Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9252

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
05/703460-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 21 mei 2010 is een vrouw op haar fiets ter hoogte van de kruising IJsselstraat en Amaliatstraat in Velp, in botsing gekomen met een rechtafslaande personenauto, die door verdachte werd bestuurd. Verdachte heeft het slachtoffer zien fietsen en wist dat zijzelf rechtsaf moest slaan om haar weg te vervolgen. In plaats van achter het slachtoffer te blijven rijden en achter haar langs rechtsaf te slaan, heeft zij gemeend haar op het laatste moment toch in te moeten halen en voor haar rechtsaf te slaan. Hiervoor heeft zij een ruime bocht gemaakt om het slachtoffer te kunnen passeren en derhalve geen voorrang verleend aan de rechtdoor rijdende fietser. Dat de fiets van het slachtoffer in de Amaliastraat is aangetroffen, is mogelijk het gevolg van het feit dat de achterzijde van de personenauto de fiets heeft geraakt en richting de Amaliastraat heeft geduwd en bevestigt de verklaring van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft een drietal breukjes in het bekken opgelopen, waarvan de genezing is geschat op ongeveer één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/703460-10

Data zittingen : 20 april 2012, 8 juni 2012 en 21 september 2012

Datum uitspraak : 5 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [Naam verdachte]

geboren op : [Geboortedatum] 1967 te Beiroet (Libanon)

adres : [Adres]

plaats : [Postcode, woonplaats]

raadsman : mr. A.R. Mes, advocaat te Zoetermeer.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 21 mei 2010, te Velp, gemeente Rheden, althans in

Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, de IJsselstraat, ter hoogte van het/de kruispunt/kruising van de

IJsselstraat met de Amaliastraat,

zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

en/of

terwijl bij het naderen van genoemde afslag in haar, verdachtes, rijrichting

een bord van het model C2, inhoudende "eenrichtingsweg voor motorrijtuigen",

met het onderbord "uitgezonderd (brom) fietsers", van de Bijlage I van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst,

en/of

terwijl zij, verdachte, een op de rechterweghelft van die IJsselstraat

rijdende fietser had waargenomen,

voornoemde fietser is gaan inhalen en/of heeft ingehaald,

en/of

(vervolgens) ter hoogte van voornoemd(e) kruising/kruispunt haar voertuig naar

rechts heeft gestuurd en/of rechtsaf is geslagen, en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op die door haar waargenomen fietser

en/of

het voor en/of naast en/of achter haar gelegen weggedeelte van

die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten,

en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 die door haar waargenomen fietser, die zich op dezelfde weg naast, dan wel links of rechts dicht achter haar bevond, niet voor heeft laten gaan,

en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die fiets, die op dat moment op die weg (IJsselstraat) rechtdoor fietste in de richting van de Korte Wal, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([Naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 21 mei 2010 te Velp, gemeente Rheden, als bestuurder van

een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de IJsselstraat, ter

hoogte van het/de kruispunt/kruising van de IJsselstraat met de Amaliastraat terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

en/of

terwijl bij het naderen van genoemde afslag in haar, verdachtes, rijrichting

een bord van het model C2, inhoudende "eenrichtingsweg voor motorrijtuigen",

met het onderbord "uitgezonderd (brom) fietsers", van de Bijlage I van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst,

en/of

terwijl zij, verdachte, een op de rechterweghelft van die IJsselstraat rijdende fietser had waargenomen, voornoemde fietser is gaan inhalen en/of heeft ingehaald, en/of ter hoogte van voornoemd(e) kruising/kruispunt haar voertuig naar rechts heeft gestuurd en/of rechtsaf is geslagen,

en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op die door haar waargenomen

fietser en/of het voor en/of naast en/of achter haar gelegen weggedeelte van

die weg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten,

en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 die door haar waargenomen fietser, die zich op dezelfde weg naast, dan wel links of rechts dicht achter haar bevond, niet voor heeft laten gaan,

en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die fiets, die op dat moment op die weg (IJsselstraat) rechtdoor fietste in de richting van de Korte Wal, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 21 september 2012 ter terechtzitting onderzocht.

Daarbij is verdachte niet verschenen. Verdachte is ter terechtzitting vertegenwoordigd door uitdrukkelijk gemachtigd raadsman mr. A.R. Mes, advocaat te Zoetermeer.

De officier van justitie, mr. A. Reah, heeft gerekwireerd.

