Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BY0222

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
210309
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De slotsom is dat eiseres is geslaagd in het bewijs. Aangenomen moet worden dat gedaagden eiseres in het ongewisse hebben gelaten over de inhoud en betekenis van de verklaring van 27 november 2009. De omstandigheid dat gedaagden deze verklaring zonder genoegzame uitleg aan eiseres ter tekening hebben voorgelegd brengt in de hiervoor geschetste omstandigheden met zich dat aangenomen moet worden dat zij eiseres bij het tekenen van bedoelde verklaring hebben misleid en dat zij onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld. Zij zijn daarom gehouden de als gevolg daarvan door eiseres geleden schade te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 210309 / HA ZA 10-2622

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats]

eiseres,

advocaat mr. H.J.M.G.M. van der Meijden te Harderwijk,

tegen

1. [ged.1],

wonende te [woonplaats],

2. [ged.2],

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. B.J.G.L. Jaeger te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres], [ged.2] en [ged.1] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2012

- de processen-verbaal van getuigenverhoor van 2 november 2011 en 11 mei 2012

- de conclusie na getuigenverhoor tevens akte houdende verzoek tot schorsing ex art. 225 lid 1 Rv.,

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor, tevens antwoordakte.

Daarna is vonnis bepaald.

De (verdere) beoordeling van het geschil

1. [ged.2] is op 8 februari 2012 overleden. [eiseres] heeft daarom verzocht de procedure te schorsen, om de erfgenamen van [ged.2] in de gelegenheid te stellen in het geding te verschijnen. [ged.1] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

2. Bevoegd tot schorsing is uitsluitend de partij aan wier zijde de schorsingsoorzaak zich voordoet (artikel 225 lid 2 Rv.). [eiseres] is dus niet bevoegd schorsing van de procedure te verzoeken, zodat haar verzoek reeds daarom moet worden afgewezen. Omdat [ged.1] niet om schorsing van de procedure heeft verzocht, dient het geding ingevolge artikel 225 lid 2 Rv. te worden voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij, [ged.2] en [ged.1]. Zij zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [ged.1] c.s.

3. In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de vordering tot het doen van rekening en verantwoording overwogen en beslist dat [eiseres] rekeninghouder was van de Zwitserse bankrekening, dat [ged.1] c.s. van die bankrekening ieder een volmacht hadden en dat zij daarom niet gehouden zijn tot het doen van een algehele rekening en verantwoording jegens [eiseres], maar slechts tot het doen van rekening en verantwoording over het gebruik van hun volmacht.

Met die beslissing is [eiseres] het kennelijk niet eens. Volgens haar is haar bankrekening en deposito (nr[nummer]) op 16 april 2002 overgeboekt (’saldiert’) naar een bankrekening met nummer [nummer] en is deze nieuwe rekening toen op naam gezet van [ged.1]. [eiseres] had van die rekening enkel een volmacht.

4. [ged.1] c.s. hebben in hun reactie daarop gesteld dat er geen reden is om van deze beslissing terug te komen, maar uit de feitelijke onderbouwing van het verweer volgt dat zij erkennen dat de rekening met voormeld nummer op naam stond van [ged.1]. Dat dat zo is volgt bovendien uit de navolgende brieven:

a. een brief van 24 februari 2001 waarin [eiseres], vooruitlopend op de overboeking naar de nieuwe rekening, aan een medewerker van Credit Suisse, heeft geschreven:

“ Refering tot the discussion you had with [ged.1] and P.J. [ged.2] in Davos at 5th of February, I have deceided to close my account.

The credit has to be transported to a new account of which [ged.1] is the owner. I will have a authorisation on this new account”.

b. een brief van [ged.1] aan [eiseres] van 4 augustus 2010, waarin zij onder meer heeft geschreven:

“Wat betreft het op naam stellen van de rekening, verbaast het me buitengewoon dat je weigert een wezenlijk feit te erkennen, namelijk dat de rekening in Z. al jaren op mijn naam stond”.

c. een brief van [eiseres] van 8 augustus 2011, waarin zij aan Credit Suisse verzoekt haar een overzicht te doen toekomen van alle mutaties van en naar haar rekening met laatstgenoemd nummer vanaf het openen van die rekening (zulks naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank in het laatste tussenvonnis onder 4.11) en het antwoord daarop van Credit Suisse aan [eiseres] van 11 augustus 2011, waaruit blijkt dat de bank die gegevens niet aan [eiseres] mag geven, omdat met de opheffing van deze rekening ook de volmacht van [eiseres] is geëindigd. Daaruit moet worden afgeleid dat [eiseres] een volmacht had voor deze rekening en dat een ander, naar aangenomen moet worden [ged.1], de rekeninghouder was.

