtbank, te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende schuldeisers in het faillissement van [handelsnaam];

III) de curatoren, in hun hoedanigheid, te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. [eisers]. stellen daartoe dat tussen hen en [gefailleerde], handelend onder de naam [handelsnaam], de eerste overeenkomst tot stand is gekomen voor een nog door [handelsnaam] voor € 414.146,42 te bouwen motorjacht. Het jacht is nooit afgebouwd door het faillissement van [gefailleerde] en hierdoor hebben [eisers]. schade geleden. De schade bestaat uit de door hen aan [handelsnaam] verrichte betalingen van in totaal € 310.611,25, verminderd met de waarde van het casco op het moment van surseance van betaling. [eisers]. stellen dat het casco later is verkocht voor € 81.000,00, maar dat het casco na de surseance door de afbouwwerkzaamheden van [bedrijf1]., waarvoor zij nog € 60.000,00 hebben betaald aan [bedrijf1]., in waarde is gestegen met € 30.000,00, zodat de waarde op het moment van surseance gesteld kan worden op € 51.000,00 en hun schade aldus begroot dient te worden op € 310.611,25 - € 51.000,00 = € 259.611,25.

Daarnaast maken [eisers]. aanspraak op vergoeding van hun schade ten gevolge van de verdwijning van twee LCD-monitoren van samen € 1.800,00 en ter zake van gemaakte reiskosten van totaal € 6.210,00.

[eisers]. hebben hun vordering tot schadevergoeding ter verificatie bij de curator ingediend, waarna deze op de lijst van betwiste vorderingen is geplaatst. Volgens [eisers]. heeft de curator hun vordering ten onrechte betwist.

3.3. De curator betwist dat [eisers]. een vordering op de boedel hebben en voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zoveel nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De curator heeft als meest verstrekkend verweer naar voren gebracht dat [eisers]. de eerste overeenkomst sloten met [bedrijf1]. [bedrijf1]. verkocht het schip als leverancier van het merk [handelsnaam] en gaf vervolgens opdracht aan het productiebedrijf [handelsnaam] om dit schip te bouwen, aldus de curator.

4.2. De vraag die allereerst dient te worden beantwoord is wie als contractspartij van [eisers]. heeft te gelden. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van hetgeen de feitelijk handelende personen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521, LJN AC1877, Kribbebijter en HR 26 juni 2009, NJ 2010, 664, LJN BH9284, Wiggers/Makelaardij Sneek). Dit betekent dat door [eisers]. feiten en omstandigheden moeten worden gesteld, en bij voldoende gemotiveerde betwisting moeten worden bewezen, op grond waarvan zij mochten aannemen dat [gefailleerde], handelend onder de naam [handelsnaam], hun contractspartij was.

De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

4.3. De eerste overeenkomst vangt aan met ‘[handelsnaam] by [bedrijf2].’. [eisers]. stellen aan de hand van voorbeelden dat in het normale spraakgebruik de toevoeging ‘by’ betekent dat [bedrijf2] de ontwerpende partij was. De curator voert aan de hand van voorbeelden aan dat in het algemene spraakgebruik de toevoeging ‘by’ betekent dat [bedrijf2] de verkopende partij is. Doordat uit de verschillende voorbeelden die [eisers]. en de curator ter comparitie hebben aangehaald, blijkt dat de toevoeging ‘by’ zowel kan betekenen dat [bedrijf2] de ontwerpende partij was, als dat zij de verkopende partij was, biedt de aanhef van de overeenkomst geen duidelijkheid ten aanzien van de betrokkenheid van [bedrijf2] (later genaamd [bedrijf1].) bij de overeenkomst.

4.4. Tussen partijen staat vast dat de eerste overeenkomst weliswaar is ondertekend door [betrokkene1], maar tevens, even zoals de bijlagen, is vastgelegd op briefpapier van [handelsnaam]. Voorts hebben [eisers]. onweersproken gesteld dat zij een eerste, mondelinge, aanbieding inzake het motorjacht hebben ontvangen van [handelsnaam] en dat tussen ‘partijen’, dit wil zeggen tussen hen en [handelsnaam], uitvoerig in de Duitse taal is gesproken over de bouw en de specifieke uitvoering van dit jacht. Voorts hebben [eisers]. onweersproken gesteld dat zij daaraanvolgend op 1, 20 en 28 maart en 12 april 2000 brieven en faxen met betrekking tot de aankoop van het motorjacht hebben ontvangen en dat dit alles was gesteld op briefpapier van [handelsnaam], waarbij in de brief van 20 maart 2000 uitdrukkelijk werd verwezen naar het KvK-nummer 22439 van [handelsnaam]. Verder hebben [eisers]. onweersproken gesteld en met bewijsstukken aangetoond dat zij ook daarna in 2000 en in 2001 verschillende brieven, faxen, facturen en een eerste Teileigentumsübertragung ontvingen, alles op briefpapier van [handelsnaam] en onder vermelding van het KvK-nummer van [handelsnaam] en de website [bedrijf1] [eisers]. hebben daarbij onweersproken aangevoerd dat op bovengenoemde facturen het rekeningnummer van [handelsnaam] stond vermeld en dat naar dit rekeningnummer door hen c.q. een tussenpersoon zowel het bedrag van de eerste aanbetaling (€ 20.707,00) als de bedragen van de btw-verlegging en de tweede betalingstermijn (€ 26.636,90 en € 51.768,00) zijn overgemaakt. De op naam van [handelsnaam] gesteldeTeileigentumsübertragung nr. 1 is ondertekend door [gefailleerde], zijnde [gefailleerde].