De raadsman heeft namens verdachte het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 21 mei 2010 is mevrouw [Naam slachtoffer] op haar fiets in botsing gekomen met een rechtafslaande personenauto, die door mevrouw Fawaz (hierna verdachte) werd bestuurd. Mevrouw [Naam slachtoffer] fietste op het moment van de botsing over de IJsselstraat in Velp, ter hoogte van de Amaliastraat.2 Als gevolg van de aanrijding heeft mevrouw [Naam slachtoffer] onder andere een drietal breukjes in het bekken opgelopen, waarvan de genezing is geschat op ongeveer één jaar.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft hiervoor vrijspraak gevraagd. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het de bedoeling van mevrouw [Naam slachtoffer] is geweest om rechtdoor te rijden op de IJsselstraat kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte roekeloos dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden door rechtsaf de Amaliastraat in te slaan. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de gehele tenlastelegging is geënt op het feitencomplex dat het slachtoffer rechtdoor is gereden en dat verdachte rechtsaf is geslagen. Verdachte stelt echter dat het slachtoffer wel degelijk rechtsaf is geslagen. Dit wordt ook bevestigd door de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden namelijk kort na de bocht van de IJsselstraat naar de Amaliastraat. Volgens de getuige [Naam getuige] kan de aanrijding zelfs, gezien de positie van de fiets na de aanrijding, niet in de IJsselstraat hebben plaatsgevonden. Deze lezing wordt ondersteund door een de auditu verklaring van een medewerker van de verzekeringsmaatschappij. Alleen het slachtoffer verklaart dat het haar bedoeling was om rechtdoor te rijden in de IJsselstraat. Dit wordt niet bevestigd door andere bewijsmiddelen terwijl de verklaring van verdachte op dit punt wordt gesteund door de opmerking van de arts bij de spoedeisende hulp namelijk dat het slachtoffer rechtsaf sloeg. Het slachtoffer verklaart bovendien niet onzeker te hebben gefietst, terwijl door zowel verdachte als door eerdergenoemde getuige [Naam getuige] wordt verklaard dat zij wel onzeker en wiebelig fietste. Al met al maakt dit het slachtoffer ongeloofwaardig. De schade aan de rechter achterportier van het voertuig van verdachte, bevestigt overigens ook dat verdachte om het slachtoffer heen is gereden.

Gelet op het feit dat de tenlastelegging zowel ten aanzien van het primaire als het subsidiair ten laste gelegd is gespecificeerd op het rechtdoor rijden van het slachtoffer, is de raadsman van oordeel dat een algehele vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Om tot een veroordeling op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Door mevrouw [Naam slachtoffer], hierna slachtoffer, is verklaard dat zij over de IJsselstraat heeft gereden en ter hoogte van de splitsing met de Amaliastraat rechtdoor wilde rijden in de richting van de Korte Wal. Deze is gelegen in het verlengde van de IJsselstraat achter de Waterstraat.4 Het slachtoffer woont aan de Korte Wal en rechtdoor rijden is de kortste weg richting haar woning.5 Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank er bij de beoordeling van onderhavige kwestie van uit dat het slachtoffer voornemens was rechtdoor te rijden.

Verdachte heeft het slachtoffer zien fietsen en moest, vanwege een verbod rechtdoor te blijven rijden, rechtsaf de Amaliastraat inslaan. Verdachte heeft het slachtoffer ingehaald en is rechtsaf geslagen.6

Verdachte heeft, terwijl het slachtoffer in de bocht reed, een extra grote bocht om haar heen de Amaliastraat ingestuurd. Ze stuurde dusdanig ruim in dat zij bijna het trottoir aan de overzijde van de weg raakte.7 De aanrijding heeft bij daglicht plaatsgevonden, het zicht was vrij, het wegdek was droog en de personenauto heeft aan de rechter achterportier schade opgelopen.8

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een aanmerkelijke mate van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden verweten. Verdachte heeft het slachtoffer zien fietsen en wist dat zijzelf rechtsaf moest slaan om haar weg te vervolgen. In plaats van achter het slachtoffer te blijven rijden en achter haar langs rechtsaf te slaan, heeft zij gemeend haar op het laatste moment toch in te moeten halen en voor haar rechtsaf te slaan. Hiervoor heeft zij een ruime bocht gemaakt om het slachtoffer te kunnen passeren en derhalve geen voorrang verleend aan de rechtdoor rijdende fietser. Dat de fiets van het slachtoffer in de Amaliastraat is aangetroffen, is mogelijk het gevolg van het feit dat de achterzijde van de personenauto de fiets heeft geraakt en richting de Amaliastraat heeft geduwd en bevestigt de verklaring van het slachtoffer.