Credit Suisse heeft immers geschreven:

“Wir beziehen uns auf Ihr Schreiben vom 8. August 2011.

Leider müssen wir Ihnen mitteilen, dass wir Ihnen die gewünschte Auskunft nicht erteilen können.

Generell können wir Ihnen sagen, dass nach Saldierung einer Bankbeziehung eine Vollmacht grundsätzlich untergeht. Nach dem Erlöschen der Vollmacht haben Banken gegenüber einem früher Bevollmächtigten wieder das Bankgeheimnis zu wahren und zwar auch bezüglich Vorgängen während der Zeit, als die Vollmacht noch bestand”.

5. Als vaststaand moet dan ook worden aangenomen, dat de op 16 april 2002 bij de Credit Suisse geopende rekening met nummer [nummer] vanaf die datum tot aan het moment van het opheffen van die rekening op 17 december 2009 (toen het saldo werd overgeboekt naar de Stichting Particulier Fonds Dacelo Leachii) op naam heeft gestaan van [ged.1]. Omdat de partijen het erover eens zijn dat [eiseres] de rechthebbende was/bleef van haar vermogen, moet worden aangenomen dat de partijen met het overboeken van het vermogen op een rekening ten name van [ged.1] hebben beoogd een overeenkomst van opdracht (lastgeving) met elkaar aan te gaan. Dat [eiseres] van een overboeking van haar vermogen op bedoelde rekening niet heeft geweten, zoals zij eerder heeft aangevoerd, is zonder verdere toelichting en gegeven de inhoud van de onder 4.a bedoelde brief, onaannemelijk. Dat betekent dat aangenomen moet worden dat [ged.1] c.s. gedurende de periode van 16 april 2002 tot aan het moment van de overboeking van het saldo van deze rekening naar een rekening van de Stichting op 17 december 2009, het volledige beheer over deze rekening hebben gehad. [ged.1] c.s. zijn dan ook op grond van artikel 7:403 BW gehouden tot het doen van een algehele rekening en verantwoording omtrent hun beheer over het aan hen toevertrouwde vermogen van [eiseres] op voormelde bankrekening gedurende de hiervoor bedoelde periode. De rechtbank zal in zoverre terugkomen van haar in het laatste tussenvonnis gegeven beslissing. Wat betreft deze rekengerechtigdheid overweegt de rechtbank nog dat, indien en voor zover rekening moet worden afgelegd en voor zover, zoals in dit geval, geen sprake is rekenplichtigheid ten overstaan van de rechter, de rekening en verantwoording moeten worden afgelegd jegens degene wiens inkomen en vermogen is beheerd, [eiseres] dus. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om, alvorens op dit onderdeel verder te beslissen, [ged.1] eerst de gelegenheid te geven bij akte in het geding te brengen informatie van Credit Suisse waaruit de mutaties van de Zwitserse bankrekeningen (nrs[nummer] en [nummer]) over de periode van 5 februari 2001 tot 17 december 2009 blijken, met, waar nodig, een toelichting. [eiseres] zal daarop mogen reageren bij antwoord-akte.

6. Naar aanleiding van het laatste tussenvonnis heeft [eiseres] ook bezwaren aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank dat vanaf het moment dat het vermogen is overgemaakt naar de Stichting, de Stichting het vermogen is gaan beheren en dat [ged.1] c.s. over dit beheer niet kunnen worden aangesproken. Hoewel de rechtbank de bevoegdheid heeft om in bepaalde gevallen van bindende eindbeslissingen terug te komen, ziet zij in hetgeen [eiseres] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken. De beslissing berust immers niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Uit de bezwaren van [eiseres] blijkt dat zij het niet eens is met de beoordelingen van de rechtbank. Daarvoor bestaat echter (alleen) de mogelijkheid van hoger beroep. Voor het overige wordt dan ook gebleven bij hetgeen eerder is overwogen en beslist.