[eisers]. stellen dat zij voor het eerst op 8 januari 2002 een factuur ontvingen, die gedrukt was op briefpapier waarop ‘[bedrijf1]]’ stond vermeld, hetgeen ook stond op de bijgevoegde tweede Teileigentumsübertragung, welke tweede deeleigendomsoverdracht, evenals de eerste, was ondertekend door [gefailleerde]. Dit gold ook voor de volgende factuur en de Teileigentumsübertragung nr. 3 d.d. 10 juli 2002.

[eisers]. wijzen erop dat op deze latere facturen en deeleigendomsoverdrachten, anders dan bij de eerste, niet wordt verwezen naar een inschrijving in het handelsregister, terwijl de rechtbank constateert dat ook niet wordt vermeld dat het ging om een onderneming van een Nederlandse besloten vennootschap, in welk geval de vermelding van het KvK-nummer verplicht is.

4.5. Met dit een en ander hebben [eisers]. naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs bijgebracht voor hun standpunt dat zij de eerste overeenkomst hebben gesloten met [gefailleerde]. Indien en voor zover [eisers]. daarbij en bij de uitvoering daarvan hebben gesproken en feitelijk gehandeld met de heer [betrokkene1], konden en mochten zij ervan uitgaan dat [betrokkene1] optrad als vertegenwoordiger van [gefailleerde], die de betalingen in ontvangst heeft genomen en de eerste deeleigendomsoverdrachten heeft ondertekend.

4.6. De curator heeft hier onvoldoende tegenover gesteld om toegelaten te kunnen worden tot tegenbewijs. In het bijzonder verwerpt de rechtbank zijn zienswijze dat de tweede overeenkomst zou kwalificeren als een vaststellingsovereenkomst, bij welke overeenkomst alsnog zou zijn vastgesteld dat de oorspronkelijke overeenkomst was tot stand gekomen tussen [bedrijf1]. en [eisers]. [gefailleerde] was geen partij bij deze tweede overeenkomst, die werd gesloten tijdens haar surseance en zonder de vereiste medewerking van de bewindvoerder (thans curator). Deze nadere overeenkomst tussen [eisers]. en een andere partij kon de rechtsverhouding tussen [eisers]. en [gefailleerde] niet nader vaststellen of wijzigen.

4.7. Evenzo faalt het standpunt van de curator dat uit het feit, dat [eisers]. hem in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en curator niet hebben verzocht om aan te geven of hij bereid was de overeenkomst gestand te doen, blijkt dat [eisers]. [gefailleerde] c.q. [handelsnaam] niet zagen als hun contractspartij. [eisers]. hebben te dien aanzien ter comparitie verklaard dat zij, direct nadat zij hoorden dat [handelsnaam] in surseance van betaling verkeerde, contact hebben opgenomen met de bewindvoerder en dat deze toen tegen hen heeft gezegd dat niet duidelijk was hoe het verder zou lopen. De curator heeft niet tegengesproken dat hij dit toen tegen [eisers]. heeft gezegd en de curator heeft ter comparitie van zijn kant (alsnog) erkend dat het evident was dat [handelsnaam] door een gebrek aan geld zelf niet in staat was het schip af te bouwen.

