Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9299

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
225427
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:1704, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling uit hoofde van vervoersovereenkomst. Gedaagde vordert schadevergoeding omdat onjuiste laadgegevens zijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 225427 / HA ZA 12-65

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

de vennootschap naar Belgisch recht

TRANSFENNICA LOGISTICS B.V.B.A.,

gevestigd te Kalto (Beveren), België,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.P. van Campen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde]

gevestigd te Ede,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna Transfennica en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 februari 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Transfennica heeft in september 2010 in opdracht van [gedaagde], die op haar beurt handelde in opdracht van de rechtspersoon naar Fins recht [gedaagde] OY, een aantal zendingen met specifieke laadreferentienummers vervoerd in eigen containers van Roosendaal via Antwerpen (België) naar Hamina (Finland). Van Roosendaal naar Antwerpen zijn de containers vervoerd over de weg en van Antwerpen naar Hamina per schip. Het vervoer over de weg heeft Transfennica uitbesteed aan een ondervervoerder.

2.2. Voorafgaand aan dit vervoer heeft [gedaagde] aan Transfennica per (samenstel van) laadreferentienummer(s) een schriftelijke transportopdracht gezonden waarop zij het gewenste type container heeft vermeld alsmede het laadadres, te weten DHL in Roosendaal, en het losadres, te weten [gedaagde] in Helsinki. Voorts is op die transportopdrachten als bijzondere opmerking vermeld: “Zending gaat door naar Rusland” en is in de voettekst vermeld: “Transport dient onder CMR-condities en neutraal te worden uitgevoerd”.

2.3. Naar aanleiding van deze transportopdrachten heeft Transfennica bij e-mail van

10 september 2010 onder meer het volgende bericht:

Wanneer we de boekingen ontvingen stelden we vast dat het om 45ft pw hc containers gaat. […] Op zich geen probleem, ik heb het containertype veranderd en ook de transporteur heeft voldoende 45ft chassis beschikbaar om morgen te laden, zodoende dat alles operationeel kan doorgaan zoals gepland.

Het enige verschil zit in de zeevracht. […] Voor de 45ft dienen we 1450 Euro aan te rekenen vanaf geladen Roosendaal tot kaai Hamina. (en niet Helsinki zoals op jullie boeking, echter voor de doorvoer naar Rusland is Hamina beter gelegen).

Diezelfde dag heeft [gedaagde] daarop per e-mail haar akkoord gegeven.

2.4. DHL heeft bij het laden op 11 september 2010 per laadreferentienummer een vrachtbrief verstrekt, waarop handmatig het nummer is geschreven van de container waarin de betreffende zending werd geladen.

2.5. Bij e-mail van 13 september 2010, toen de lading nog onderweg was naar Hamina, heeft [gedaagde] contact opgenomen met Transfennica en een medewerkster aldaar het volgende verzoek gedaan:

Zou je ons de containernrs. willen doorgeven van de vrachten die afgelopen zaterdag in Roosendaal geladen zijn.

2.6. Daarop heeft de desbetreffende medewerkster van Transfennica diezelfde dag per e-mail voor ieder laadreferentienummer een containernummer doorgegeven, waarbij zij informatie gebruikte die zij van de ondervervoerder van Transfennica had ontvangen. [gedaagde] heeft deze informatie vervolgens weer doorgeleid aan haar opdrachtgever [gedaagde] OY. Later is gebleken dat de betreffende medewerkster ten aanzien van drie laadreferentienummers een onjuist containernummer aan [gedaagde] heeft doorgegeven.

2.7. [gedaagde] OY heeft per laadreferentienummer een voor de uitvoer uit de Europese Unie benodigd uitvoergeleidedocument opgesteld waarop het gewicht van die betreffende zending is vermeld. Nadat Transfennica de containers in Hamina had gelost, heeft [gedaagde] OY de containers naar de Russische grens vervoerd, waarbij iedere container afzonderlijk werd begeleid met uitvoergeleidedocumenten. Bij de verdeling van de uitvoergeleide-documenten over de verschillende containers is [gedaagde] OY uitgegaan van de informatie van Transfennica aangaande welke zendingen (laadreferentienummers) in welke container zaten (2.6). Bij de Russische grens zijn vervolgens twee containers in beslag genomen, omdat het gewicht afweek van het gewicht vermeld op de begeleidende uitvoergeleide-documenten. Na onderzoek is gebleken dat de uitvoergeleidedocumenten van beide containers ten aanzien van drie laadreferentienummers betrekking hadden op de lading uit de andere container.