7. In het laatste tussenvonnis is aan [eiseres] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden die meebrengen dat zij op onrechtmatige wijze is bewogen de brief van 27 november 2009 te tekenen.

8. [eiseres] heeft, naast zichzelf, als getuigen doen horen [getuige1] en [ged.1]. In de contra enquête is [eiseres] als getuige gehoord.

9. Bij de waardering van het bewijs wordt vooropgesteld dat de verklaring van [eiseres] als partijgetuige is onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv. De vraag is of die verklaring voldoende steun vindt in aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.

10. De getuigen hebben, voor zover van belang, het volgende verklaard.

[getuige1]:

“Ik ben adviseur en fiscalist van de familie [ged.2] (….). Ik heb (…) de verklaring van 27 november 2009 niet opgesteld (…). Ik ben niet aanwezig geweest bij de ondertekening van de verklaring. Ik heb ook niet gesproken met mevrouw [eiseres] over de verklaring. Ik heb dit alleen besproken met de familie [ged.2]”.

(…)

(Op vragen van mr. Van der Meijden):

“Ik heb niet gesproken met de familie [ged.2] over andere mogelijkheden dan liquidatie van de Stichting. Ik heb ook niet met hen gesproken over het overmaken van het geld op een andere bankrekening. Ik heb wel met de familie gesproken over de vraag of het zinvol was om de liquidatie door te spreken met mevrouw [eiseres]. Het antwoord daarop was ja, maar ik heb uiteindelijk niet met mevrouw [eiseres] de liquidatie doorgesproken. Ik heb meerdere malen contact gehad met de familie [ged.2]. Zij gaven mij toen aan dat mijn uitleg niet nodig was, omdat zij het al uitvoerig op meerdere momenten met mevrouw [eiseres] hadden doorgesproken. Ik heb dit meerdere malen van de heer [ged.2] gehoord”.

[ged.1]

“U vraagt mij naar de totstandkoming van de verklaring van 27 november 2009. Ik antwoord dat ik met deze verklaring naar mijn tante toe ben gegaan en heb gezegd dat het geld naar de Rabobank zou gaan en gevraagd of ze de verklaring wil ondertekenen. Dat heeft zij toen gedaan. Ik weet niet meer welke dag dat precies was (…). Ik was op dat moment alleen. De ondertekening vond plaats in haar flat in Voorst. Ik was al eerder met mijn man naar mijn tante gegaan. Dat was denk ik twee weken daarvoor. Wij waren toen met z’n tweeën bij mijn tante in haar flat in Voorst. Wij hebben toen uitgelegd dat er een wetswijziging zal komen en dat het advies was om de Stichting op te heffen. Zij heeft dat toen begrepen. Zij zei ja of zo. Ze zei in ieder geval niet dat heb ik niet begrepen. Wij hebben op dat moment niet gesproken over een bankrekeningnummer waarop dat geld zal worden overgemaakt (…)”.

(Op vragen van mr. Van der Meijden):

“Mijn tante was op 27 november, toen ik daar was, niet ziek. Zij lag wel in bed en keek televisie. Ik weet niet meer of ik de verklaring letterlijk heb voorgelezen. Ik weet ook niet meer of ik het aan haar heb gegeven om door te lezen. Mijn tante keek op dat moment T.V.. De televisie ging wat zachter en ik heb verteld dat het geld op de Rabobank komt. Dat hadden zij nog niet besproken.

Bij de afwikkeling van de Stichting heb ik niet met mijn tante gesproken over andere mogelijkheden voor de afwikkeling. Daar was geen reden voor. Wij hebben ook niet gesproken over de € 35.000 vanaf 2007. Wij hebben ook niet gesproken over de omstandigheid dat er sprake is van een wijziging van situatie in die zin dat er geen sprake was van een overlijdenssituatie maar van het opheffen van de Stichting. Wij hebben ook niet gesproken over het feit dat mevrouw [eiseres] een ander besluit had kunnen nemen (…).”

(Op vragen van mr. Jaeger):

“Mr. Van der Meijden houdt mij mijn verklaring uit het proces-verbaal van comparitie van 29 juni 2011 voor, waarin ik verklaar dat de brief van 27 november in Spanje in het bijzijn van mijn man en mr. [getuige1] is getekend. Dit klopt niet”.

