Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9232

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
12/4365, 12/4776 en 12/4400
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening verkeersbesluiten Stationsplein Arnhem. Voorziening deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 12/4365, 12/4776 en 12/4400

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 oktober 2012 in het geding tussen

1. Hotel Haarhuis B.V.,

gevestigd te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. van Meer,

2. [omwonenden],

wonende te Arnhem,

verzoekers (hierna ook: Haarhuis, onderscheidenlijk omwonenden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft verweerder onder andere besloten door het plaatsen van daarbij nader aangeduide borden van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) de Utrechtsestraat [lees: Stationsplein] tussen de Bergstraat en het Nieuwe Plein/Willemsplein ook in oostelijke richting te sluiten voor alle voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee, uitgezonderd lijnbussen.

Tegen dit besluit hebben Haarhuis bij brief van 29 augustus 2012 en omwonenden bij brief van 14 augustus 2012 bezwaar gemaakt.

Bij brieven van respectievelijk 29 augustus 2012 en 28 augustus 2012 hebben Haarhuis en omwonenden de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder nummer AWB 12/4365, onderscheidenlijk AWB 12/4400.

Bij besluit van 12 september 2012 heeft verweerder besloten door het plaatsen van de borden L3 van het RVV 1990 en het aanbrengen van de bijbehorende geblokte markering voor de periode van circa tweeënhalf jaar halteplaatsen aan te wijzen op/nabij/tegen het thans bestaande busstation aan het Stationsplein, alsmede aan de zuidzijde van het Stationsplein tussen Bergstraat en Nieuwe Plein/Willemsplein.

Tegen dit besluit heeft Haarhuis bij brief van 21 september 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van gelijke datum heeft Haarhuis de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder nummer AWB 12/4776.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 26 september 2012. Haarhuis is aldaar vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door mr. Van Meer, voornoemd, en ir. J. Lax. Van de zijde van de omwonenden zijn verschenen [omwonenden]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.A.F.M. van der Wielen, ing. A.P.M. Slieker en ing. A.P.M. de Kleijn, allen werkzaam bij de gemeente Arnhem.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder bij het nemen van verkeersbesluiten - waar het hier om gaat - een ruime mate van beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijke besluiten betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van dergelijke besluiten terughoudend op te stellen en te toetsen of die besluiten niet in strijd zijn met wettelijke voorschriften dan wel de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat verweerder niet in redelijkheid tot die besluiten heeft kunnen komen.

Achtergrond van beide verkeersbesluiten is de tijdelijke gedeeltelijke onbruikbaarheid van het bestaande busstation als gevolg van de voor de afbouw van de “OV-terminal”, aan de noordzijde van het Stationsplein, te verrichten werkzaamheden, welke spoedig - hetgeen eerst tamelijk kort geleden, in mei 2012, is komen vast te staan - zullen aanvangen. Het een en ander ziet op de verwezenlijking van het project “Arnhem Centraal”. Het spoedig treffen van tijdelijke maatregelen acht de voorzieningenrechter derhalve onontkoombaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende aangetoond dat door de afbouw de bestaande situatie van het busstation niet kan worden gehandhaafd.

Een van die tijdelijke maatregelen is het bestreden verkeersbesluit van 12 september 2012 dat onder meer strekt tot tijdelijke plaatsing van drie bushaltes (voor instappende reizigers) aan de zuidzijde van het Stationsplein, tussen de Bergstraat en de entrée van Hotel Haarhuis.

Een van beide verzoeken van Haarhuis is daartegen gericht (zaaknummer AWB 12/4776).

Een andere maatregel is het bestreden verkeersbesluit van 18 juli 2012 dat onder meer strekt tot - eenvoudig gezegd - afsluiting voor het gewone autoverkeer en reservering voor lijndienstbussen (inclusief taxi’s met ontheffing) van laatstbedoeld weggedeelte in oostelijke richting (waardoor dit feitelijk een busbaan wordt), en, in samenhang daarmee, voorts tot invoering van tweerichtingsverkeer in de Bergstraat tussen het Stationsplein en de Korte Coehoornstraat, alsmede tot een enigszins andere afwikkeling van het verkeer in de Korte Coehoornstraat en de Coehoornstraat.