2.8. De Russische douane weigerde zonder rechterlijke tussenkomst de containers vrij te geven. Maanden later is [gedaagde] OY bij rechterlijke uitspraak een boete opgelegd per container van RUR 50.000,00, oftewel € 1.299,92 per container, dus € 2.599,84 voor beide containers. [gedaagde] OY heeft deze boetes betaald en doorbelast aan [gedaagde]. De rechtspersoon naar Russisch recht [gedaagde] Russia LLC heeft in opdracht van [gedaagde] OY de contacten onderhouden met de Russische douane en heeft de in rekening gebrachte opslagkosten voor [gedaagde] OY voldaan ad RUR 2.422.300,00 exclusief 18% btw, oftewel € 72.157,00 inclusief btw. Deze opslagkosten heeft [gedaagde] Russia LLC doorbelast aan [gedaagde] OY, die dat op haar beurt weer heeft doorbelast aan [gedaagde]. Voorts heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.876,45 betaald voor het in- en uitslaan van de goederen en een bedrag van € 6.000,00 aan truckdemurrage.

2.9. Op 21 september 2010 heeft Transfennica voor het vervoer van Roosendaal naar Hamina twee facturen verzonden aan [gedaagde] met een totaal factuurbedrag van

€ 23.200,00. [gedaagde] heeft deze facturen onbetaald gelaten.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Transfennica vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 25.412,96 in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf datum dagvaarding, en tot betaling van € 1.158,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 december 2011. Voorts vordert Transfennica veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen.

3.2. Transfennica legt aan haar vordering in hoofdsom ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagde] een aantal zendingen heeft vervoerd, waarvoor [gedaagde] betaling verschuldigd is van het openstaande factuurbedrag van € 23.200,00 (2.9), vermeerderd met wettelijke handelsrente, welke tot de dag van dagvaarding € 2.212,96 beloopt.

3.3. [gedaagde] voert verweer en beroept zich op verrekening met haar vordering in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van Transfennica, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 82.633,29 danwel van € 59.433,29, in het geval in conventie haar beroep op verrekening slaagt, vermeerderd met wettelijke rente vanaf

29 augustus 2011. Voorts vordert [gedaagde] veroordeling van Transfennica in de kosten van dit geding.

3.5. [gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat Transfennica onjuiste laadgegevens aan haar heeft verstrekt en dat zij daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht die op haar rustte uit hoofde van de tussen de partijen gesloten vervoerovereenkomst. [gedaagde] stelt dat zij dientengevolge schade heeft geleden,

bestaande uit de – aan [gedaagde] doorbelaste – door de staat Rusland opgelegde boetes ad

€ 2.599,84, opslagkosten ad € 72.157,00, kosten voor het in- en uitslaan van de goederen ad € 1.876,45 en truckdemurrage ad € 6.000,00. [gedaagde] stelt dat Transfennica gehouden is deze schade te vergoeden, al dan niet gedeeltelijk door middel van verrekening met de door haar verschuldigde factuurbedragen ad € 23.200,00, waarvan in conventie betaling wordt gevorderd.

3.6. Transfennica voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, nu Transfennica een rechtspersoon naar Belgisch recht is. Dat doet de vraag rijzen of deze rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen en, zo ja, welk recht op het geschil van toepassing is.

4.2. Deze rechtbank heeft rechtsmacht op grond van het bepaalde in artikel 2 van de in deze zaak toepasselijke EG-Verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) en artikel 2 juncto artikel 99 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), aangezien [gedaagde] in Nederland, meer in het bijzonder in het arrondissement van de rechtbank Arnhem, is gevestigd.

4.3. Transfennica heeft in haar dagvaarding verwezen naar het Nederlandse recht, in ieder geval in het kader van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten naar het rapport Voorwerk II. Dit kan worden opgevat als een impliciete rechtskeuze voor Nederlands recht. [gedaagde] heeft zich hiertegen niet verweerd en beroept zich zowel in conventie als in reconventie ook zelf op Nederlands recht. Nu beide partijen kennelijk stilzwijgend voor Nederlands recht kiezen, zal het geschil naar dat recht worden beoordeeld.