4.8. De bewindvoerder c.q. curator was dus niet in staat om de overeenkomst gestand te doen. Waar voorts heeft te gelden dat [eisers]. buitenlandse consumenten zijn en niet verondersteld konden worden bekend te zijn met de desbetreffende regeling in de Nederlandse faillissementswet en gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder c.q. curator zich naar aanleiding van hun contact verder heeft verdiept in deze kwestie en [eisers]. vervolgens heeft gewezen op hun rechten en plichten als schuldeisers in de surseance c.q. het faillissement van [gefailleerde] c.q. [handelsnaam], kan de curator [eisers]. thans in redelijkheid niet tegenwerpen dat zij niet de formele weg van de artikelen 236 en 37 Fw hebben gevolgd en in plaats daarvan hebben geprobeerd om middels een afbouwovereenkomst met [bedrijf1]. hun schade zoveel mogelijk te beperken. Uit hun actie kon en kan de curator in redelijkheid niet afleiden dat [eisers]. hebben erkend dat niet [gefailleerde] c.q. [handelsnaam], maar [bedrijf1]. hun oorspronkelijke contractspartij was, noch dat zij hun rechten jegens de boedel, in het bijzonder hun aanspraak op schadevergoeding, hebben verwerkt of daarvan afstand hebben gedaan.

4.9. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de eerste overeenkomst door [eisers]. met [gefailleerde], handelend onder de naam [handelsnaam], is gesloten. Gezien de tussen partijen overeengekomen levertermijn, april-mei 2001, was [gefailleerde] reeds geruime tijd in verzuim toen zij in surseance kwam te verkeren. De bewindvoerder en [gefailleerde] en thans de curator waren niet bij machte om de overeenkomst alsnog verder na te komen en het jacht af te bouwen en nu kan dat niet meer omdat het jacht intussen gedeeltelijk door een ander is afgebouwd en inmiddels is verkocht. [eisers]. hebben vanwege de toerekenbare tekortkomingen van [gefailleerde] aanspraak op schadevergoeding.

4.10. Wat betreft de omvang van die voor vergoeding in aanmerking komende schade overweegt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de bedragen die [eisers]. hebben betaald aan [gefailleerde] en dat daarvan de waarde van het door [gefailleerde] geleverde dient te worden afgetrokken.

4.11. De curator heeft niet betwist dat [eisers]. in totaal € 310.611,00 hebben betaald aan [gefailleerde] en/of op de door [gefailleerde] vóór haar surseance aangewezen rekening van [bedrijf1]. Dit bedrag is het uitgangspunt.

Oorspronkelijk hadden [eisers]. in hun conclusie van eis ook nog hun betalingen aan [bedrijf1]. op basis van de tweede overeenkomst ten bedrage van in totaal € 60.000,00 als schade opgevoerd, maar dit hebben zij, na het verweer van de curator, ter comparitie laten varen.

4.12. Van hun betalingen aan [gefailleerde] moet worden afgetrokken de waarde van het door [gefailleerde] geleverde werk. In beginsel is dat de waarde van het casco zoals [gefailleerde] dat in onvoltooide staat heeft opgeleverd, dus de waarde ten tijde van haar surseance.

4.13. [eisers]. beroepen zich ter zake op een op hun verzoek opgemaakt taxatierapport van Wolff Engineering van 28 mei 2004, waarbij die waarde is gesteld op € 88.200,00. [eisers]. nemen echter niet deze taxatiewaarde tot uitgangspunt, maar de opbrengst van het casco bij de latere verkoop daarvan op 27 augustus 2005. Dit was € 81.000,00.

De curator betwist dat deze opbrengst relevant is. Hij stelt dat hij niet is betrokken bij de verkoop van het casco en hij betwist dat dit de hoogst mogelijke verkoopwaarde was. Dit verweer slaagt. [eisers]. hebben onvoldoende gesteld om aan [gefailleerde] toe te kunnen rekenen dat het casco uiteindelijk bij de verkoop daarvan minder heeft opgebracht dan de taxatiewaarde. Dat kan immers evengoed het gevolg zijn van omstandigheden, zoals marktontwikkelingen, die voor risico van [eisers]. dienen te blijven, mede omdat [eisers]. de curator niet hebben betrokken bij deze verkoop.

4.14. Dit betekent dat de rechtbank zal uitgaan van de door [eisers]. gestelde en met een rapport onderbouwde taxatiewaarde. De curator betwist bij gebrek aan wetenschap de deskundigheid en onafhankelijkheid van de taxateur en daarmee de uitkomst van het taxatierapport met als waarde van het casco € 88.200,00. Aan deze betwisting gaat de rechtbank voorbij. De curator heeft onvoldoende gesteld om aan de deskundigheid van

[betrokkene2] te twijfelen en de curator heeft tegenover diens rapport en de uiteindelijk door [eisers]. gerealiseerde verkoopopbrengst niet gesteld en ook niet te bewijzen aangeboden welke waarde dan wel reëel zou zijn.

