Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9529

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-09-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
233104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres legt in dit kort geding aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde ten onrechte de duurovereenkomst van partijen met onmiddellijk ingang heeft opgezegd.

Die kwestie is op zichzelf al aan de orde geweest in het eerdere kort geding tussen partijen. Dat hoeft er niet aan in de weg te staan dat in een later kort geding, zoals het onderhavige, de kwestie nogmaals wordt voorgelegd. Echter in het onderhavige kort geding is niet gebleken dat eiseres voor haar stelling dat de overeenkomst niet met onmiddellijke ingang beëindigd mocht worden, andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dan in het eerdere kort geding.

Dit kort geding mag niet als een soort verkapt hoger beroep van het vonnis van 6 augustus 2012 fungeren.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat er gezien het reeds eerder uitgesproken oordeel dat gedaagde gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen thans geen aanleiding is om aan te nemen dat in de bodemprocedure die eiseres wil starten, geoordeeld zal worden dat gedaagde de overeenkomst van partijen niet per direct had mogen opzeggen en gedaagde in verband daarmee tot schadevergoeding zal worden veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 233104 / KG ZA 12-434

Vonnis in kort geding van 21 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

eiseres,

advocaat mr. D. Coskun te Arnhem,

tegen

[gedaagden]

gedaagden,

advocaat mr. J. van de Hel te Nijmegen.

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, in vrouwelijk enkelvoud, [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van [gedaagden].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft als uitzendbureau vanaf 2007 uitzendkrachten geleverd voor

– kort weergegeven – de slachterij van [gedaagden].

2.2. Op vrijdag 6 juli 2012 heeft [gedaagden] aan [eiseres] laten weten dat zij vanaf maandag 9 juli 2012 geen uitzendkrachten meer zal inschakelen via [eiseres]. In verband daarmee heeft [eiseres] in een eerder kort geding – kort weergegeven – veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot voortzetting van de overeenkomst tussen partijen en een verbod aan [gedaagden] het door [eiseres] uitgeleende personeel zelf te benaderen. In die procedure (zaakgegevens: [zaakgegevens]1) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem bij vonnis van 6 augustus 2012 de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Daartoe is in dat vonnis geoordeeld dat [gedaagden] gerechtigd was de duurovereenkomst per direct te beëindigen.

2.3. [eiseres] heeft (spoed)appel ingesteld tegen het vonnis van 6 augustus 2012.

Verder is zij voornemens [gedaagden] te betrekken in een bodemprocedure tot vergoeding van schade die zij stelt te lijden als gevolg van het besluit van [gedaagden] om (min of meer) per direct geen uitzendkrachten meer in te schakelen via [eiseres].

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 487.678,06 als voorschot op de schadevergoeding in de bodemprocedure, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een voorschot op buitengerechtelijke incassokosten.

3.2. [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2. [eiseres] legt in dit kort geding aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] ten onrechte de duurovereenkomst van partijen met onmiddellijk ingang heeft opgezegd.

Die kwestie is op zichzelf al aan de orde geweest in het eerdere kort geding tussen partijen (zaakgegevens: [zaakgegevens]1). Dat hoeft er niet aan in de weg te staan dat in een later kort geding, zoals het onderhavige, de kwestie nogmaals wordt voorgelegd. Echter in het onderhavige kort geding is niet gebleken dat [eiseres] voor haar stelling dat de overeenkomst niet met onmiddellijke ingang beëindigd mocht worden, andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dan in het eerdere kort geding. Nu aldus in de onderhavige procedure heeft te gelden dat de vraag of [gedaagden] de overeenkomst mocht beëindigen zoals zij heeft gedaan, reeds aan de hand van het aangevoerde feitencomplex is beoordeeld bij vonnis van 6 augustus 2012, is het niet aan de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding om een nieuw oordeel hierover te geven op basis van dezelfde feiten en omstandigheden. Anders zou dit kort geding als een soort verkapt hoger beroep van het vonnis van 6 augustus 2012 fungeren en daartegen verzet zich het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Die herbeoordeling hoort dan ook thuis in de lopende appelprocedure.

4.3. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat er gezien het reeds eerder uitgesproken oordeel dat [gedaagden] gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen thans geen aanleiding is om aan te nemen dat in de bodemprocedure die [eiseres] wil starten, geoordeeld zal worden dat [gedaagden] de overeenkomst van partijen niet per direct had mogen opzeggen en [gedaagden] in verband daarmee tot schadevergoeding zal worden veroordeeld. Aldus staat de aard van de vordering van [eiseres] onvoldoende vast. Maar ook de omvang ervan kan niet voldoende worden vastgesteld. Zonder nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich niet leent, kan aan de hand van de stukken die [eiseres] over de omvang van de door haar gestelde schade in het geding heeft gebracht, geen betrouwbare prognose gegeven worden van het in de bodemprocedure vast te stellen schadebedrag, veronderstellenderwijs aangenomen dat daarin geoordeeld zal worden dat [gedaagden] schadeplichtig is jegens [eiseres]. Bij dit alles komt nog, nu het hier om een geldvordering in kort geding gaat, dat er rekening gehouden moet worden met het restitutierisico. Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat het financieel niet goed met haar gaat. Ook dat staat toekenning van een voorschot op schadevergoeding in de weg. De slotsom is dan ook dat het door [eiseres] gevorderde zal worden afgewezen.

4.4. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 4.437,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 4.437,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken

op 21 september 2012.

Coll: MJD