4.1. De tussen [gedaagde] en Transfennica gesloten overeenkomst heeft gedeeltelijk betrekking op grensoverschrijdend wegvervoer, te weten het traject Roosendaal – Antwerpen, waarop het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer over de weg (CMR) van toepassing is. Bovendien is niet in geschil dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat het transport onder CMR-condities zou plaatsvinden, zoals is vermeld op de geaccordeerde opdrachtbevestiging (2.2), waarbij overigens geen onderscheid is gemaakt tussen het wegvervoer en het vervoer per schip. De rechtbank zal het geschil dan ook met inachtneming van de CMR beoordelen.

in reconventie

4.2. Niet in geschil is dat Transfennica ten aanzien van drie zendingen (laadreferentienummers) een onjuist containernummer heeft doorgegeven aan [gedaagde]. Wel in geschil is of Transfennica hiermee toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen op grond van de tussen partijen gesloten vervoerovereenkomst.

4.3. Partijen verschillen in dat verband van mening over de vraag of het verstrekken van dergelijke informatie voor het onderhavige vervoertraject onderdeel uitmaakt van de verplichtingen van een vervoerder. Met Transfennica is de rechtbank van oordeel dat op een vervoerder in beginsel enkel de verplichting rust om de vervoerde zaken zonder vertraging op de overeengekomen bestemming af te leveren in de staat waarin hij hen heeft ontvangen. Vast staat dat Transfennica aan die verplichting heeft voldaan. Dit betekent echter niet dat geen bijkomende verplichtingen kunnen worden overeengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Transfennica door als extra service in te gaan op het verzoek om informatie aan [gedaagde] te verstrekken onder de gegeven omstandigheden de verplichting op zich genomen die informatie te verstrekken en daarmee dan ook in te staan voor de juistheid van die informatie, nu zij bij het verstrekken van die informatie geen voorbehoud aangaande de juistheid daarvan heeft gemaakt. Daarbij betrekt de rechtbank dat het voor Transfennica redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat [gedaagde] deze informatie voor de doorvoer naar Rusland zou gebruiken, omdat het voor de uitvoer uit de Europese Unie evident van groot belang is om te weten welke zendingen zich in welke container bevinden. Dat geldt temeer nu [gedaagde] ter comparitie onbetwist heeft gesteld dat de containers na de belading in Roosendaal door DHL verzegeld waren en de zegels eerst op de plaats van eindbestemming, te weten Rusland, verbroken zouden mogen worden. Dat Transfennica op de hoogte was van de doorvoer naar Rusland blijkt uit het feit dat daarvan melding is gemaakt op de opdrachtbevestiging en uit het feit dat Transfennica ook zelf daaraan refereert in haar reactie op de opdrachtbevestiging (2.3). Daaraan doet niet af dat de desbetreffende medewerkster van Transfennica mogelijk zelf niet van de doorvoer op de hoogte was. Ook het feit dat [gedaagde] deze informatie mogelijk ook had kunnen opvragen bij DHL maakt het voorgaande niet anders, nu [gedaagde] daartoe geen aanleiding meer had omdat Transfennica reeds op haar verzoek was ingegaan en zij niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van die informatie. Integendeel, [gedaagde] mocht er onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van uitgaan dat Transfennica zich ervan had vergewist dat de informatie die zij ten aanzien van de vervoerde zaken zonder voorbehoud verstrekte ook juist was.

4.4. Nu vast staat dat Transfennica onjuiste informatie aan [gedaagde] heeft verstrekt, is de rechtbank is van oordeel dat Transfennica tekort is geschoten in de nakoming van een contractuele verplichting die op haar rustte, welke tekortkoming haar ook is toe te rekenen. Op de voet van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW) is Transfennica in beginsel gehouden de dientengevolge door [gedaagde] geleden schade te vergoeden.

4.5. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding is allereerst in geschil of de boetes en de opslagkosten wel hebben te gelden als schade van [gedaagde], nu deze zijn opgelegd respectievelijk in rekening gebracht aan [gedaagde] OY. Nu Transfennica evenwel niet heeft betwist dat [gedaagde] OY het vervoer over het traject Roosendaal – Hamina had uitbesteed aan [gedaagde], heeft te gelden dat [gedaagde] door de fout van haar hulppersoon Transfennica op haar beurt toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [gedaagde] OY en op dezelfde voet aansprakelijk is voor de dientengevolge door [gedaagde] OY geleden schade. Nu evenmin is betwist dat [gedaagde] deze schade aan [gedaagde] OY heeft vergoed middels doorbelasting, staat daarmee genoegzaam vast dat [gedaagde] deze schade zelf heeft geleden.

4.6. Niet in geschil is dat geen boetes zouden zijn verbeurd en geen opslagkosten en extra kosten voor het in- en uitslaan van de goederen en van truckdemurrage zouden zijn gemaakt, in het geval dat Transfennica de juiste beladingsgegevens aan [gedaagde] zou hebben verstrekt. Daarmee staat vast dat deze schadeposten, waarvan de omvang op zichzelf niet is betwist, in causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) staan tot de toerekenbare tekortkoming van Transfennica.