4.15. Ter comparitie hebben [eisers]. betoogd dat de getaxeerde waarde (c.q. de verkoopopbrengst) niet gelijk staat aan de waarde van het door [gefailleerde] opgeleverde, onvoltooide, casco, omdat zij op basis van de tweede overeenkomst nog € 60.000,00 aan [bedrijf1]. hebben betaald en [bedrijf1]. hiervoor materialen in het casco heeft verwerkt, waaraan een waardevermeerdering van € 30.000,00 kan worden toegekend. Ook dit is betwist door de curator, die [eisers]. aanrekent dat hij niet is betrokken bij de taxatie. Volgens de curator is nu niet meer vast te stellen wat de juiste waarden zijn en dus ook niet wat de waarde zou zijn van het door [bedrijf1]. toegevoegde werk.

4.16. Op zichzelf heeft de curator hier wel een punt. De rechtbank constateert dat de omvang van de betalingen aan [handelsnaam] van € 310.611,00 in wanverhouding staat tot de taxatiewaarde van het door haar opgeleverde, onvoltooide, casco van (maximaal) € 88.200,00 en dat niet erg aannemelijk is dat ook nog eens bijna een derde van deze taxatiewaarde zou kunnen worden toegerekend aan de posterieure toevoegingen van [bedrijf1]., waarvoor [eisers]. € 60.000,00 hebben betaald. Nu het casco niet meer beschikbaar is voor nader onderzoek, zal de rechtbank deze toegevoegde waarde begroten en schatten op de voet van artikel 6:97 BW. [eisers]. hebben in totaal € 310.611,00 + € 60.000,00 = € 370.611,00 geïnvesteerd in een casco waarvan de waarde is getaxeerd op € 88.200,00. Daarvan kan bij gebreke van een andere indicatie 60.000/370.611de deel worden toegerekend aan de toevoegingen van [bedrijf1]. Dit komt neer op een toegevoegde waarde van 0,1618948 x € 88.200,00 = € 14.279,12. De rechtbank zal dit bedrag aftrekken, zodat de waarde van het door [gefailleerde] opgeleverde werk kan worden gesteld op € 88.200,00 - € 14.279,12 = € 73.920,88.

4.17. De voor vergoeding in aanmerking komende schade van [eisers]. bedraagt daarmee € 310.611,00 - € 73.920,88 = € 236.690,12. Tot dit bedrag kan de vordering tot verificatie en erkenning in het faillissement van [gefailleerde] worden toegewezen.

4.18. [eisers]. maken verder nog aanspraak op vergoeding van schade ten gevolge van de verdwijning van twee LCD-monitoren van samen € 1.800,00 die zij op 14 november 2002 aan [gefailleerde] hebben afgegeven en die op 3 februari 2004 niet meer zijn aangetroffen.

[eisers]. hebben echter, tegenover de betwisting door de curator, niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat twee LCD-monitoren van genoemde waarde aan [gefailleerde] zijn afgegeven en zij hebben evenmin, althans onvoldoende, onderbouwd aangegeven dat, wanneer en hoe deze monitoren zijn verdwenen en aan wie dit zou moeten worden toegerekend. Die waarde blijkt niet uit de ter comparitie overgelegde Aktennotiz en die schermen kunnen evengoed zijn verdwenen bij [bedrijf1].

Hun vordering wordt op dit onderdeel afgewezen.

4.19. [eisers]. stellen voorts dat [gefailleerde] verantwoordelijk is voor door hen geleden schade ter zake van gemaakte reiskosten. Door alle problemen hebben zij 23 maal heen en weer moeten reizen tussen hun woonplaats en [plaats], en terug, zijnde een afstand van 900 kilometer, aldus [eisers]. Indien gewenst kunnen zij een specificatie van de reisdagen verschaffen. Uitgaande van een kilometervergoeding van € 0,30 bedraagt deze schade totaal € 6.210,00, aldus [eisers].

Ook deze, door de curator gemotiveerd betwiste, vordering wordt als onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd afgewezen. Het had op de weg van [eisers]. gelegen om deze schadepost en de verifieerbaarheid daarvan ter comparitie nader te onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan.

4.20. De curator zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eisers]. op:

- vast recht € 267,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2 punten x tarief € 2.000,00)

Totaal € 4.267,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verifieert en erkent de vordering van [eisers]. in het faillissement van [gefailleerde], handelend onder de naam [handelsnaam], tot een bedrag van € 236.690,12,

5.2. beveelt de curator de vordering van [eisers]. voor een bedrag van € 236.690,12 te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende schuldeisers in het faillissement van [gefailleerde], handelend onder de naam [handelsnaam];

5.3. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [eisers]. tot op heden begroot op € 4.267,00;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde;

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.