[eiseres]:

“U leest mij integraal de brief van 27 november 2009 voor. Die brief ken ik niet, ik weet er niets van. U houdt mij voor dat in het vonnis is vastgesteld dat de handtekening onder die brief afkomstig is van mij. Ik antwoord u daarop dat ik driemaal mijn handtekening heb gezet en als ik dan vroeg naar de inhoud van het stuk werd mij gezegd dat het niets bijzonders was (…). Ik heb in goed vertrouwen getekend. Meestal kwam [ged.1] met de vraag iets te ondertekenen. Als ik dan vroeg wat het was dan zei ze dat haar man zou komen om het uit te leggen, maar dat gebeurde niet. Ik vertrouwde haar, zij had een volmacht (…). Op uw vraag of in een eerder stadium met mij is gesproken over de geplande gang van zaken, de liquidatie van de stichting en de storting van het geld op rekening van [ged.2] en [ged.1] antwoord ik: ik wist daar niets van (…).

Op 27 november was ik ziek, ik had griep. Ik zat in bed. Ze gaf mij een papier waarover ik hiervoor heb verklaard. Haar man zou het uitleggen, maar dat is dus niet gebeurd. Ik heb het stuk niet gelezen, ik kan namelijk heel slecht zien.

U houdt mij voor (…) dat mijn nicht heeft verklaard dat ze me die dag heeft verteld dat het geld op de Rabobank komt. Dat heeft ze me die dag niet gezegd”.

(Op vragen van mr. Van der Meijden):

“U vraagt mij naar de gevolgen van mijn slechtziendheid. Zonder loep kan ik niet lezen (…). Als ik ermee lees gaat dat woordje voor woordje met mijn vinger bij de woordjes. Het kost veel tijd om te begrijpen wat er staat, ik moet het omdat ik woordje voor woordje lees soms wel drie keer lezen. Met mijn linkeroog zie ik niets en met mijn rechteroog heel slecht.

U houdt mij voor dat ik dus vaak brieven aan mij laat voorlezen. En u vraagt mij of ik daarvan wat betreft de inhoud van het geschrift dan afhankelijk ben. Ik antwoord daarop dat dat zo is, maar dat ik dat dan ook alleen laat doen door mensen die ik kan vertrouwen (…).

U houdt mij de letter of wishes voor en wijst in het bijzonder op de laatste regel daarvan, waar staat dat ik de mogelijkheid behoud om tijdens mijn leven de opsomming van suggesties en wensen zoals in die brief opgenomen te vervangen door een andere. U vraagt mij of ik op de laatste regel, dus op de wijzigingsmogelijkheid, ben gewezen in verband met de beëindiging van de stichting, de trust. Ik antwoord u daarop: nee, zoals ik al zei wist ik van de stichting helemaal niets af. U vraagt mij of ik er mij op 27 november of daaromtrent, terwijl ik op mijn bed zat en de brief ondertekende ervan bewust was dat daarmee het geld werd overgemaakt op de Rabo-rekening van mijn nicht. Ik antwoord daarop: absoluut niet. Dan zou ik niet hebben getekend als ik dat had geweten. Ik ga toch niet terwijl ik leef mijn spaargeld weggeven (…)”.

11. Ook na de getuigenverhoren is onduidelijk gebleven wie de verklaring van 27 november 2009 heeft opgesteld. Op grond van de onweersproken verklaring van de getuige [getuige1] moet worden aangenomen dat hij in elk geval niet bij de totstandkoming daarvan is betrokken.

