Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9568

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
167754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident art. 843a Rv. Vordering afgewezen.

Partijen kunnen aan artikel 22 Rv geen rechts afdwingbare aanspraken jegens elkaar ontlenen en dus evenmin hierop een vordering baseren.

Met inachtneming van de in de hoofdzaak door Source ingenomen standpunten kunnen de gevraagde bescheiden relevant zijn voor de verdere beoordeling van het geschil in die hoofdzaak. De rechtbank ziet daarom aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid ex artikel 22 Rv en zal KEMA bevelen een afschrift van de onder 2.2 sub 1 tot en met 5 genoemde bescheiden over te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 167754 / HA ZA 08-438

Vonnis in incident van 26 september 2012

in de zaak van

de vennootschap naar Engels recht

SOURCE LIMITED,

gevestigd te Weybridge, Surrey, Verenigd Koninkrijk,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.M.W. Werker te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEKRA CERTIFICATION B.V., voorheen KEMA QUALITY B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. de naamloze vennootschap

N.V. KEMA,

gevestigd te Arnhem,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eiseressen in reconventie in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Eiseres zal hierna Source worden genoemd, gedaagden gezamenlijk KEMA.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 mei 2012

- de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv en artikel 22 Rv

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in het incident

2.1. In de hoofdzaak heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 23 mei 2012 in rechtsoverweging 2.5 het volgende overwogen:

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door Source tot op heden in het geding gebrachte stukken nog niet voldoende bewijs op voor de door haar gestelde tekortkomingen aan de zijde van KEMA. In het bijzonder kan aan de schriftelijke verklaringen van de heren Lai, Pan, Wong en Lu niet dezelfde bewijskracht worden toegekend als aan de verklaringen die zij als getuige ten overstaan van de rechter en onder ede zouden hebben afgelegd. De rechtbank zal Source daarom toelaten tot nadere bewijslevering. Gelet op rechtsoverweging 2.24 van het tussenvonnis van 30 november 2011 en met inachtneming van hetgeen Source in haar akte stelt, dient Source zich daarbij te beperken tot bewijslevering van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat:

1. er bij de Final Random Inspections (FRI’s) van KEMA geen ‘eenvoudige aselecte steekproef’ (“ad random”) van de te inspecteren sieradendoosjes heeft plaatsgevonden,

2. KEMA te weinig sieradendoosjes heeft geïnspecteerd,

3. er sprake is van willekeurige kwalificatie van gebreken in de rapporten van KEMA; eenzelfde gebrek in eenzelfde gradatie heeft een andersoortige kwalificatie - ‘major’ dan wel ‘minor’ - gekregen,

4. er een algemene (internationale) norm/regel voor inspectiebureaus geldt alsook een interne regel bij KEMA, die inhoudt dat geïnspecteerde sieradendoosjes na de inspectie moeten worden gemarkeerd of geseald of op andere wijze gemerkt of herkenbaar gemaakt en dat KEMA zich niet aan deze norm heeft gehouden, alsmede dat KEMA in strijd met haar interne klachtregeling geen grondig intern onderzoek heeft verricht en vervolgens een onderzoeksrapport heeft opgesteld en aan Source ter beschikking gesteld, nadat Source de problemen met de sieradendoosjes bij KEMA had gerapporteerd,

5. Source aan KEMA heeft aangegeven dat sieradendoosjes met lijmresten als ‘major non-conformity’ moesten worden gekwalificeerd en dat KEMA zich niet aan deze additionele eis heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit de belangrijkste, door Source gestelde tekortkomingen aan de zijde van KEMA.

2.2. Source stelt thans dat zij onder andere is opgedragen te bewijzen op welke wijze KEMA in strijd heeft gehandeld met haar eigen interne inspectieprocedures en werkmethodes. Om dit te kunnen aantonen, dient Source de beschikking te hebben over alle relevante interne inspectieprocedures en werkmethodes van KEMA. Deze stukken zijn grotendeels door KEMA zelf aangehaald in een eerder overgelegde schriftelijke getuigenverklaring van twee werknemers van KEMA. Ondanks het feit dat deze getuigen ter onderbouwing van hun verklaring verwijzen naar een groot aantal interne werkinstructies en werkmethodes, zijn slechts enkele voorbeelden in het geding gebracht. KEMA heeft tot op heden geen medewerking verleend aan een verzoek tot afgifte van een afschrift van deze, door haarzelf aangehaalde interne stukken, althans zij heeft deze niet tijdig aan Source ter beschikking gesteld. Source vordert om die reden dat KEMA op grond van artikel 843a Rv, althans op grond van artikel 22 Rv, wordt veroordeeld tot afgifte van afschriften van de volgende stukken:

1. Doc. KQHK-W-IN2-010: Guideline for handling of inspection sample,

2. Doc. KQHK-W-TRA-005: Guideline for handling of inspection sample and training materials. Quantity Check-Sampling Method – AQL Sampling Plan,

3. Doc. KQHK-P-IN2-002: Inspection FRI procedure,

4. Doc. KQHK-P-IN2-004: Production samples and items handling,

5. Doc. KQHK-W-TRA-029: How to take a Photo.

2.3. Volgens Source is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. Het gaat in de eerste plaats om de hiervoor sub 1 tot en met 5 genoemde bescheiden. Voorts heeft Source vanwege de aan haar opgelegde aanvullende bewijsopdracht uit het tussenvonnis van 23 mei 2012 rechtmatig belang bij een afschrift van deze bescheiden. Verder is de vordering in deze kwestie gebaseerd op een overeenkomst tussen Source en KEMA, zodat het onderhavige verzoek een verzoek betreft in een rechtsbetrekking waarin de aanvrager (Source) partij is. Ten slotte heeft KEMA de bewuste bescheiden onder haar berusting en zijn zij noodzakelijk voor een behoorlijke rechtsbedeling.

Daarnaast stelt Source dat KEMA ook op grond van artikel 21 Rv verplicht is de bescheiden over te leggen, omdat deze bescheiden voor de rechtbank van belang zijn voor de totstandkoming van een uiteindelijk eindoordeel. Source verzoekt de rechtbank derhalve op grond van artikel 22 Rv te bepalen dat KEMA de hiervoor aangeduide bescheiden dient over te leggen.

2.4. KEMA voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat Source een (voldoende) rechtmatig belang heeft bij een afschrift van de gevraagde bescheiden. Het belang dat Source heeft kan enkel worden getypeerd als een ‘rechtens relevant belang’, hetgeen niet toereikend is om een vordering ex artikel 843a Rv te honoreren. Voorts is Source volgens KEMA geen partij bij de rechtsbetrekking waar de door Source gevraagde bescheiden op zien. Deze documenten zijn interne instructies van de buitenlandse vennootschap DEKRA Certification HongKong Limited ten opzichte van haar werknemers. In die verhouding is Source geen partij. Bovendien geldt dat interne stukken, die geen externe dienst doen, niet behoeven te worden overgelegd. KEMA stelt verder met verwijzing naar artikel 843a lid 4 Rv dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd. Voor Source bestaat immers evenzeer de mogelijkheid om getuigen te horen. Ten aanzien van artikel 22 Rv stelt KEMA dat zij in het bijzonder in de onderhavige procedure reeds zeer ruimschoots heeft voldaan aan haar verplichting om de rechtbank op een juiste en volledige wijze te informeren omtrent alle voor de beslissing van belang zijnde feiten. Zij heeft de norm van artikel 21 Rv royaal in acht genomen.

2.5. De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, nader op de stellingen van partijen ingaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten onder meer inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Deze bijzondere exhibitieplicht vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven.

3.2. Niet in geschil is dat KEMA de gevraagde bescheiden tot haar beschikking dan wel onder haar berusting heeft en dat zij tot op heden geen afschrift daarvan aan Source heeft verstrekt. Voldaan is aan de voorwaarde dat het om bepaalde bescheiden moet gaan. Weliswaar stelt Source dat zij de beschikking dient te hebben over “alle relevante interne inspectieprocedures en werkmethodes van KEMA”, hetgeen op zichzelf te vaag en algemeen is, maar feitelijk vordert Source slechts de hiervoor onder 2.2 sub 1 tot en met 5 genoemde stukken. Dat is wel voldoende concreet. Verder heeft Source naar het oordeel van de rechtbank een rechtmatig belang bij de gevraagde bescheiden, nu zij concreet heeft onderbouwd dat en in hoeverre zij in de hoofdzaak wordt gehinderd door het niet beschikken over de gevraagde bescheiden en, in het verlengde daarvan, waarom het voor de beoordeling van het geschil in de hoofdzaak relevant is dat die bescheiden op tafel komen. Dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd omdat voor Source evenzeer de mogelijkheid bestaat om getuigen te horen, kan zonder nadere toelichting van KEMA, die ontbreekt, niet worden aangenomen ten aanzien van punt 4 van de aan Source opgelegde bewijsopdracht uit het tussenvonnis van 23 mei 2012, het punt waar het in dit incident met name om gaat. Echter, aan de voorwaarde ‘aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’ is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De gevraagde bescheiden betreffen immers interne instructies van de buitenlandse vennootschap DEKRA Certification HongKong Limited ten opzichte van haar werknemers. In die verhouding is Source geen partij.