Het verzoek van de omwonenden (zaaknummer AWB 12/4400), alsmede het andere verzoek van Haarhuis (zaaknummer AWB 12/4365), is tegen dit verkeersbesluit gericht, waarbij de omwonenden zich richten tegen laatstbedoelde aspecten, en Haarhuis tegen eerstbedoeld aspect.

Bij de keuze van de tijdelijke plaatsing van vervangende bushaltes (en -standplaatsen) is kennelijk als uitgangspunt gekozen dat deze zo veel mogelijk moeten worden geconcentreerd bij het treinstation. Dit is, mede in aanmerking genomen het belang van de niet onaanzienlijke aantallen in-, uit- en overstappende reizigers ter plaatse, niet onredelijk te achten. Voorts geldt als uitgangspunt dat de meeste stadslijnen met gelede trolleybussen worden uitgevoerd, zodat rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van, c.q. ruimte voor bovenleiding met wisselplaatsen en masten, met (bewegingsruimte van) trolleystangen (stroomafnemers) op de bussen en de veiligheid van andere weggebruikers, in het bijzonder voetgangers, in verband met enige uitzwenking van de aanhangers van gelede bussen.

Het een en ander brengt met zich dat het aantal mogelijke alternatieven niet onbeperkt is. De door verweerder te kiezen oplossing wordt dus onder meer bepaald door feitelijk technische (on)mogelijkheden en door hun opvattingen omtrent (on)wenselijkheden.

Vastgesteld moet worden dat verweerder bij de door hem in het bestreden verkeersbesluit van 12 september 2012 gemaakte keuze acht heeft geslagen op bedoelde aspecten en dat die keuze aan bedoelde uitgangspunten voldoet. Dat neemt niet weg dat aan de gekozen haltelocaties ontegenzeggelijk nadelen kleven.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan echter niet worden staande gehouden dat aan de afgevallen alternatieven, alsmede aan het door de deskundige van Haarhuis, ir. Lax, voornoemd, ontworpen alternatief - die alle ter zitting zijn besproken - geen bezwaren kleven of dat daaraan zodanig minder bezwaarlijke gevolgen zijn verbonden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

Daarbij dient te worden bedacht dat het zonder twijfel deskundige alternatief van de deskundige van Haarhuis geen aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat de door verweerder gekozen oplossing vanuit deskundigenoogpunt bezien niet anders dan als onaanvaardbaar moet worden bestempeld, en voorts dat het aan verweerder is - en dus niet aan anderen - om te bepalen aan welke kwaliteitseisen moet worden voldaan en welke aspecten zwaarder wegen dan andere. De redelijkheid van laatstbedoelde keuze mag door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

Met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de door Haarhuis in het bijzonder gewraakte (tijdelijke) plaatsing van drie bushaltes (voor instappende reizigers) aan de zuidzijde van het Stationsplein, tussen de Bergstraat en de entrée van Hotel Haarhuis - overweegt de voorzieningenrechter nog in het bijzonder dat ook dit aspect van het betrokken verkeersbesluit van 12 september 2012 naar voorlopig oordeel niet onrechtmatig is te achten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat het hier de directe omgeving van een reeds van oudsher bestaand treinstation betreft, waar het bepaald niet ongebruikelijk is dat (lijndienst-) bussen af- en aanrijden en halteplaatsen hebben om te stationneren en reizigers te laten in- en uitstappen, al is het juist de bedoeling dat dat in de toekomst zal plaatsvinden in de “OV-terminal”, en dat het hier gaat om een tijdelijke situatie, al staat de precieze duur van deze tijdelijkheid niet vast.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het niet zonder meer onbegrijpelijk is dat Haarhuis, ofschoon zij zich dus de aanwezigheid van de betrokken bushaltes, deels voor de voorgevel van haar - ook reeds sinds jaar en dag aldaar gevestigde hotel - zal moeten laten welgevallen, bevreesd is voor overlast of ander nadeel ten gevolge van de reizigersdrukte, waarbij dient te worden bedacht dat, ofschoon het hier een tijdelijke situatie betreft, de inschikkelijkheid en het geduld van Haarhuis - en niet alleen van haar - door de schijnbaar oneindig lange duur van de ontwikkeling van het station en de stationsomgeving danig op de proef is gesteld. Dienaangaande gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de door verweerder ter zitting betoonde bereidheid tot contact en overleg met Haarhuis zich ook zal uitstrekken tot het verlenen van bijstand ter voorkoming en zo nodig bestrijding van ondervonden onaanvaardbare overlast. Voor het treffen van een voorlopige voorziening dienaangaande acht de voorzieningenrechter evenwel geen aanleiding aanwezig.