Het letsel dat door het slachtoffer is opgelopen kwalificeert de rechtbank als dusdanig dat ten gevolge hiervan tijdelijke verhindering is ontstaan.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op 21 mei 2010, te Velp, gemeente Rheden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande

weg, de IJsselstraat, ter hoogte van de kruising met de Amaliastraat, aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd, en terwijl bij het naderen van genoemde afslag in haar, verdachtes, rijrichting

een bord van het model C2, inhoudende "eenrichtingsweg voor motorrijtuigen", met het onderbord "uitgezonderd (brom) fietsers", van de Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst, en terwijl zij, verdachte, een op de rechterweghelft van die IJsselstraat rijdende fietser had waargenomen, voornoemde fietser is gaan inhalen en vervolgens ter hoogte van voornoemd kruising haar voertuig naar rechts heeft gestuurd en rechtsaf is geslagen, en (daarbij) in onvoldoende mate op die door haar waargenomen fietser en

het naast en achter haar gelegen weggedeelte van die weg en/ het overige verkeer is blijven letten, en (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 die door haar waargenomen fietser, die zich op dezelfde weg rechts dicht achter haar bevond, niet voor heeft laten gaan, en vervolgens in aanrijding is gekomen met (de bestuurder van) die fiets, die op dat moment op die weg (IJsselstraat) rechtdoor fietste in de richting van de Korte Wal, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([Naam slacht[Naam slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van twee maanden. Voor beide voorwaardelijke straffen heeft de officier van justitie een proeftijd voor de duur van twee jaren gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman voor een algehele vrijspraak gepleit. Subsidiair heeft hij verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf en meer subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het blanco uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 31 augustus 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Anders dan de officier van justitie en de raadsman komt de rechtbank tot wettig en overtuigend bewijs van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van strafoplegging houdt de rechtbank rekening met het feit dat het onderhavige feit in 2010 heeft plaatsgevonden en dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. De rechtbank is echter van oordeel dat een straf aan verdachte dient te worden opgelegd, ondanks het feit dat zij naar Libanon zal emigreren. Verdachte heeft het slachtoffer zien rijden en heeft ter hoogte van een kruising met een grote boog om haar heen de weg naar rechts willen inslaan. Het slachtoffer betreft een vrouw op leeftijd die ten gevolge van de aanrijding is gevallen en enkele scheurtjes in haar bekken heeft opgelopen, waardoor zij geruime tijd heeft moeten revalideren. Verdachte had achter het slachtoffer moeten blijven rijden. Volgens de landelijke richtlijnen kan voor een dergelijk feit een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van drie maanden worden opgelegd en een geldboete van € 1.000,00. Rekeninghoudende met de bovenstaande persoonlijke omstandigheden alsmede het feit dat het een oud feit betreft, zal de rechtbank de straf matigen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot

* betaling van een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 10 dagen hechtenis.

* ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. R.M. Maanicus als voorzitter, mr. A.M. van Gorp en mr. J.W.T.M. Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van E. Terlouw-Boeijink, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 oktober 2012.

9

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant(en) van de regiopolitie Gelderland-Midden, Divisie Regionale Taken, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL07EA/2010055571-1, gesloten op 29 juni 2010 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juni 2010, pag. 8, alsmede het proces-verbaal van verhoor [Naam slachtoffer] d.d. 3 juni 2012, pag. 10 e.v.

3 Een schriftelijk bescheid inhoudende de geneeskundige verklaring d.d. 21 mei 2011, pag. 27 e.v.

4 Het proces-verbaal van verhoor [Naam slachtoffer] d.d. 3 juni 2010, pag. 10 en het proces-verbaal van verhoor [Naam slachtoffer] door de rechter-commissaris d.d. 4 juli 2012

5 Het proces-verbaal van verhoor [Naam slachtoffer] door de rechter-commissaris d.d. 4 juli 2012, alsmede het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2012, nr. PL07EA/2010055571-7.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 mei 2010, pag. 8.

7 De verklaring door verdachte ter terechtzitting van 8 juni 2012 afgelegd.

8 Het proces-verbaal van aanrijding d.d. 21 mei 2010, pag. 5.

Parketnummer: 05/703460-10 - [Naam verdachte]