4.7. Dan ligt de vraag voor of, zoals Transfennica stelt en [gedaagde] betwist, deze schadeposten in een zodanig ver verwijderd verband staan tot het verstrekken van onjuiste informatie door Transfennica, dat deze schadeposten niet als een gevolg van haar tekortkoming aan Transfennica kunnen worden toegerekend. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij is van belang dat Transfennica tegenover [gedaagde] in onvoldoende mate de zorgvuldigheid in acht heeft genomen, die onder de gegeven omstandigheden van haar mocht worden verwacht om [gedaagde] in staat te stellen de doorvoer zonder problemen te laten verlopen. Daar komt bij dat de inbeslagname van de containers met alle geldelijke gevolgen van dien en waarvan niet is gesteld dat die in verhouding tot vergelijkbare inbeslagnames in Rusland uit de toon vallen, op zichzelf een redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de douane aangaande de inhoud van die containers. Dat Transfennica de informatie enkel als extra service heeft verstrekt, maakt het voorgaande niet anders, nu dit in het kader van de uitvoering van de vervoerovereenkomst is gebeurd, hetgeen niet als belangeloze dienstverlening kan worden aangemerkt. Tot slot merkt de rechtbank op dat het feit dat de schade ruim drie maal hoger is dan de tegenprestatie die Transfennica krijgt voor haar dienstverlening, in samenhang bezien met de hiervoor besproken aard van de aansprakelijkheid en de voorzienbaarheid van de schade, onvoldoende aanleiding geeft om te oordelen dat de schade niet als een gevolg van haar tekortkoming aan Transfennica zou kunnen worden toegerekend.

4.8. Tot slot beroept Transfennica zich op artikel 23, vierde lid, CMR, waarin aansprakelijkheid van de vervoerder is uitgesloten met betrekking tot vervolgschade. Transfennica komt in dit verband echter geen beroep op dit artikel toe, nu de Hoge Raad – zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt – in zijn arrest van 15 april 1994 (NJ 1995, 114) reeds heeft uitgemaakt dat de CMR niet voorziet in een uitputtende regeling voor de aansprakelijkheid van de vervoerder en dat artikel 23, vierde lid, CMR uitsluitend ziet op de aansprakelijkheid van de vervoerder voor verlies of beschadiging van de vervoerde zaken. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

4.9. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat Transfennica gehouden is om aan [gedaagde] een bedrag van € 82.633,29 aan schade te vergoeden. De vordering in reconventie zal echter niet tot dat bedrag worden toegewezen, omdat een deel van de verschuldigde vergoeding – zoals hierna in conventie zal worden overwogen – reeds is voldaan door verrekening op 29 augustus 2011 met een bedrag van € 23.200,00 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen van 21 september 2010 (2.9) tot 29 augustus 2011. Over het restant is Transfennica, als niet afzonderlijk betwist, wettelijke rente verschuldigd vanaf 29 augustus 2011.

4.10. Transfennica zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:€ 579,00 aan salaries advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00).

in conventie

4.11. Niet in geschil is dat [gedaagde] uit hoofde van de vervoerovereenkomst betaling van de facturen met een totaalbedrag van € 23.200,00 (2.9) aan Transfennica verschuldigd is. Ook de daarover gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen van 21 september 2010 is door [gedaagde] op zichzelf niet betwist. Zij stelt zich echter op het standpunt dat zij deze vordering van Transfennica reeds op 29 augustus 2011 heeft verrekend met haar tegenvordering tot vergoeding van schade, welke de vordering van Transfennica overstijgt.

4.12. Zoals reeds in reconventie is overwogen, is Transfennica gehouden een bedrag van € 82.633,29 aan schade te vergoeden aan [gedaagde]. Nu Transfennica op zichzelf niet heeft betwist dat deze schade reeds op 29 augustus 2011 was geleden, slaagt het beroep op verrekening. Dit brengt mee dat de vordering in conventie dient te worden afgewezen.

4.13. Transfennica zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.789,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.947,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Transfennica in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.947,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. veroordeelt Transfennica om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 82.633,29 verminderd met de som van € 59.433,29 en de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 59.433,29 vanaf de vervaldata van de facturen van 21 september 2010 tot 29 augustus 2011,

5.5. veroordeelt Transfennica om aan [gedaagde] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de resultante bedoeld in rechtsoverweging 5.4 met ingang van 29 augustus 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt Transfennica in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 579,00,

5.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.