3.3. De slotsom is dat de vordering van Source niet op de voet van artikel 843a Rv kan worden toegewezen.

3.4. Source vordert ook op grond van artikel 22 Rv afgifte van afschriften van de onder 2.2 sub 1 tot en met 5 genoemde bescheiden. Aan deze vordering ligt kennelijk de gedachte ten grondslag dat artikel 22 Rv aan een procespartij een bevoegdheid verschaft de rechter te verzoeken een andere procespartij te gelasten bepaalde bescheiden over te leggen. Die opvatting is onjuist. De desbetreffende wetsbepaling richt zich tot de rechter, niet tot partijen, en geeft aan de rechter de bevoegdheid om, indien deze dat nodig acht, een bevel uit te vaardigen tot het overleggen van stukken. Partijen kunnen aan artikel 22 Rv dus geen rechtens afdwingbare aanspraken jegens elkaar ontlenen en dus evenmin hierop een vordering baseren.

3.5. Dit neemt niet weg dat in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank kennisneming van de door Source gevraagde bescheiden gewenst is. Source heeft gelet op de aan haar opgelegde bewijsopdracht uit het tussenvonnis van 23 mei 2012 namelijk een zwaarwegend belang bij de gevraagde bescheiden, terwijl - daar waar het gaat om punt 4 van de aan Source opgelegde bewijsopdracht - zonder nadere toelichting van KEMA, die ontbreekt, niet kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd omdat voor Source evenzeer de mogelijkheid bestaat om getuigen te horen. Met inachtneming van de in de hoofdzaak door Source ingenomen standpunten kunnen de gevraagde bescheiden relevant zijn voor de verdere beoordeling van het geschil in die hoofdzaak. De rechtbank ziet daarom aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid ex artikel 22 Rv en zal KEMA bevelen een afschrift van de onder 2.2 sub 1 tot en met 5 genoemde bescheiden over te leggen.

3.6. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De verdere beoordeling in de hoofdzaak

4.1. In het tussenvonnis van 23 mei 2012 is Source opgedragen te bewijzen de feiten en omstandigheden zoals opgesomd en beschreven in rechtsoverweging 2.5 en 2.7 van dat tussenvonnis. Source heeft bij het indienen van de incidentele conclusie ex artikel 843a Rv en artikel 22 Rv aangegeven dat zij heeft besloten schriftelijk bewijs te leveren en dus af te zien van getuigenverhoor. Mede gelet op de nader door KEMA over te leggen bescheiden zal de zaak dan ook naar de rol van 21 november 2012 worden verwezen voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Source, waarbij deze het bewijs schriftelijk kan leveren. Vervolgens mag KEMA hierop bij antwoordconclusie reageren.

4.2. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. beveelt KEMA een afschrift over te leggen van de navolgende bescheiden:

1. Doc. KQHK-W-IN2-010: Guideline for handling of inspection sample,

2. Doc. KQHK-W-TRA-005: Guideline for handling of inspection sample and training materials. Quantity Check-Sampling Method – AQL Sampling Plan,

3. Doc. KQHK-P-IN2-002: Inspection FRI procedure,

4. Doc. KQHK-P-IN2-004: Production samples and items handling,

5. Doc. KQHK-W-TRA-029: How to take a Photo,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 oktober 2012 voor het overleggen van de hiervoor genoemde bescheiden door KEMA,

5.4. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

5.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 november 2012 voor een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Source, waarbij deze het in het tussenvonnis van 23 mei 2012 aan haar opgedragen bewijs schriftelijk kan leveren, waarna KEMA op de rol van vier weken daarna een antwoordconclusie kan nemen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.

Coll.: MvG