De verklaringen van de getuigen stemmen in zoverre met elkaar overeen, dat daaruit volgt dat de ondertekening van de onderhavige verklaring heeft plaatsgevonden omstreeks 27 november 2009 ten huize van [eiseres] in Voorst en dat daarbij alleen [eiseres] en [ged.1] aanwezig waren. Verder volgt uit die verklaringen dat [ged.1] c.s. er niet voor hebben gekozen [eiseres] door hun financieel adviseur [getuige1] te laten voorlichten over de liquidatie van de Stichting en de gevolgen daarvan en evenmin over de vraag wat er met het geld van de Stichting zou moeten/kunnen gebeuren. Op grond van de verklaring van de getuige [ged.1] moet worden aangenomen dat [ged.2] en/of [ged.1] op enig moment vóór 27 november 2009 niet met [eiseres] hebben besproken wat er met het geld moest gebeuren. [ged.1] heeft wel verklaard dat zij en haar man tevoren met [eiseres] hebben gesproken over een wetswijziging en het advies de Stichting te liquideren, maar over de storting van het geld op een rekening bij de Rabobank ten name van [ged.2] en/of [ged.1] is niet gesproken, zo volgt eveneens uit die verklaring. De Rabobankrekening is kennelijk voor het eerst ter sprake gekomen bij het ondertekenen van de verklaring door [eiseres] omstreeks 27 november 2009. Volgens [ged.1] heeft zij toen tegen [eiseres] gezegd “dat het geld naar de Rabobank zou gaan”. Dat [ged.1] daarbij tevens heeft verteld dat die rekening op haar naam stond, en dus dat het feitelijk een schenking betrof, heeft [ged.1] niet verklaard. Deze enkele mededeling van [ged.1], gedaan in de situatie dat [eiseres] daarop niet was voorbereid en op een moment dat zij in bed lag en televisie keek, is onvoldoende om aan te nemen dat [eiseres] de betekenis van de door haar te ondertekenen verklaring heeft begrepen. [ged.1] had dat ook moeten onderkennen.

12. Onder die omstandigheden had [ged.1] niet mogen volstaan met het enkel noemen van “de Rabobankrekening”. Zij had duidelijk moeten maken dat het ging om de storting van een aanzienlijke som geld op een rekening die op haar naam stond. Met andere woorden, zij had moeten zeggen dat het feitelijk een schenking betrof en zij had zich ervan moeten vergewissen dat [eiseres] dat begreep voordat zij tot ondertekening overging. [ged.1] had daartoe de verklaring letterlijk aan [eiseres] kunnen voorlezen, of [eiseres] de gelegenheid kunnen geven de verklaring zelf te lezen. [ged.1] heeft daarover verklaard dat zij niet meer weet of zij het een en/of ander heeft gedaan. Het komt de rechtbank echter onwaarschijnlijk voor dat het letterlijk voorlezen van een brief met een zo verstrekkend gevolg - [ged.1] zou daarmee immers een groot bedrag op haar bankrekening krijgen - in de herinnering wegzakt. Datzelfde geldt voor het laten lezen van de brief door [eiseres] zelf. Uit de verklaring van de behandelend oogarts van [eiseres], [arts1], verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Rotterdam, van 13 oktober 2011 volgt dat [eiseres] dat slechts met hulpmiddelen kan vanwege een ernstige beperking aan haar gezichtsvermogen. Als [eiseres] het zou hebben gelezen, zou [ged.1] dat niet zijn vergeten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [ged.1] de brief niet aan [eiseres] heeft voorgelezen en dat zij [eiseres] evenmin de gelegenheid heeft gegeven de brief zelf te lezen alvorens deze te ondertekenen.

Ten slotte is nog van belang dat uit de verklaringen van [ged.1] volgt dat zij [eiseres] niet heeft ingelicht over andere mogelijkheden voor de afwikkeling, en over de € 35.000 die vanaf 2007 bij wijze van renteloze lening aan [eiseres] zou worden verschaft, zoals dat was vastgelegd in de letter of wishes van 2 november 2007.

13. De slotsom is dat [eiseres] is geslaagd in het bewijs. Aangenomen moet worden dat [ged.1] c.s. [eiseres] in het ongewisse hebben gelaten over de inhoud en betekenis van de verklaring van 27 november 2009. De omstandigheid dat [ged.1] c.s. deze verklaring zonder genoegzame uitleg aan [eiseres] ter tekening hebben voorgelegd brengt in de hiervoor geschetste omstandigheden met zich dat aangenomen moet worden dat zij [eiseres] bij het tekenen van bedoelde verklaring hebben misleid en dat zij onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld. Zij zijn daarom gehouden de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade te vergoeden. De schade kan voorshands worden begroot op, zoals al in het laatste tussenvonnis is overwogen, het bedrag van de vordering, ad € 1.113.000,--. Deze vordering zal daarom te zijner tijd worden toegewezen.

14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 november 2012 voor het nemen van een akte aan de zijde van [ged.1] c.s. over hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5 is overwogen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.

Coll.: ED