Nu de voorzieningenrechter in hetgeen overigens in dit verband naar voren is gebracht geen aanknopingspunt aanwezig acht voor al dan niet evidente, niet in bezwaar te repareren aan het besluit klevende gebreken, vloeit - in aanmerking genomen de belangen die bij het besluit zijn betrokken - uit het vorenstaande voort dat het verzoek om voorlopige voorziening van Haarhuis met betrekking tot bestreden verkeersbesluit van 12 september 2012 zal worden afgewezen.

Uit het vorenstaande volgt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter tevens dat, in aanmerking genomen het belang van de verkeersveiligheid, geen grond aanwezig is voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de keuze om het gedeelte van het Stationsplein vanaf de Bergstraat tot het Nieuwe Plein - dus het gedeelte waar ook de hiervoor bedoelde (tijdelijke) bushaltes zijn gepland - voor het ‘gewone autoverkeer’ af te sluiten en te reserveren voor lijndienstbussen (inclusief taxi’s met ontheffing), hetgeen thans reeds in westelijke richting het geval is. Ook het bestreden verkeersbesluit van 18 juli 2012, dat onder meer daarop ziet, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre niet onrechtmatig te achten. Dat verweerder ander verkeer dan lijndienstbussen wenst te weren en een algemene uitzondering voor bestemmingsverkeer onwenselijk acht, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet alleen vanuit een oogpunt van evengenoemd belang, maar ook uit dat van handhaafbaarheid, niet onbegrijpelijk.

Dat neemt echter niet weg dat de entrée van Hotel Haarhuis aan het betrokken weggedeelte van het Stationsplein is gelegen, zodat die, zonder nadere maatregelen, feitelijk onbereikbaar zou worden, in die zin dat hotelgasten en -bezoekers die per privéauto of touringcar reizen, niet voor of direct nabij die ingang kunnen worden in- of uitgelaten, dat bagage van die personen uit die voertuigen niet aldaar kan worden in- of uitgeladen - waarbij ook moet worden gedacht aan apparaten en andere goederen ten behoeve van gebruik op congressen en andere bijeenkomsten die in het hotel worden gehouden -, alsmede in die zin dat het laden en lossen van goederen met vrachtauto’s aldaar onmogelijk wordt.

Nu vast is komen te staan dat voor zowel de gasten als andere bezoekers geen andere voor een hotel als waar het hier om gaat redelijkerwijs acceptabele entrée aanwezig is, alsmede dat voor het laden en lossen van de goederen - behalve met kleine bestelautootjes, aan de achterzijde van het hotel - evenmin een feitelijk bruikbaar alternatief beschikbaar is, acht de voorzieningenrechter deze consequentie - zoals ook reeds aan het slot van de behandeling ter zitting is aangegeven - niet aanvaardbaar. De voorzieningenrechter acht het daarom geboden ter voorkoming van onevenredig nadeel een voorziening te treffen die erop is gericht de bereikbaarheid in vorenbedoelde zin te verzekeren.

Die voorlopige voorziening houdt in dat - op welke wijze dan ook - moet worden toegelaten dat het betrokken weggedeelte van het Stationsplein in oostelijke richting ook wordt gebruikt door privéauto’s, touringcars/bussen en vrachtauto’s met bestemming Hotel Haarhuis om aldaar - op de ter zitting door verweerder overhandigde kaart als “Kiss en Ride t.b.v. Hotel Haarhuis” aangeduide plek - stil te staan voor het laten in- en uitstappen van hotelgasten en bezoekers en het in- en uitladen van bagage en andere goederen.

Ofschoon verweerder ter zitting heeft laten blijken zonder meer bereid te zijn om in overleg met Haarhuis tot een oplossing van bedoelde problemen te komen, en de voorzieningenrechter geen grond aanwezig acht om aan die bereidheid te twijfelen, acht de voorzieningenrechter het niettemin in dit geval aangewezen om, teneinde onnodige procedures zoveel mogelijk te voorkomen, deze voorlopige voorziening te treffen.

Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat hij, bij nadere bestudering van de stukken met betrekking tot de feitelijke situatie ter plaatse, tot het oordeel is gekomen dat de aanwezigheid van een parkeerplaats om de hoek, aan de westzijde van het Nieuwe Plein, onvoldoende acceptabel moet worden geacht als oplossing voor het bereikbaarheidsprobleem met privéauto’s.

Voorts wijst de voorzieningenrechter erop dat de door verweerder ter zitting toegezegde toelating door middel van ontheffingverlening slechts acceptabel is te achten, als die niet - hetgeen bij een ingewikkelde en/of tijdrovende en/of bureaucratische (aanvraag)procedure wel het geval is - aan de onmiddellijke toelating in de weg staat. Wellicht ligt de plaatsing van een of ander bord uiteindelijk meer voor de hand. Tenslotte wijst de voorzieningenrechter erop dat hij ervan uitgaat dat in het belang van de verkeersveiligheid in het algemeen en de veiligheid van het per openbaar vervoer reizend publiek in het bijzonder, de nodige maatregelen worden getroffen, zoals het instrueren van zowel de chauffeurs van de lijndienstbussen als van de toe te laten privéauto’s, touringcars/bussen en vrachtauto’s met bestemming Hotel Haarhuis over onder meer elkaars mogelijke aanwezigheid op het betrokken wegvak.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de consequenties van de met evenbedoelde afsluiting voor het verkeer samenhangende keuze van verweerder voor het verkeer in de Bergstraat, Coehoornstraat en Korte Coehoornstraat - instellen van tweerichtingsverkeer in plaats van het bestaande éénrichtingsverkeer - zoals eveneens neergelegd in het bestreden verkeersbesluit van 18 juli 2012, niet onevenredig te achten, mede gelet op de huidige verkeersintensiteit van circa 3.200 motorvoertuigen per etmaal. Dat dit leidt tot een toename van de verkeersintensiteit is voorshands niet onrechtmatig te achten. Ofschoon de bezwaren van omwonenden begrijpelijk zijn, behoeft verweerder deze dan ook niet doorslaggevend te achten en ligt inwilliging van hun verzoek om voorlopige voorziening niet in de rede. Hun verzoek zal dan ook worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder in zaak AWB 12/4365 te veroordelen in de door Haarhuis gemaakte proceskosten, bestaande uit een bedrag van € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede een bedrag van € 1.177,84, terzake van door ir. Lax, voornoemd, verrichte werkzaamheden als deskundige in verband met een aan Haarhuis uitgebracht verslag.

Wat betreft de toekenning van het laatste bedrag overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De specificatie van de deskundige vermeldt in totaal 14,5 uur aan werkzaamheden en een totaalbedrag van € 2.247,50. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de activiteiten van ir. Lax, gezien de door hem aan Haarhuis uitgebrachte notitie van 24 september 2012, kunnen worden aangemerkt als werkzaamheden van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb juncto artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken geldt voor de onderhavige werkzaamheden een forfaitair tarief van € 81,23 per uur. Naar aanleiding van de door Haarhuis overgelegde specificatie acht de voorzieningenrechter het redelijk om 14,5 uur x € 81,23 (totaal € 1.177,84) toe te kennen.

Het een en ander leidt tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek van Haarhuis in zaak AWB 12/4365 toe in die zin dat - op welke wijze dan ook - wordt toegelaten dat het weggedeelte van het Stationsplein tussen de Bergstraat en het Nieuwe Plein in oostelijke richting ook wordt gebruikt door privéauto’s, touringcars/bussen en vrachtauto’s met bestemming Hotel Haarhuis om aldaar - op de ter zitting door verweerder overhandigde kaart als “Kiss en Ride t.b.v. Hotel Haarhuis” aangeduide plek - stil te staan voor het laten in- en uitstappen van hotelgasten en -bezoekers en het in- en uitladen van bagage en andere goederen;

- wijst dit verzoek voor het overige af;

- wijst het verzoek van Haarhuis in zaak AWB 12/4776 af;

- wijst het verzoek van omwonenden in zaak AWB 12/4400 af;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de in zaak AWB 12/4365 bij Haarhuis opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.051,84;

- bepaalt dat verweerder het door Haarhuis in de zaak AWB 12/4365 betaalde griffierecht ten bedrage van € 310 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2012.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: 4 oktober 2012.